(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Neerlands Krijgsroem in Insulinde: Schitterende daden van moed, beleid, trouw en zelf-opoffering ..."

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 







'^/^ÜAB-Vt'^ 



^^^^^H 


. ^^^^^H 


366 ^^H^ ^^M 


1:1.^^^^ ^^1 




^K^ ^^B 




NEERLANDS KRIJGSRoB 

J 


1 1 


1 1 





NEERLANDS ERUGSBOEM 

IN 

INSUUNDE 



Neerlands Krijgsroem 



IN 



INSÜLINDE 



SCHITTERENDE DADEN 

VAN 

MOED, BELEID, TROUW en ZELFOPOFFERING 

IN DE 
NEGENTIENDE EEUW 

8KDBBT DB IK8TBLLING VAN DB 

MILITAIRE WILLEMSORDE 



DOOR 



A. S. H. ^OMS 

gep. Loit-Kolonel van het Ned. Ind. L«ger 
Ridder M. W. O. 4« kl 



TWEEDE DEEL 



»S GRAVENHAGE 
W. P. VAN STOCKUM & ZOON 

1902 



J 






Y.^ 



|)MP(p?)-^3'^ 



Een stout stuk 

bU de verovering van TancIJong Semantoh (Aljeh) 

1876 

'Weer klopt m:g 't Hollandsch hart in 't I^f 
En zwelt geroerd omhoog; 
Weer schittert Neerlands ond bedryf 
In m\jn verbijsterd oog. 

H. Tollens, Eenan Hasselaar. 

Alhoewel daden van meer dan gewone stoutmoedigheid en 
onverschrokkenheid in onze Indische krijgsgeschiedenis niet zeld- 
zaam zijn, zoo doen zich echter nu en dan toch feiten voor , die 
zelfe hen die er bij tegenwoordig waren, en meer grootsche en 
dappere daden zagen volbrengen, met verbazing vervulden, al 
kenden zij ook den dikwerf roekeloozen fnoed van de helden die 
ze uitvoerden. 

Onder dergelijke roemrijke, wonderlijk stoutmoedige en bijna 
onbegrijpelijke wapenfeiten kan zeer zeker het volgende gerekend 
worden, waaruit tevens blijkt wat kalme, onverzettelijke voortvarend- 
heid, gepaard aan onbegrensden moed vermogen tegenover een 
zeer overmachtigen, goed gewapenden, waakzamen, dapperen, en 
daarbij in eene vrij ongenaakbare positie uitmuntend verschansten 
vijand, die bovendien dagen lang op den aanval was voorbereid, 
zoodat dus van verrassing of overrompeling geen sprake kon zijn. 

Toekoe Moeda Angkasa, Radja van Blangmé, het vromere 
Hoofd van het landschap Merbau, waaruit hij door Toekoe Paja, 
die eene sterke vestiging te Tandjong Semantoh aan de Ara- 
koendoer-rivier had opgericht, verdreven werd, had zich aan de 
Nederlandsche R^eering onderworpen, hopende daardoor weder 
in het bezit van Merbau te geraken en zijne vijanden van 
Tandjong Semantoh te kunnen verdrijven. 

Daar zoowel het landschap Simpang Olim als dat van Tandjong 
Semantoh t^enover ons voortdurend vijandig gezind bleven en 



2 BBN STOUT STUK BIJ DB YBROYBBINO 

op Atjeh's Oostkust veel onrust stookten, was de wensch van 
Toekoe Moeda Angkasa zeer naar den zin der Regeering, want 
wanneer eenmaal Merbau en Tandjong Semantoh in ons bezit, of 
liever in dat van den met ons bevrienden Toekoe waren, dan 
zoude het aan onze troepen gemakkelijk vallen, om het lastige 
en woelige Simpang Olim tot rede te brengen, daar het dan 
zoowel van uit die landschappen, waarvan het door de Ara- 
koendoer-rivier gescheiden was, als langs de rivier van Simpang 
Olim kon worden binnengerukt 

Toekoe Moeda Angkasa, die eene bende van ongeveer looo 
man om zich vereenigd had, waarbij zich later nog 300 man 
onder Toekoe Tjikiq, vorst van Edi, voegden, kreeg van de 
Regeering de toestemming tegen Tandjong Semantoh op te rukken 
en dit landschap te veroveren, waartoe hem zelfs i5oachterlaad- 
geweren met munitie, benevens 3000 dollars werden verstrekt. 

Daar het echter niet in de bedoeling der Regeering lag, dat 
de Toekoe dat zaakje geheel alleen met zijn krijgsvolk zoude 
opknappen, werd eene kolonne onder Majoor F. C. Burgers 
aangewezen om den Atjehschen aanvoerder daarbij ter zijde te staan. 

Deze troep bestond uit twee kompagnien Infanterie, twee 
mortieren met bediening, een peloton Mineurs en een Officier van 
gezondheid met de noodige Ambulance, zoomede een aantal 
dwangarbeiders voor het vervoer van materieel , vivres en zieken , 
terwijl bovendien de gewapende sloepen van de beide stoom- 
schepen der Kon. Ned. Marine de noodige ondersteuning op de 
Aroekondoer- en de Allor Tjidoei-rivier zouden verleenen. 

De omstandigheden en het weinig moedige gedrag der Inland- 
sche benden maakten dat die hulp van onze zijde geen bloote 
formaliteit werd , want zonder onze krachtdadige en doortastende 
hulp zou de krijgsmacht van den Toekoe, hoe ontzagwekkend 
ook in aantal, de zaak nooit tot een goed einde gebracht 
hebben ; hoe moedig en onverschrokken de Atjehers dikwijls ook 
strijden als zij onze troepen bevechten, zoo blijven zij meesten- 
tijds op een eerbiedigen afstand van elkaar als zij tegen land- 
genooten optreden en verschieten dan nutteloos veel kruit uit 



YAM TAKDJONG SEMAMTOH — 1876 3 

de verte; buitendiea zijn zij geneigd de zaak iq)oedig op te geven> 
als de te nemen versterking onder hen den naam heeft van on- 
neembaar te zi^n, zooals in het onderhavige geval de stelling 
te Tandjong Semantoh. 

Nadat de benden van Toekoe Moeda Angkasa, gesteund door 
de gewapende sloepen der Kon. Ned. Marine, eenige weinig 
verdedigde stellingen op den t^enstander veroverd hadden, 
waagde deze zich niet verder aan de hoofdstelling. Hij wachtte 
liever de komst der expeditionnaire kolonne af, die dan met den 
gewonen strijdlust onzer soldaten de kastanjes wel uit het vuur 
zoude halen, zoodat hij zich die dan zonder veel gevaar en 
moeite kon toeêigenen, want de helden-geest zijner troepen 
was van dien aard, dat op zekeren dag zijne geheele legermacht 
voor een denkbeeldig gevaar op de vlucht ging, en zel£s het 
slechten der veroverde wallen aan onze kranige Jantjes overliet 

Nadat de kolonne onder den Majoor Burgers met alle krijgs* 
behoeften langs de Arakoendoer- en de Allor Tjidoei-rivier op- 
gevoerd en in een bivak op eene hoogte nabij Kota Lesong 
vereenigd was , bepaalde de bevelhebber dat de algemeene aanval 
op Tandjong Semantoh op den 13^ November 1876 zou plaats 
hebben, waartoe de noodige beschikkingen genomen werden. 

Doch wie op den 13®° voor den opmarsch en den aanval ook ge- 
reed was, de dappere l^ermacht van den Toekoe was dat niet, 
zoodat het oprukken één dag uitgesteld moest worden; de 
Majoor Burgers deelde echter het Atjeksche Hoofd mede, dat, als 
hij den volgenden dag niet in vereeniging met de kolonne tegen 
Tandjong Semantoh oprukte, de Nederlandsche troepen zelf 
zouden handelen en het veroverde in bezit houden, of terug- 
keeren en hem dan geheel aan zijn lot zouden overlaten. 

Dat hielp! 

Den 14®° November 1876 zou Toekoe Moeda Angkasa met 
zijne macht van ipoo man tegen de eigenlijke stelling, Tandjong 
Semantoh aan de Arakoendoer rivier, oj)rukken en die veroveren, 
terwijl onze troepen, uit het Zuiden aanvallende, alle overige 
stellingen voor hiume rekening zouden nemen. 



4 BBM STOUT STUK BU DB VBBOYSBINe 

Het zij hier dadelijk gezegd, dat de Inlandsche veldheer zich 
met zijne krijgsmacht op een honderdtal passen van de versterkte 
Gedei (Raadhuis) van Tandjong Semantoh in het struikgewas ver- 
borg en daar zooals hij zeide in hinderlaag ging liggen; van daaruit 
vermorsten zijne benden zonder eenig nut zeer veel munitie en dat 
was het eenige waartoe zich hmme operatiên bepaalden, want toen 
door onze troepen alle sterkten des vijands en ook de hoofdstelling 
genomen was, lag de geheele legermacht van den Toekoe nog 
altijd in diezelfde hinderlaag en had geen pas voorwaarts gedaan. 

De geheele strijd was door onze troepen gevoerd en be* 
slist, en wel hoofdzakelijk door twee sectiën van de kompagnie 
van het y Bataljon, bestaande uit Europeanen en Amboineezen, 
die de voorhoede der kolonne uitmaakten en aangevoerd werden 
door den onversaagden Kapitein der Infanterie H. £. Schoggers, 
wien den brutaal dapperen i^ Luitenant Adjudant A. G. Popelier 
als dienstdoend Stafofficier was toegevo^d. Deze Popelier droeg 
onder zijne makkers den naam van «Toornig, ter onderscheiding 
van andere Officieren die dienzelfden naam droegen. 

De vijandelijke positie was als volgt» 

Van het Zuiden de hoofdversterking naderende, zou de kolonne 
eerst stuiten tegen een door eene goed versterkte benting ver- 
dedigden heuvel, Boekit Tiga Ratoes, en vervolgens loo pas 
verder op eene gelijksoortige hoogte, Boekit Pinji. 

De eerste sterkte was bewapend met twee ijzeren drieponders , 
de laatste met lilla's; beide waren omgeven door de gewone 
hinderlijke bamboe-doerie-versperring. 

Ongeveer een half uur gaans daarachter lag in de vlakte aan 
den oever der Arakoendoer-rivier de versterkte Gedei (Raadhuis) 
van Tandjong Semantoh, te midden van een zestigtal goed 
gebouwde doch kleine Inlandsche woningen; het Raadhuis, dat 
geblindeerd en met twee stukken geschut bewapend was, diende 
hoofdzakelijk tot reduit, terwijl de geheele nederzetting door 
eene stevige palissadeering was omringd, die langs de buiten- 
zijde door bamboe-doerie beschermd werd en verdedigd zou worden 



VAN TAKDJONG SBMANTOH — 1876 5 

door eene talrijke bezettmgf, die bovendien c. q. de verdreven 
verdedigers der voorliggende sterkten in zich zoude opnemen. 

De voornaamste sterkte der vijandelijke stelling was echter het 
onneembaar geachte Kota Boekit, op drca 200 pas Oostwaarts 
van de Gedei gelegen en deze door haar vuur beheerschende. 

Kota Boekit was een goed versterkten, steilen, 60 Meter 
hoogen heuvel, die naar de zijde der Gedei nageno^ loodrecht 
a%egraven en overigens overal elders met zoo goed als ondoor- 
dringbaar doomachtig struikgewas begroeid was , waardoor slechts 
een onmerkbaar voetpad slingerde, dat bovendien telkens door 
versperringen werd afgebroken. 

Op den top des heuvels lag eene benting, met aan drie zijden 
breede aarden wallen, door twee bastions verbonden; de vierde 
zijde , aan den rand der steil a%egraven wand van gemetselden bak- 
steen opgezet, was i^ Meter hoogen dik; elk bastion was inet een 
ijzeren zesponder bewapend en achter den gemetselden muur stond 
nog een ijzeren zesponder en eenige lilla's in batterij ; de bezetting 
bestond uit 80 der beste strijders , die bescherming tegen het vuur 
van den aanvaller konden vinden in de achter de wallen gemaakte 
ingravingen , die weder door traversen gedekt waren, terwijl een met 
lilla's bewapend en geblindeerd reduit tevens tot kruitmagazijn diende. 

Op deze laatste versterking had Toekoe Paja al zijn ver- 
trouwen gevestigd, wijl zij naar zijne meening onneembaar was, 
omdat hij haar zoo doelmatig versterkt had en zoo krachtig had 
bezet met zijne beste kanonnen en zijne beste strijders. 

Den I4«° November 1876 rukte de kolonne onder den Majoor 
Burgers ter verovering van de stelling te Tandjong Semantohop 
met, zooals reeds gezegd is], een peloton van de kompagnievan 
het 3® Bataljon in de voorhoede, gekommandeerd door den Kapi* 
tein Schoggers, wien den Luitenant Adjudant Popelier als dienst- 
doend Stafofficier was to^evoegd. 

Zoodra de voorhoede in het gezicht van de eerste versterking, 
Boekit Tiga Ratoes, kwam, opende de bezetting een vrij sterk 
vuur zoowel uit hare vuurmonden als uit de geweren ; de voorste 



EBN STOUT STUK BIJ DE VBBOYSBING 

sectie der voorhoede, waarbij zich als naar gewoonte de Luitenant 
Popelier had aangesloten omdat die Afdeeling het eerst in ge- 
vaar kwam en de spits moest afbijten, nam, dien dapperen 
Officier volgende, niet de minste notitie van 'svijands woedend 
schieten, doch ging zonder een schot te doen met de meeste 
vastberadenheid tot den aanval met de bajonet over, en beklom 
onder dat vuur moedig den heuvel. 

Gevolgd door een Europeesch sergeant en eenige flinke Am- 
boineezen stormde Popelier onverschrokken den gang binnen, 
die, onder het bereik der schietgaten, kronkelend door de bamboe- 
doerie-versperring naar den ingang der benting voerde, drong 
stoutmoedig de versterking binnen, en viel de door dienstouten 
aanval verrasten vijand aan, die dadelijk de wijk nam in een zich 
binnen de enceinte bevindend versterkt huis; doch ook hier weifelde 
Popelier en zijne dappere sectie Amboinezen geen oogenblik, 
stormden op het huis aan en verjoegen den vijand, die in allerijl over 
de wallen heen een goed heenkomen zocht , zeven dooden in onze 
handen achterlatende, terwijl wij slechts twee gewonden telden. 

De Kapitein Schoggers, ter ondersteuning oprukkende, doch 
ziende dat Popelier het zaakje reeds beredderd had, vervolgde 
den vluchtenden vijand , bereikte met zijne sectie den heuvel Boekit 
Pinji en werd dadelijk door een goed onderhoudend vuur des 
vijands ontvangen, doch even als Popelier stoorde ook hij zich 
niet aan dat schieten, ijlde moedig tegen den heuvel op, klom 
onverschrokken over de hindernis die den ingang der sterkte ver- 
sperde heen en stormde met de bajonet op de verdedigers in , die 
weldra de vlucht namen, vier dooden achterlatende, terwijl die 
verovering ons drie gewonden kostte. 

Eenmaal aan 't veroveren van 's vijands sterkten zijnde, ging 
ide voorhoede maar dadelijk rechtstreeksch op de hoofdstelling 
Tandjong Semantoh los, om den vijand niet van den schrik der 
eerste nederlaag te doen bekomen. 

Wel zond de Majoor Burgers aan de voorhoede den last, 
om te Boekit Pinji de hoofdkolonne in te wachten, doch toen 
die last daar aankwam, stond de voortvarende Schoggers met 



YAN TANDJONG SEMAMTOH — 1876 7 

zijne dapperen reeds voor Tandjong Semantoh onder 's vijand» 
vuur, zoodat de Kolonne Kommandant rn allerijl het tweede 
peloton dier kompagnie ter ondersteuning afzond. 

Ook voor Tandjong Semantoh nam de kranige troep weinig 
notitie van 's vijands razend schieten, hoe geweldig dit ook was, 
doch drong als één man voorwaarts naar de palissadeering; vier 
dappere Amboineezen gelukte het eindelijk de poort te openen 
en daardoor gevolgd door de makkers binnen te dringen , waarop 
de vijand zijne toevlucht zocht in het met twee zesponders be^ 
wapende reduit, doch ook daar moest hij voor de aanstormende 
soldaten wijken, daar die onder Schoggers onweerstaanbaar voor- 
waarts drongen. De vijand liet weder eenige dooden achter, 
terwijl de onzen vier gewonden telden. 

Onderwijl de Kapitein Schoggers Tandjong Semantoh aanviel 
en veroverde, deed ook het buitengewoon sterke Kota Boekit 
zich bij de verdediging der Gedei gelden en zond, ofschoon 
zonder veel succes, een regen van kogels op de aanvallers af. 

Daar de Kapitein Schoggers ondertusschen een geheel peloton 
ter ondersteuning ontvangen had, ging Popelier met eene sectie 
er toe over om de hoogte Kota Boekit te beklimmen, welker 
versterking zich zoo geducht weerde. 

Die beklimming was uiterst moeielijk, zoodat de voortvarende 
Popelier ten slotte, boven gekomen, nog slechts zes Amboineezen 
in zijne nabijheid had. 

Twee dezer kwamen ongemerkt voor de hooge, steile en van 
steen opgetrokken borstwering, waarvan de kogels onder 's vijands 
luid geschreeuw over hunne hoofden heen naar beneden snorden. 

Tegelijkertijd was Popelier met de vier anderen iets meer links , 
eveneens ongemerkt, aan den voet van het van aarde opgerichte 
bastion gekomen, waar juist een Atjeher met eene brandende lont 
gereed stond om een der met kartets geladen zesponders af te vuren. 

Zonder in aanmerking te nemen dat hij in 't geheel slechts zes 
soldaten bij zich had en steeds gewoon snel en onverschrokken te 
handelen , aarzelde de kranige Popelier geen seconde, sprong in één 
aanloop boven op de borstwering en stond eensklaps voor den ver- 



8 BEN STOUT STUK BIJ DB VBBOYBBINe 

rasten Atjehschen kanonnier, die voor de dreigend opgeheven sabel 
van den Luitenant verschrikt terug deinsde, zijne lont wegwierp 
en al vluchtende door zijn geschreeuw de bezetting waarschuwde. 

Wel beproefden de woeste vijanden door een stoutmoedigen 
aanval die brutale indringers te verdrijven, doch de zes Amboi- 
neezen, die zich dadelijk bij hunnen Officier hadden gevoegd, 
weerstonden dien aanval met een zoo goed gericht en zoo goed 
onderhouden snelvuur, dat de verbijsterde vijand in allerijl op 
de vlucht sloeg, dooden en gewonden achterlatende, vervolgd door 
het met de bajonet vooruitstormende handjevol veroveraars. 

Behalve de vuurmonden vielen ons nog in die geduchte sterkte in 
handen, 50 geweren, 30 vaatjes buskruid, 30 zakken patronen 
en kardoezen, 200 blikken doozen alle met 30 è 80 looden 
kogels gevuld en bestemd om tot kartetsen te dienen en tal van 
verschillende andere wapens die den vijand achterliet, of in zijne 
overijlde vlucht wegwierp; hij verloor daarbij in het geheel 15 
man aan dooden, die hij niet mede kon nemen, en latere be- 
richten meldden dat de vijand nog 23 gewonden telde. 

In i^ uur tijds was alles afgeloopen. Rekent men nu dat de 
afstand tusschen de verschillende positiefs minstens een half uur 
gaans was, dan had een peloton dappere ^ onverschrokken Amboi- 
neezen, aangevoerd door onze kranige Officieren, in één uur 
tijds vier goed bezette en sterk bewapende versterkingen des 
vijands genomen, hem een gevoelig verlies toebrengende. 

Een schitterend succes ! . . . . Maar boven alles spant de aanval 
van den Luitenant Popelier de kroon, die eene onneembaar ge- 
achte, op eene steile hoogte gelden benting, verdedigd door 
vijf vuurmonden en 80 der dapperste Atjehers met slechts zes 
man bestormt en verovert , en de bezetting op de vlucht jaagt 

Het was een prachtig wapenfeit, een stout stuk, uitgevoerd 
met onverschrokkenheid en doortastenden moed, getuigenis af- 
leggende tot welke ongehoorde stoute krijgsbedrijven onze dap- 
peren in Indië in staat zijn. 

Voor zulke troepen is letterlijk niets onmogelijk ! . . . . 



Heldhaftig gedrag van 
H. A. Loder 

Koopman, Chef der AIJeh-Associatie te Kota-RacUa (Aljeh) *) 

1882—1885 

Wat stoft ïai op z^'n stoater kracht 
En onversaagder bloed? 
De zielen hebben één geslacht, 
Alleen de ziel geeft moed. 

H. Tollens, Kenau Hasselaer. 

Wanneer in Indié de mare weerklinkt dat een krijgstocht op 
til is en men zich met den vijand zal gaan meten, dan is het 
verwonderlijk te zien, hoe in de militaire kringen, zoowel hoogere 
als lagere, allen vervuld zijn met de hoop om aan dien tocht 
deel te mogen nemen. 

Die zucht tot deelname spruit niet alleen voort uit den wensch 
om het in vredestijd beoefende eindelijk in de werkelijkheid tóe 
te passen, of uit lust naar avonturen, of wel om zijn plicht te 
doen en den rustverstoorder naar verdienste te straffen , neen !.. . 
men is voornemens méér dan zijn plicht te doen , want het kruis 
der Militaire Willemsorde is aller streven , aller wensch , aller hoop. 

Gedurende den strijd treedt elke bijgedachte aan belooning 
ter zijde en zijn allen slechts bezield met het streven naar de 
overwinning; doch niet zoodra is alle gevaar geweken, of reeds 
dadelijk gaan velen in gedachte na, wat er alzoo gedurende het 
gevecht heeft plaats gehad en wie met eenigen grond hoop mag 
voeden op de belooning der Militaire Willemsorde; zelfis menig 
zwaar gewonde wordt benijd, omdat de wijze waarop die wonden 
verkregen werden aanspraak geeft op die hooge belooning. 

Maar ook hier is het bekende €€ve/en zijn geroepen maar wet' 
nigen uttverkoren»i^ van toepassing en menigeen vindt zich teleur- 
gesteld, als later zijn naam niet prijkt onder het klein aantal 

*) Reeds van de hand des schrgvers verschenen in Eigen Haard. 



10 HBLDHAFTIG GBDRAG VAN H. A. LODBB — 1882—1886 

uitverkorenen; want het moet helaas gezegd worden, dat niet 
altijd allen, die met recht aanspraak konden doen gelden, de 
belooning deelachtig worden. 

Is reeds bij de militairen de gelegenheid groot doch de kans 
gering, bij de Civiele ambtenaren zijn beide oneindig kleiner, 
ofschoon toch menigeen het met zooveel moeite en gevaren ver- 
kregen Eeremetaal draagt 

Voor den gewonen burger, den koopman, is zoowel de gele- 
genheid als de kans zoo goed als gelijk nul, omdat, al deelt 
hij somtijds de gevaren van een krijgstocht, hij daarbij toch altijd 
een lijdelijk toeschouwer blijft, als het ware nimmer in de 
eigenlijke handelingen kan en mag ingrijpen en dus feitelijk niet 
i^ de gelegenheid is om moed, beleid en trouw te toonen. 
:. Voor zoover schrijver dezes bekend is ontving tot nog toe geen 
eiikel koopman *) , die in die qualiteit te velde was , die zoo zeer 
begeerde Militaire belooning, en het is daarom des te meer eer 
VQpi: ó,en Heer H. A. Loder, koopman en beheerder der Atjeh- 
Associatie te Kota-Radja, om niet alleen als het ware de eenige 
uitzondering te zijn, maar door allen erkend te zien, dat nimmer 
eene belooning beter en meer verdiend was dan de zijne. 

De heer H. A. Loder was iemand met een vast, degelijk en 
pnafhankelijk karakter; zijn aangenaam, aantrekkelijk uiterlijk, 
zijn eerlijke oogopslag, zijne gulle hartelijkheid en zijne welge- 
meende vriendelijkheid, gepaard aan hooge beschaving, namen 
dadelijk een ieder voor hem in en maakten hem op Atjeh algemeen 
geëerd en bemind; even als elk rechtgeaard Nederlander had 
hij een ontembaren moed , die geen gevaren kent en den strijder 
met een glimlach op de lippen den bijna zekeren dood tegemoet 
doet gaan. 

Deze eigenschappen echter maakten hem gevreesd en gehaat 

*) Zelfs de dappere en ménschlievende von Bültziiigslöwe zij hier uitge- 
zóhdérd, Want deze maakte de tweede expeditie naar Atjeh mede, niet 
in zijne qualiteit als koopman, doch als gedelegeerde van het Roode Kruis, 
in welke hoedanigheid h\j zijne nimmer genoeg te waardeeren diensten 
verleende. 



HBLDHAFTie OBDBAG YAN H. A. LODKB — 1883—1886 11 

bij de Atjehers, die geene pogingen onbeproefd lieten, om den 
dapperen koopman met zijne onkreukbare eerlijkheid onschadelijk 
te maken. 

Uitstekend en onversaagd ruiter als hij was, was hij overal 
bekend en met hem zijn trouwen metgezel, zijn zwarten, vluggen, 
ijzersterken hengst ^Puck»^ die zijn meester onverschrokken door 
alle gevaren heenbracht Op zijn hengst gezeten kende Loder 
geen gevaren en het onvermoeibare, moedige dier stoorde zich 
aan geen gedonder van het geschut, geen geknetter van het 
geweervuur, geen fluiten van tallooze kogels of het gillen van den 
verwoeden vijand, doch droeg zijn meester met zekeren stap en 
gang waar diens vaste hand het leidde. 

Dezelfde verraderlijke aanval verminkte Loder voor zijn leven 
en velde den trouwen Puck^ nadat zij te samen zooveel gevaren 
getrotseerd hadden en daden hadden volbracht, die wegens de 
daaraan verbonden gevaren, bijna als onmogelijk werden beschouwd. 

De heer H. A. Loder werd benoemd tot Ridder der Militaire 
Willemsorde 4® klasse, wegens belangrijke diensten zoowel in 
den strijd als bij andere gelegenheden bewezen en wel voorna- 
melijk in de maanden Juni 1882 en Juli 1883, zoomede bij de 
opheffing der posten in de buitenste linie in het jaar 1885. 

In de maand Juni 1882 rukte eene kolonne van Lambaroe uit ,^ 
ten einde de posten Pajaoe en Senelop van de noodige voorraden 
te voorzien; de hemelsbreedte tusschen Lambaroe en die posten 
onderling is ongeveer te zamen 8 kilometer, doch de wendingen 
van den weg maken den werkelijken afstand ruim 10 küometer 
of ongeveer 2 uur gaans; eene kolonne echter, gehinderd door 
talrijke voertuigen en koelie's die voortdurend den marsch ver- 
tragen, daar de toestand van den weg vrij primitief was, heeft 
voor dien afstand veel langer tijd noodig, ook zonder dat de 
vijand hinderpalen in den weg legt 
. De dekking van een transport is in een vijandelijk land zooals 
Atjeh, een der moeielijkste vraagstukken op militair gebied, 
daar ieder Inlandsch inwoner van Atjeh zich zoo noodig oogen- 



12 HBLDHAFTie GKDRAO VAN H« A. LODKB — 1882—1885 

blikkelijk in een krijgsman verandert en omgekeerd, terwijl door 
gebrek aan manschappen de sterkte van den troep dikwerf geheel 
onevenredig is aan de lengte van het te beschermen transport; 
een groote factor voor den geregelden gang van zaken in alle 
opzichten is het toezicht op de transportmiddelen zelf, waarmede 
steeds een afzonderlijk persoon wordt belast, die tot taak heeft 
de orde in dien troep non-combattanten te handhaven en ver- 
traging te voorkomen. 

Bij deze kolonne was de heer Loder als vertegenwoordiger 
der Atjeh-assodatie met het toezicht op de transportmiddelen 
belast en aan betere handen kon die dienst waarlijk niet zijn 
toevertrouwd. Gezeten op zijn trouwen Puck, was bij bijna alom 
tegenwoordig om aan te moedigen of de noodige bevelen te 
geven, wat de taak van den beschermenden troep veel gemak- 
kelijker maakte. 

Was echter in normale omstandigheden de marsch reeds af- 
mattend , in dit geval werd het uiterste van allen geëischt , want ge- 
durende den geheelen tocht werd de kolonne voortdurend verontrust 
en aangevallen , dan eens beschoten door een soms onzichtbaren 
vijand, dan weder aangevallen door de klewang-zwaaiende Atjehers. 

Na een moeielijken marsch en eene bijna onafgebroken wor- 
steling met den vijand, bereikte de kolonne Senelop, doch in 
welken toestand! .... 

Uitgeput door den moeielijken marsch en den voortdurenden 
strijd op het heetst van den dag, sleepten de soldaten zich voort 
en bezweken de koelie's als het ware onder hunne lasten , terwijl 
de transportmiddelen bijna onvoldoende waren om de talrijke 
dooden en gewonden mede te voeren. 

De eerste zorg gold natuurlijk de gewonden, doch helaas !..« 
de noodige hulp- en verbandmiddelen ontbraken, daar deze in 
de verwarring van den strijd waren te loor gegaan, hetzij dat 
de dragers ze hadden weggeworpen, of dat de vijand dekoelie's 
had afgemaakt Het was dus zaak om zoo spoedig mogelijk hulp 
te verkrijgen. 

Pajaoe kon niet helpen en Lambaroe was te ver verwijderd. 



i 



HBLDHAFTId efla)BAG VAN H. A. LODKB — 1882—1885 13 

dus bleef alleen over om hulp te ontbieden van Anagaloéng^dat 
slechts een uur gaans van Senelop gelegen was, doch waar men 
zich ook heen wendde, overal moest men zich door den vijand 
heenslaan , zoodat een vrij sterke troep uitgezonden moest worden , 
maar, ... de troepen waren doodelijk afgemat. 

Geen nood! . . . Loder wist een uitweg! . . • • Loder bood 
zich aan om op zijn vluggen hengst, alléén, geheel alléén het 
waagstuk te ondernemen en hulp te halen midden door den 
woedenden , strijdlustigen vijand heen. Noch de vermoeienis, noch 
het gevaar dat hij een bijna zekeren dood te gemoet ging, kon 
den dappere afschrikken; zoowel hij als zijn paard waren ijzer- 
sterk en onversaagd, en daar het belang van den soldaat het 
eischte, wilde hij ook zichzelven niet sparen; alle vertoogen om- 
trent de roekeloosheid der onderneming hoorde hij wel vriendelijk 
glimlachend, doch vast besloten aan. 

Weldra was Puck weder opgezadeld en besteeg Loder zijn trouwen 
makker in gevaren, na hem eenige bemoedigende woorden te 
te hebben toegesproken en vriendschappelijk op den hals te 
hebben geklopt ; nogmaals wisselden allen een handdruk met den 
man, die, geheel buiten zijne roeping, zich vrijwillig ter dood 
wijdde in het belang van den lijdenden soldaat, en langzaam 
reed Loder voort tot hij den weg bereikt had; daar gekomen 
boog hij zich voorover op den fraai gekromden nek van het edele 
dier, liefkoosde het nog een enkele maal en toen het de sporen 
in de zijden drukkende klonk het ^^madjoe Puck h qh Puck g^YiooX'- 
zaamde als één met zijn meester en vloog in razenden ren vooruit , 
zoodat zijne vlugge hoefslagen luid op den harden weg weerklonken. 

Dit trok natuurlijk de aandacht van de altijd waakzame, 
zich in grooten getale in den omtrek bevindende vijanden, en 
mochten zij al een oogenblik verbaasd staan over eene dergelijke 
onverwachte en onbegrijpelijke vermetelheid , zoo klonk toch weldra 
van alle zijden een woedend gegil, en werd een heftig geweer- 
vuur op den eenzamen ruiter gericht, terwijl een ander gedeelte 
zich voortspoedde om den man den weg af te snijden, dien zij 
aan zijn zwart paard herkend hadden. 

II 2 



14 HELDHAFTIG GBDRAG VAN H. A. LODBB — 1882— 188& 

Een enkele misstap, eene enkele vertraging, eene enkele ver- 
wonding van het edele ros en het ware met beiden gedaan geweest ,. 
doch het was als beschermde eene Hoogere macht den vermetele ,. 
want onverminderd klonk den achterblij venden, tusschen het 
knetteren van het geweervuur en het gegil des vijands,deregeU 
matige snelle hoefelag van Puck in de ooren; toen dit geluid 
eindelijk door den aÊstand wegstierf en het vuren aanhield , vroeg 
men 2dch angstig af wat daarvan de uitslag zoude zijn. 

De uitslag was, . . . dat Loder in razenden wedloop op zijn 
schuimend en heigend ros Anagaloëng bereikte en weldra met 
geneeskundige hulp terugkeerde , geëscorteerd door een troep uit 
die versterking. 

Het is onnoodig de hartelijke en geesdriftvoUe ontvangst te 
melden, die den dapperen koopman bij zijne terugkomst te beurt 
viel, eene ovatie waaraan hij zich op bescheiden wijze met zijn 
gewonen vriendelijken glimlach onderwierp, een groot deel van 
die hartelijkheid overbrengende op zijn braven Puck, op wiens 
snelheid, kracht en trouw hij trotsch was. 

In de maand Juli 1883 zoude zoowel van uit Tjot Basatoel als 
van Glé-kambing eene kolonne uitrukken tegen den te vermetel 
wordenden vijand, doch beide kolonnes zouden volgens een 
vast plan tot één en hetzelfde doel samenwerken. 

In den vroegen morgen van den dag dat de tocht zoude 
plaats hebben, waren te Tjot Basatoel berichten ingekomen, die 
eene wijziging in de orders noodzakelijk maakten om het succes 
van de onderneming te verzekeren. 

Maar hoe den komandant te Glé-kambing daarmede in kennis 
te stellen? . . . want men had geen andere gemeenschap met 
dien post, dan langs den grooten weg, die overal langs vijandelijk 
gezinde kampongs voerde, zoodat slechts sterke patrouilles dien 
afstand van drie en een halven kilometer konden afleggen, en 
dan somtijds nog ten koste van vele gewonden, . . . doch sol* 
daten konden onmogelijk aan den voorgenomen tocht onttrokken 
worden. 



HELDHAFTIG OBDBAO VAN H. A« LODKB — 1882—1886 15 

Maar wat nood! .... Loder was toevallig te Tjot Basatoel met 
zijn zwarten Puck^ en daar waar die beiden waren, behoefde 
men niet verlegen te zijn om een boodschapper. 

Loder bood zich aan om de orders over te brengen; Loder 
besteeg zijn trouwen Puck^ kwam ongedeerd door het vijandelijke 
vuur te Glé-kambing, gaf de orders over en dank zij zijne dap- 
perheid, gelukte de gewijzigde onderneming ten volle. 

Weder had Loder als krijgsman gehandeld, hoewel hij slechts 
koopman was. 

Bij de opheffing der posten Djerir, Indrapoeri, Glé-kambing, 
Tjot Basatoel, Samagani, Lepong Ara, Montassik, Panteh Karang, 
Senelop en andere in het jaar 1885, bewees hij als beheerder 
der transporten , niettegenstaande zijne verminking , zulke belang- 
rijke diensten door zijn grooten moed, kalmte en bezadigdheid, 
gedurende de dikwerf hevige aanvallen des vijands, dat het Ned. 
Lidische Gouvernement zich gedrongen zagden non-combattant, 
den koopman voor eene Militaire belooning voor te dragen, 
eene belooning die hij weldra ontving en die geen edeler en 
braver borst kon versieren. 

Het zij mij vergund ten slotte het feit mede te deelen waar- 
van Puck en zijn dapperen meester het slachtoffer werden. 

Den 24^ December 1883 was Loder te Lambaroe, ten einde 
met zijn confrère H. Raadt op hooger last eenige dienstaange- 
legenheden te bespreken, die hem echter zoolang hadden bezig 
gehouden, dat de duisternis reeds lang was ingevallen eer zij 
gereed waren. 

Toen Loder zich gereed maakte om in het donker naar 
Anagoeloëng terug te keeren, was het negen uur geworden en 
werd hem door allen afgeraden den gevaarlijken tocht te onder- 
nemen. 

De weg was ongeveer 8 kilometer lang en voerde door kam- 
pongs en geboomte , vooral in de kampongs Lamtengah en Lam- 
barih, waar de duisternis tastbaar genoemd kon worden, terwijl 



f 



16 HBLDHAFTie GBDRAG VAN H. A. LODBR — 1882—1885 

des nachts daar dan steeds gewapende Atjehers ronddwaalden. 

Loder stond er echter op om te vertrekken, wijl zijne instruc- 
tien inhielden, dat hij steeds des nachts op zijn post terug 
moest zijn, en beantwoordde alle vertoogen met een glimlachend 
schouderophalen, bewerende, dat daar waar hij niets zien kon, 
Puck hem zeker verder zoude brengen en dat zij te zamen wel 
grootere gevaren getrotseerd hadden. 

Slechts gehoorzamende aan zijn gevoel van plicht, ving hij 
den tocht aan, eerst in matigen gang, doch naarmate hij het 
gevaarlijke punt naderde, dezen langzamerhand versnellende. 

In kampong Lamtengah gekomen ziet hij plotseling ter zijde 
van den weg eenige donkere gestalten verrijzen, die hem toe- 
roepen om te blijven staan. 

Als eenig antwoord neemt Loder den revolver uit zijn holster , 
om ter verdediging gereed te zijn, en versnelt zoo mogelijk nog 
den loop van zijn paard. Eensklaps ziet hij eenige vuurstralen de 
duisternis doorklieven, schoten weerklinken en een pijnlijk gevoel 
in het been is hem een teeken dat hij gewond is; tegelijkertijd 
deed Puck een geweldigen sprong voorwaarts en snelde daarna 
in duizelingwekkende vaart vooruit. 

Reeds wenschte Loder zich zelven geluk dat hij, hoewel ge- 
wond, dank zij zijn wakker paard den dans ontsprongen was, 
toen het edele dier, na een duizendtal Meters te zijn doorge- 
rend, eensklaps zijn gang vertraagde en plotseling dood ter 
aarde stortte. 

Eenzelfde kogel had beiden gewond, doch het arme paard ten 
doode, dat echter in zijne laatste wanhopige poging zijn meester 
nog zoo ver mogelijk buiten het gevaar bracht. Nu was de toe- 
stand van Loder vrij hopeloos, daar hij zich door zijn gewond 
been bijna niet kon bewegen en hij zijne vervolgers in de verte 
hoorde naderen. 

Haastig kroop hij zoo goed en zoo kwaad als het ging ter 
zijde van den weg in de sloot en verborg zich daar in het welig 
groeiende struikgewas, duldelooze pijnen uitstaande en zijn revolver 
gereed houdende om zich zoo goed mogelijk te verdedigen, doch 



HELDHAFTIG GlfiDRAG VAN H. A. LODBB. — 1882—1885 17 

met het voornemen om de laatste patroon voor zich zelf te bewaren. 

Zijne vervolgers naderden met flambouwen; het doode paard 
ziende liggen gingen zij de struiken onderzoeken of de ruiter daar 
ook ergens verborgen was. 

Dit waren oogenblikken van vreeselijken doodsangt en menigmaal 
vreesde Loder dat de vijanden zijn hart konden hooren kloppen. 
Enkele malen was het hem, als keek het hem vijandige hoofd 
Toekoe Tjoet Lamtengah hem aan en achtte hij zijn laatste uur 
geslagen, doch gelukkig ontdekten de vijanden hem niet en 
trokken af. 

Alleen gebleven in de stilte en de duisternis van den nacht, 
zich niet kunnende bewegen, zag hij geen uitkomst, doch weldra 
lieten zich weder stemmen hooren en spoedig herkende hij in 
een daarvan die van den Luitenant Drijber van Lambaroe, die op 
het hooren der schoten met toestemming van zijn kommandant 
voor alle zekerheid met eene patrouille uitgerukt was om de 
zaak te onderzoeken. 

De patrouille bracht hem veilig te Anagaloéng, doch hij bleef 
voor zijn leven verminkt eïi de arme Puck^ zijn trouwen vriend 
en makker, was voor hem verloren. 

Hoewel verminkt, bleef Loder de zaken besturen en bewees 
zooals boven gezegd is in 1885 nog menigen gewichtigen dienst 

Eene kortstondige ziekte, vermoedelijk een gevolg zijner ver- 
minking, sleepte ook dezen brave op jeugdigen leeftijd ten grave 
en ontrukte hem aan zijne nuttige werkkring en aan de genegenheid 
zijner familie en vrienden, doch zijn naam leve voort als die van 
een waardig en dapper Nederlander , een schitterend voorbeeld voor 
het nageslacht. 




Moed en Zelfopoffering 

van den Europeeschen Ziekenoppasser J- H. Geelen 
bU TJot Rang (Atjeh) — 1882 

C'esi faire trop d'honneor k ia vie, que de craindre ia mort. 

Th. JourPROiJ. 

Ridderlijke moed en fiere doodsverachting in den heetsten 
strijd, als de held met het zwaard in de vuist den vijand van 
zijn Land en zijn Vorst bekampt, heeft altijd, en met recht, 
sedert 's menschen bestaan de bewondering en vereering niet 
alleen van landgenooten, maar van elk ridderlijk gemoed, 't zij 
vriend of vijand, opgewekt, hoe algemeen die edele deugden ook 
onder natiën met een vrijheidlievend en zel&tandig volksbe- 
staan gevonden worden. 

£n toch zijn die deugden als het ware iets natuurlijks. Hoezeer 
de mensch in den regel ook aan het leven gehecht is, toch heeft 
de soldaat, zoodra hij de uniform aantrekt, zich bereid verklaard 
om des geéischt in aJler belang dat leven ten offer te brengen, 
waar de roepstem van den Vorst hem in 't belang van het dierbare 
Vaderland daartoe oproept 

Reeds die uniform, de kleeding van een stand waar de eqr 
als het hoogste goed geldt, en dat gemeenschappelijk strijden in 
groot gevaar, wekt den moed op; het geweld van den strijd, het 
edele grootsche doel dat daaraan ten grondslag ligt, de kruit- 
damp, de hardnekkige weerstand van den vijand, het gevoel van 
wraaklust voor de reeds gevallen makkers , en het bewustzijn van 
eigen kracht, dat het wapen schenkt met ijzeren vuist omklemd , 
voert die moed op tot ware doodsverachting, die tot de meest 
grootsche daden aanspoort en wonderen doet verrichten, waarop, 
zoo niet de dader zelf, dan toch zeker zijne krijgsmakkers met 
trotsch neerzien. 



MOKD KN ZBLFOPOFFBBINO VAN J. H. GEBLBN — 1882 1^ 

Maar nog schoener en verdienstelijker is de moed die betoond 
wordt zonder dat de meeste dier opwekkende factoren op 's men- 
schen gemoed inwerken, dat is de moed van hen , die ongewapend 
in 's vijands hevigste en moorddadigste vuur, als dooden en 
gewonden om hem heen nederstorten , zonder zelf actief aan het 
gevecht deel te nemen, trouw en onvervaard hunnen plicht 
vervullen, geen acht slaande op eigen gevaar of eigen wonden, 
maar met bijna voorbeeldeloozen moed , groote kalmte en edele zelf- 
opoffering de gekwetste strijders helpen verplegen, de wonden ver- 
binden en als 't ware de hulpbehoevenden met eigen lichaam dekken. 

De eersten, het dood aanbrengende wapen in de vuist knel- 
lende , kennen in de opwinding van den strijd geen gevaar meer , 
de laatsten zien wel het gevaar, maar blijven zonder opwinding, 
te midden van den hevigsten kogelregen, lijdzaam en bedaard 
tot het einde toe hunnen plicht vervullen, dat is, tot hunne taak 
is volbracht, of tot zij door 't vijandelijke lood gekwetst of 
gedood in de onmogelijkheid zijn hunne edele taak voort te zetten. 

Die boven alles bewonderenswaardige kalme heldenmoed en edele 
zelfopoffering betoonde de Europeesche ziekenoppasser J. H. Cïeelen, 
•die als eenige verbandmeester bij eene kolonne te Atjeh ingedeeld , 
zijne taak als Ambulance-chef op eene wijze vervulde , die boven 
allen lof verheven is. 

De strook lands tegenover Lambaroe op den rechteroever der 
Atjeh-rivier, en die in het Oosten begrensd wordt door eene 
denkbeeldige lijn die ongeveer bij onze versterking te Toengkoep 
begint, van daar in bijna Zuidelijke richting loopt tot de kampong 
Tjot-Rang en verder naar onze versterkingen te Pajaee , Senelop 
en Montassik, is een vrij moerassig en woest terrein, doorsneden 
door een warnet van waterloopen, en voor het overige eene 
ware tropische wildernis waar enkele smalle voetpaden doorheen 
voeren , en waartusschen hier en daar eenige bijeenstaande bamboe- 
woningen liggen, die dan eene zoogenaamde kampong vormen. 

In het Oosten, buiten die dichtbegroeide strook, is het terrein 
meer open en bevindt zich de uitgestrekte, te Atjeh algemeen 




20 MOBD EN ZBLFOPOFFERINe VAN J. H. GERLEN — 1882 

bekende Blang Bintang, eene reusachtige aaneenschakeling van 
Sawah- velden waarover men een ruim en vrij uitzicht heeft, 
doch die ook weder aan den horizon overal begrensd wordt 
door dicht begroeide kampongs. 

Van af onze versterking te Toengkoep voert een nog al breeden 
weg over een vrij open terrein in Zuidelijke richting naar de 
kampong TjotRang, zoodat men, even voor men die kampong 
bereikt, nog in de verte achter zich de Hollandsche driekleur 
te Toengkoep van den vlaggemast ziet wapperen. 

Van de kampong Tjot Rang gaat die weg over in een anderen , 
die, door een zwaar begroeid terrein voerende, meer heeft van 
een verwaarloosd voetpad dan van een weg en met eenige kron- 
kelingen naar onze sterkte te Pajaoe voert , van waar men weder 
langs een zeer bruikbaren weg de versterkingen te Senelop, 
Montassik en Anagaloëng kan bereiken. 

Daar zich in die begroeide en moeielijk begaanbare terrein- 
strook tegenover Lambaroe telkens vijandige Atjehsche benden 
verzamelden, was het noodig dat deze door onze troepen voort- 
durend schoon gehouden werd van die ongenoode lastige gasten , 
zoodat bijna dagelijksch, óf van uit Anagaloêng, óf van de 
bezetting te Lambaroe, sterke patrouilles die streek doorkruisten 
en onderzochten. 

Wel werden die patrouilles telkens uit de verte beschoten door op 
vrij grooten afetand in het dichte kreupelhout verscholen vijanden , 
doch van ernstige gevechten was nog geen sprake geweest. 
Hoewel het terrein zich voor den vijand uitmuntend eigende 
tot het l^igen van hinderlagen, zoo had de waakzaamheid onzer 
kolonnes dat steeds verhinderd, want door dat aanhoudend 
patrouUleeren was die streek [voor den vijand verre van rustig 
en kon hij zich daar nergens voor eenigen tijd nestelen of eene 
versterking opwerpen. 

Den 7^ Augustus 1882 rukte tot datzelfde doel eene patrouille 
van Lambaroe uit , sterk 97 onderofficieren en minderen (geweer- 
dragenden) , onder de aanvoering van den Kapitein der Infanterie 



MOBD BN ZELFOPOFFERING YAN J. H. GB1ELBN — 1882 21 

P. G. Bode, aan wien nog de Luitenants, W. J. A. Roijen en 
F. C. van Swieten toegevoegd waren. 

Daar de patrouilles bij hunne kortstondige ontmoetingen met 
den op grooten afstand verborgen vijand hoogst zelden gewonden 
kregen, werd de kolonne voor het vervoer van mogelijke zieken 
en gewonden slechts gevolgd door een viertal dwangarbeiders 
(kettingjongens — tot dwangarbeid veroordeelden) met twee tandoe's 
(veld-draagbaren) onder de orders van den Europeeschen zieken- 
oppasser J. H. Geelen, die als verbandmeester de eenige was, 
die bij voorkomende ongevallen zoogenaamd geneeskimdige hulp 
kon verleenen. 

Ook was als naar gewoonte een gids aan de kolonne toege- 
voegd om des gewenscht inlichtingen te kunnen geven en tevens 
als tolk te dienen voor het geval dat de patrouille in aanraking 
kwam met een deel der Atjehsche bevolking, die de Maleische 
taal niet kon spreken of verstaan. 

Daar het in de laatste dagen voortdurend op echt tropische 
wijze geregend had en het grootste deel van het terrein onder 
water stond , werd door de kolonne terstond het nu zoo goed 
als eenige bruikbare pad gevolgd en wd dat, hetwelk van de 
overzijde van Lambaroe naar de kampong Tjot Rang voerde. 

Gedurende den marsch tot die kampong werd niets bespeurd 
dat eenige aanleiding gaf om vijanden in den omtrek te ver- 
moeden. Alles was kalm, rustig en vredig en ook inde kampong 
Tjot Rang, die doorzocht werd, werd niets verdachts gevonden. 

Na die doorzoeking werd de marsch vervolgd, en even voorbij 
Tjot Rang rechts-afgeslagen naar Pajaoe, waarna de kolonne 
op aanwijzing van den gids een pad volgde, dat boven het 
onder water staande terrein uitstak, maar zoo smal was, dat de 
troep slechts met twee man in front kon marcheeren, terwijl 
het aan beide zijden begrensd werd door dicht struikgewas, 
waartusschen het water op sommige plaatsen zelfs i Meter 
hoog stond. 

Het is nooit uitgemaakt kunnen worden of de gids door die 
aanwijzing verraad pleegde en de kolonne in eene hinderlaag 



"22 MOBD SN ZELFOPOFFERING YAN J. H. QEELEN — 1883 

voerde, dan wd dat hij te goeder trouw dwaalde, want hij was 
een der eersten, die door 'svijands lood getroffen, dood ter 
aarde stortte. 

Na een korten tijd dit kronkelend pad gevolgd te hebben , 
werd de troep eensklaps door een overstelpend vuur verrast van 
achter eene door struikgewas onzichtbare aardophooging , opgericht 
aan het einde van een deel van het pad, waar dit eene krom- 
ming maakte en dus het geheel voorgelegen terrein bestreek , 
terwijl t^elijk ook de rechts en links van den weg in het water 
en het struikgewas verscholen vijandelijke benden, een dichten 
kogelregen op den troep van zeer nabij afzonden. 

De uitwerking dier talrijke schoten op die op een smal voetpad 
samengedrongen menschenmsasa was verschrikkelijk, en weldra 
was de weg bezaaid met dooden en gewonden die daardoor de 
strijdenden in hunne bewegingen hinderden. 

Daar de breedte van het pad niet toeliet om zich en Hrailleur 
te ontwikkelen , beproefde de kommandant om zich onder 's vijands 
moorddadig vuur aan beide zijden van den weg uit te breiden 
en dit vuur te beantwoorden , doch de soldaten die dit beproef- 
den zakten in den moerassigen bodem van het onder water staande 
terrein weg en geraakten verward in de dicht ineen gegroeide 
struiken, zoodat zij zelfs him schietwapen niet kondeh hanteeren. 

Het was een hoogst gevaarlijken en kritieken toestand ! . . . . 

Het aantal dooden en gewonden nam met elk oogenblik dat 
men op die noodlottige plek vertoefde toe, en deze bleven op 
dat gevaarlijke voetpad blootgesteld aan 's vijands vuur liggen, 
daar de transportmiddelen, om die talrijke gewonden weg te 
voeren, geheel ontbraken. 

De terugtocht was dringend noodig , maar zoude uiterst moeielijk 
en bezwaarlijk zijn. 

De aan alle zijden dicht begroeide weg, die naar Lambaroe 
terug voerde, kon daartoe niet gevolgd worden, omdat de vijand 
dan steeds gelegenheid zoude hebben om de kolonne verliezen te 
berokkenen, zonder dat deze, gehinderd door de vele gewonden , 
hem dat afdoende kon beletten en bovendien dan slechts zeer 



MOBD SN ZELFOPOFFERING TAN J. H. «SELEN — 1882 28 

langzaam zou kunnen vorderen. Daarom besloot de Kapitein Bode 
om te trachten zoo spoedig mogelijk den breeden en meer open weg 
naar Toengkoep te bereiken en op die sterkte terug te trekken. 

De terugtocht werd zoo vlug mogelijk en in goede orde vol- 
bracht, en weldra zag de vijand van alle vervolging af. 

In dit gevecht verloor de kolonne 8 man aan dooden , die op 
het slagveld achter gelaten moesten worden en den volgenden 
dag afschuwelijk verminkt werden teruggevonden, benevens i8 
gekwetsten, van welke sommige 2 of 3 maal door 's vijands lood 
gewond waren, doch die allen hetzij strompelende, hetzij op de 
schouders hunner kameraden de terugtocht der kolonne konden 
volgen. 

De dappere soldaten wisten, trots hunne benarde positie, den 
vijand zoo in ontzag te houden, dat hij niet als naar gewoonte 
tot den vreeselijken klewang-aanval durfde overgaan, zoodat alle 
wonden door projectielen veroorzaakt waren. 

Onder hen die zich bij dat moorddadige gevecht bijzonder 
onderscheidden door eene zeldzame mate van moed, beleid en 
zelfopofifering, blonk in de eerste plaats uit de verbandmeester 
J. H. Geelen. 

Zonder zich om 's vijands vuur te bekommeren begon hij dadelijk 
kalm en vaardig de eerste gewonden te helpen en te verbinden , 
en die taak was uiterst bezwarend , want voor al dien arbeid was 
hij slechts alleen. 

Eindelijk werd hij zelf door een schot in den arm gewond, 
welke wond hij ijlings van een vluchtig verband voorzag, en 
daarna weder voortging om zijne gewonde makkers te helpen 
en weg te dragen, hoe moeilijk en pijnlijk die taak ook was. 

Bij die nobele taak werd hij ten tweede male gewond door 
een projectiel dat hem weder den arm doorboorde en eene diepe 
wond langs den rug veroorzaakte. 

Het aantal gekwetsten was op dat oogenblik zoo toegenomen 
dat Greelen geen tijd vond om zich zelf te verbinden , doch hoe 
gewond hij ook was, bleef hij met de meeste toewijding zijne 



24 MOBD BN ZSLFOPOFFEBIKQ YAN J. H. GfiELEN — 1882 

edele, moeielijke taak vervullen, zelf nog zoo goed mogelijk de 
gekwetsten steunende, voor him vervoer zorg dragende, hen be- 
moedigend toesprekende, of uit eigen veldflesch lavende. 

Maar helaas ? . . . . Terwijl hij vol zelfopoffering slechts aan 
anderen dacht, alle pijnen, eigen wonden en gevaren vergetende, 
werd hij bij den terugtocht ten derde male gewond en wel door 
een schot door de beide beenen, zoodat hij ineenzakte en nu 
zelf gedragen moest worden. 

Een welsprekend bewijs van den grooten moed en de edele 
zelfopofifering van den dapperen J. H. Geelen, is de hieronder 
volgende Dagorder van Z.E. den Kommandant van het Indische 
Leger aan de krijgsmacht in Indië , waarbij die Opperbevelhebber 
in korte en welsprekende woorden de verdiensten van dien 
braven soldaat in herinnering brengt, onder mededeeling dat op 
de teUgraphisch gedane voordracht Z. M. onze beminde Koning, 
die de dappere daden van het Indische Leger zoo naar waarde 
wist te schatten, den dappere ook teUgraphisch benoemd werd 
tot Ridder der Militaire Willemsorde. 

De Luitenant-Generaal Kommandant van het Indische Leger 
had het gedrag van den dapperen, edelen Geelen zoo merk- 
waardig en zoo grootsch gevonden, dat Z. £. zich gerechtigd 
achtte van den gewonen gang der zaken af te wijken, door zich 
per draad tot Z. M. te wenden. Eene buitengewone erkenning 
voor eene dappere edele daad. 

Dag-Order voor het Indische Leger 

N®. 19. Toekenning eener militaire belooning. 

Bij gelegenheid van den aanval, dien eene van uit Lambaroe 
over Tjot Rang naar Pajaoe utgezondene patrouille van 2 Offi- 
cieren en 97 minderen , onder bevel van den Kapitein der Infan- 
terie P, G Bodiy op den 7*° Augustus jl. had te doorstaan, 
onderscheidde zich de Europeesche ziekenoppasser ƒ. H, Geelen , 
Algemeen stamboek niunmer 7162, die als eenig verbandmeester 



MOSD EN ZBLF0P0FFBRIN6 VAN J. H. OEBLBN. — 1882 25 

aan de kolonne was toegevoegd, door eene zeldzame mate van 
moed en zelfopoffering. 

Gedurende het zeer hevige en op korten afstand gevoerde 
gevecht al zijne krachten aan de verzorging der gewonden wij- 
dende, bekwam deze militair een schotwond in den arm, doch 
na zich voorloopig verbonden te hebben , bleef hij zijne taak met 
de meeste toewijding volbrengen; ook nadat hij ten tweeden 
male door een kogel, ditmaal in arm en rug, getroffen was. 

Eerst nadat hem op den terugtocht naar Toengkoep het ongeluk 
trof, door beide beenen geschoten te worden, staakte deze brave 
militair zijn dienst en liet hij zich vervoeren. 

Voor deze moedige zelfopoffering en buitengewoon trouwe 
plichtsbetrachting werd hij per telegram bij Zijne Majesteit den 
Koning in aanmerking gebracht voor benoeming tot Ridder der 
4^® klasse der Militaire Willemsorde; welke onderscheiding hem 
bij Koninklijk besluit van den 30®° October jl. N® 24 — mede 
per draad — werd toegekend. 

Het is mij eene aangename taak, het bovenstaande, waaruit 
weder blijkt dat buitengewone daden van moed, beleid en trouw, 
zoowel bij Regeering als Opperbestuur, waardeering vinden, 
ter kennis van het Leger te brengen, niet twijfelende of het door 
Geelen gegeven voorbeeld zal velen tot navolging strekken. 

Deze order moet op drie achtereenvolgende appels worden 
voorgelezen. 

Hoofdkwartier Batavia, den 7®° November 1882. 

De Kommandant van het Leger en Chef 
van het Departement van Oorlog in Nederlandsch^Indiè' , 

H. G. Bouwmeester. 

Eene schoone Koninklijke belooning voor eene schitterende 
daad van moed, trouw en zelfopoffering. 

Op beide is Nederland trotsch en in 't bijzonder het Indische 
Leger, dat dergelijke helden in zijne gelederen telt. 



De vuurdoop 

van den 2*" Luitenant der Infanterie Q. J. A. Webb *) 
bU Kota Pohama (Aljeh) — 1887 

Le plus beau patrimoine est nn nom réréré ! . . . 

ViCTOR HüGO. 

Op het Atjehsche oorlogsterrein, waar onze troepen nu sedert bijna 
30 jaren den strijd volhouden tegen de bewoners des lands, die, 
het moet erkend worden, met eene volharding en een moed eene 
betQi;p zaak waardig himnen grond verdedigen, is menig heet 
gevecht J geleverd, en onder die allen neemt dat op den 2^ 
October 1887, zooal niet eene eerste , dan toch zeker eene belang- 
rijke plaats in, want daarbij was het terrein zéér moeielijk voor 
onze troepen, terwijl de vijand met zóó zeldzame hardnekkigheid 
en doodsverachting stand hield, dat alleen de uitstekende leiding, 
de onverschrokkenheid onzer troepen en hun ijzeren krijgstucht 
ons eene beslissende overwinning konden doen behalen. 

Bij dat gevecht verloren wij 4 doodeh en 17 gewonden, doch 
de vijand, die altijd zooveel mogelijk zijne dooden en gewonden 
medesleept, liet 41 dooden op het slagveld achter. Latere spion- 
nenberichten meldden nog, dat de Atjehers 114 gesneuvelden 
telden. 

Talrijk zijn de daden van moed, beleid en trouw door onze 
troepen bij dat gevecht betoond , en onder die allen trekt vooral 
de aandacht de onverschrokken aanval van den 2^^ Luitenant 
Webb, omdat hij, als jong Officier voor het eerst in het vuur 
komende, eene zelfistandige opdracht zoo kranig en zoo dapper 
wist door te voeren , dat door zijne beleidvolle en dappere daad , 
zeer veel tot de nederlaag des vijands werd bijgebracht. 

Het spreekwoord, «^/ geluJt is den moedigen gunstig* ^ bleek 



^) Reeds van de hand des schryvers verschenen in de „Wereldkroniek" 



DB yüUSDOOP YAN DBN LUITBNANT DBB INFAimEBIB 27 

ook hier weer juist, want bij zijn klein troepje had hij slechts 
één gewonde, niettegenstaande het hevige vuur dat het door- 
stond en de hoogst ongunstige omstandigheden waaronder de 
aanval plaats had. 

In een verslag van het gevecht op den 2«^ October 1887 ^ 
een der dagbladen van dien tijd, wordt het door d&a. 2^ Lui- 
tenant Webb bedreven feit slechts met eenige weinige woorden 
vermeld, als het onderdeel van een groot geheel, en toch zijn 
die weinige regels ten hoogste waardeerend. Het luidt na eenige- 
mededeelingen als volgt, 

«De 2* Luitenant Webb . . . heeft zich hierbij niet onbetuigd 
«gelaten. Met zijne kleine macht attakeerde hij den vijand, die 
«zich achter den top van den Pedir-dijk en achter de afgebroken 
«brug der Aroesan Ejroeng Tjoet opgesteld had, verjoeg hem 
«daaruit, nam bezit van ^s vijands stelling, rukte weder op en 
«verjoeg hem verder in de richting van Laksamana, waardoor 
«het zuidwaarts uitwijken van den vijand geheel belet werd , zoo- 
«dat hij op zijne hoofdmacht moest terugtrekken, die door onze 
«kolonnes geheel uit elkaar was geslagen.»» 

Dat was alles ! ! . . . En toch zal men bij aandachtige nalezing 
moeten erkennen, dat de beteekenis en de inhoud grootsch is. 
en die weinige woorden eene handeling omvatten die groot gewicht 
in de schaal wierp en den jongen Officier tot held stempelden. 

In het onderstaande is getracht, het hierboven in zoo weinige 
woorden vermelde, duidelijk en meer omstandig te omschrijven. 

In de nachten van 30 September op i October en van den 
i®° op den 2®° October was het aan een duizendtal gewapende 
Atjehers gelukt, om bij kleine troepjes te gelijk, begunstigd door 
de duisternis , op verschillende plaatsen door onze posten-linie te 
sluipen, al had ook Kapitein Buys op eene enkele plaats hen 
daarin op gevoelige en bloedige wijze verhinderd. 

Zij hadden eene belangrijke macht binnen die posten-linie ver-^ 
zameld en wel op het terrein dat zich uitstrekt van Kotta Pohama 
tot aan den rechteroever der Atjeh-rivier, ten Zuiden begrensd. 



28 DB VUURDOOP YAN DBM LUITENANT DBR INFANTBBIB 

door den bijna altijd ondoorwaadbaren waterloop, de Aroesan 
EjToeng Tjoet, en ten Noorden bespoeld door de zee. 

Voor onze positie op Atjeh, de zoogenaamde geconcentreerde 
stelling, was het van het grootste belang den vijand uit dat 
terrein, dat binnen die stelling gelegen was, te verdrijven, want 
daar hij zich in die strook zoo gemakkelijk verbergen kon, zou 
hij gelegenheid hebben ons van daaruit aan te vallen en nadeel 
toe te brengen. 

Als het ware in het midden dier terreinstrook lag de hoogte 
Kota Radja Bedil, eene plek die ons reeds menigen strijd en 
menig verlies gekost had en die aan drie zijden omringd was 
door lagune-terrein. Slechts zij, die in Indiê geweest zijn, kunnen 
vermoeden wat een lagune-terrein is, en alleen zij, die in 
Atjeh een veldtocht hebben medegemaakt, weten bij ondervinding 
hoe hoogst moeielijk en vol gevaren de strijd in eene dusdanige 
streek is. 

Een lagune-terrein is in alle richtingen doorsneden door water- 
loopen die met de zee in verbinding staan, waartusschen inden 
modderachtig weeken bodem de nipapalmen en rhizophoren 
weelderig groeien, die met de daarnaast krachtig opschietende 
doomige struiken bijna overal een ondoordringbaar scherm 
vormen, waar de Atjeher zich zoo gemakkelijk onzichtbaar kan 
maken, en hinderlagen leggen aan de hem daar aanvallende 
troepen. De enkele hooge punten heeft hij dan van versterkingen 
voorzien en verdwijnt, daaruit verdreven, onmiddellijk in het 
moerassige bosch , vanwaar hij dan nog onverpoosd zijne belagers 
bestookt, want hij gevoelt zich daar veilig, omdat onze soldaten 
hem in dat dichte warnet van planten en waterloopen moeielijk, 
ja bijna onmogelijk kunnen volgen. 

Dit had het 3® Bataljon Infanterie ondervonden op den 3^° 
April van datzelfde jaar, toen het langs den Pedir-dijk, recht 
op Kotta Radja Bedil aanrukkende, in die streek talrijke ver- 
liezen leed en slechts door grooten moed, uitmuntende leiding, 
en ongeëvenaarde krachtsinspanning het voorgestelde doel kon 
bereiken. 



a. J. A. WSBB BU KOTA POHAMA — 1887 29 

De aanval op den 2^^ October zou van twee verschillende zijden 
te gelijk plaats grijpen door het 12* en 3® Bataljon Infanterie, 
versterkt door eene krachtige Artillerie en een EscadronKavallerie, 
in samenwerking met de bezettingen van eenige posten. 

Het 12® bataljon zou langs den Pedirdijk vooruitrukken, zoo- 
als in de maand April het 3® Bataljon deed, doch op zeker 
punt gekomen rechts afslaan en zoo in verbinding met het 3® 
Bataljon, dat in zijn geheel van de Oostzijde den aanval moest 
doen , op de centrale vijandelijke stelling aanrukken en den vijand 
voor zich uitdrijven naar de moerassige strook gronds, waar de 
Aroesan Ejroeng Tjoet met de Atjeh-rivier in verbinding staat. 
De Kavallerie, zou door eenige Infanterie versterkt, de vluch- 
telingen opwachten als deze over de Aroesan Ejroeng Tjoet Zuid- 
waarts wilden ontwijken , terwijl de Marine mét gewapende sloepen 
de zeezijde bewaakte en de monding der Atjeh-rivier in het oog hield. 

Ter hoogte van de verlaten kampong Kwalla gekomen, dus 
op eenige honderd meter van de Aroesan Kroeng Tjoet, de 
Zuidelijke grens van het door de vijanden bezette terrein , verliet 
de Kolonne van het 12® Bataljon Infanterie, rechtsaf slaande, den 
Pedir-dijk en liet op dat punt de 3® Kompagnie achter , om met 
de Kavallerie de keten te vormen, die de vlucht der verslagen 
vijanden over den waterloop moest voorkomen en hen zoo ge- 
heel ingesloten houden. 

Bij die Kompagnie behoorde de 2® Luitenant Webb , die door 
zijn Kommandant aangewezen werd om met zijn peloton, 30 
man sterk, eene hoogte aan den rechteroever der Atjeh-rivier 
te bezetten, op het punt waar de Aroesan Kroeng Tjoet daar- 
mede in gemeenschap staat, zoodat hij niet alleen het terrein 
aan de overzijde van dien waterloop kon overzien, maar ook 
tevens door zijn vuur de vlucht van den vijand over deJAtjeh- 
rivier kon beletten. 

Zoo scheen voor onzen jeugdigen dappere alle hoop op het 
verrichten van eenige heldendaad in rook te verdwijnen, want 
de kameraden gingen rechtsaf den vijand te gemoet en zouden 
Il 3 



\ 



30 DB TÜUBDOOP YAN DBN LÜITKNANT DBB IKFAMTBRIS 

dien aanvallen, terwijl hij links a%aande , slechts de vluchtelingen 
mocht afwachten, die zich wellicht zelfs niet eens zouden ver- 
toonen, omdat zij in het ondoordringbare struikgewas van het 
moerassige lagune-terrein aan de andere zijde van den waterloop 
zeker veiliger waren, dan op de betrekkelijk open vlakte aan 
dezen oever, die bovendien goed bewaakt werd. 

Als goed soldaat, wetende dat zijn eerste plicht was om te ge- 
hoorzamen, voldeed hij aan zijne opdracht, ofschoon niet met 
die opgewektheid die hij getoond zoude hebben, als hij met 
de kolonne mede had kunnen gaan om zich met den vijand te 
meten, want reeds lieten zich in de verte de losbrandingen van 
het geschut en de salvo's uit de geweren onzer soldaten hooren , 
vermengd met de zwaardere knallen der Atjehsche vuurwapens. 

De actie was begonnen, de strijd was ontbrand; een zachte 
wind voerde hem den bedwelmenden en opwekkenden kruitdamp 
der losbrandingen te gemoet; half onwillig keerde hij die schoten, 
die hem als muziek in de ooren klonken, den rug toe en nam 
zijne geïsoleerde positie in , alle hoop op werkdadige deelneming 
aan den strijd voor dien dag opgevende en niet vermoedende 
welke belangrijke handeling hem door het toeval beschoren was. 

Nauwelijks had hij, ter plaatse zijner bestemming aangekomen , 
de noodige beschikkingen gemaakt, een verlangenden blik wer- 
pende naar de zijde waar de makkers streden , of een Kavallerist 
bracht hem den mondelingen last om onmiddelijk met zijn troepje 
naar het uitgangspunt op den Pedir-dijk terug te keeren. 

Met meer ijver dan hij bij het heengaan betoond had, keerde 
hij terug, want het vuur was heviger geworden; de vijand was 
aan twee zijden als door een kring van vuur omgeven, waaruit 
aanhoudend knallen, geknetter, gejuich en woedende kreten op- 
stegen; hij ging nu ten minste den kant weder uit waar de strijd 
hevig woedde; daar waar hij langs trok, stond overal Kavallerie 
geposteerd, zoodat hij vermoedde dat die bewaking voldoende 
werd geacht, en hem wellicht eene meer actieve handeling zou 
worden opgedragen. 

Ter plaatse op den Pedir-dijk teruggekeerd, vond hij daar 



Q. J. A. WBBB BU KOTA POHAMA — 1887 31 

alleen den Kommandant van het Eskadron Kavallerie met een 
tiental Huzaren, daar ook de andere helft zijner Kompagniehet 
Bataljon gevolgd was. 

De Eskadrons-kommandant deelde nu aan Luitenant Webb de 
order mede, dat hij met zijn peloton langs den Pedir-dijk voor- 
waarts moest rukken in de richting van Kotta Radja Bedil, om 
zoo op actieve wijze de vlucht der vijanden naar het Zuiden te 
beletten. 

Aan hem met zijn troepje werd dus geheel alleen eene taak 
opgedragen, bijna overeenkomende met die, welke het 3® Bataljon 
in April zooveel verliezen had gekost ! . . . en hij had slechts 30 
geweerdragenden onder zijne bevelen, waaronder zich nog 18 
Inlandsche soldaten bevonden, die voor 't eerst te Atjeh waren 
en evenals hij heden den vuurdoop zouden ontvangen. 

Een oogenblik maakte zich eenige bezorgdheid van hem 
meester! Hem, jong en onervaren Officier, werd eene zoo be- 
langrijke taak opgedragen met een handjevol soldaten ! . . . Hij 
moest handelen naar eigen inzicht en oordeel, hij die gemeend 
had, dat hij door anderen zou geleid worden!... Hij moest 
zijn troepje den vijand tegemoet voeren, ter overwinning of ter 
dood ! . . . 

Dit oogenblik van nadenken was echter zeer kort, want hoe 
moeielijker de opdracht, hoe schooner het zou zijn als hij haar 
volbracht, en volbrengen wilde hij haar, zij het ook ten koste 
van alles. Hij begreep echter dat hij zich moest haasten, als hij 
nog zijn deel wilde hebben aan den roem van dien dag, daar 
hij uit de richting der schoten kon opmaken, dat, hoe hardnekkig 
de vijand zich ook verdedigde, onze troepen vorderden en reeds 
belangrijke voordeelen hadden behaald. 

Eenige minuten dacht hij na over de maatregelen die hij als 
goed aanvoerder nemen moest om zijn doel te bereiken, zonder 
daarbij het leven der aan zijne zorg toevertrouwde soldaten al 
te roekeloos bloot te stellen, terwijl eenige Kavalleristen vooruit 
gegaan waren, om het voorliggende lagune-terrein eenigszins 
nader te verkennen. 



32 DB YÜÜBDOOP YAN DEN LÜITSNANT DBR INFANTKRIB 

Weldra knalden ook aan deze zijde eenige schoten en keerden 
de vooruitgezonden Eavalleristen in vollen ren terug, met de mede- 
deeling dat de vijand het geheele voorliggende terrein en eene 
sterkte bezet had, van waar op den verkennenden Eavallerie-troep 
schoten waren gelost; ter aanvulling voegde de patrouille-aan^ 
voerder er bij, ^dat het daar wemelde van A^ehersh 

Webb gaf zijne orders met kalme, duidelijke stem en weldra 
klonk zijn krachtig uitgesproken, <tvoorwaarts h 

Hij ging dus nu een werkelijken vijand te gemoet ! . . . De dans 
zou beginnen en hij , Webb , was daar de aanvoerder ! . . . Zijne 
borst zwol van trots, zijn hart klopte sneller!... 

Zijn sabel vaster in de vuist klenmiende, met het vaste voor- 
nemen zelfe het onmogelijke te beproeven, ging hij zelf zijn 
troepje voor. 

Op het punt gekomen, waar de Kavallerie-patrouille beschoten was 
geworden, zag hij, wijl het uitzicht eenigszins vrij was, in de 
verte achter de brug over de Aroesan Ejroeng Tjoet eene ver- 
sterking, van waar hem terstond, evenals van de op een paar 
honderd passen van hem liggende brug, een groot aantal schoten 
werden toegezonden. Hij zag de nieuwelingen bukken, als brachten 
zij de hen om de ooren fluitende kogels hunnen eerbiedigen 
groet , doch hij zelf, te veel bezig met alles wat zijne aandacht moest 
trekken, bleef met opgerichten hoofde staan en den vijand waarne- 
men, zelf wel eenigszins verwonderd, dat hij bij het begin van den 
vuurdoop dezen zoo kalm en zonder eenige huivering ontving. 

Ten einde zijne jonge soldaten , waarvan reeds dadelijk één ge- 
wond werd , eenigszins aan het vuur des vijands te gewennen, liet 
hij dat vuur een oogenblik door eenige salvo's beantwoorden , die 
hoofdzakelijk op de brug gericht waren, om zich zoo voor den 
overtocht der Aroesan Kroeng Tjoet ruim baan te maken. 

Weldra klonk weder, na een bemoedigend woord tot zijne 
soldaten, zijn beslist uitgesproken ^voorwaarts* ^ een kommando, 
dat als bij eene exercitie gevolgd werd, want zijne kalme en vast- 
beraden houding en zijne van moed en geestdrift schitterende 
oogen hadden den soldaten vertrouwen ingeboezemd; zij zagen 



G. J. A. WBBB BIJ KOTA POHAUA — 1887 dS 

zijn jeugdig baardeloos gezicht niet meer; zij zagen slechts een 
degelijk aanvoerder, die zich op het jiuste oogenblik spontaan 
had kenbaar gemaakt als den man die hen ter overwinning zou 
leiden, wiens krachtige bevelen zij slechts hadden te volgen en 
die desnoods ook zonder hen den vijand te gemoet zoude gaan. 

Voorwaarts ging het in den stormpas op de brug af onder hevig 
vijandelijk vuur uit de daarchter gelegen versterking, waar de 
vijand in grooten getale op de borstwering uitdagend stond te 
schreeuwen en te gillen. 

Bij de brug gekomen, bleek de vijand van daar te zijn terug- 
getrokken, doch eene verrassing wachtte hem. 

De brug was a%ebroken ! . . . en de waterloop ondoorwaad» 
baar!.... 

De vijand had de dekplanken gebruikt om zijne versterking, 
die daarachter lag, meer vastheid te geven en alleen de balken 
waren blijven liggen, doch deze zaten vol met scherpe spijkers, 
daar de planken in der haast afgerukt waren. 

Wel was op die wijze onder het hevige vuur des vijands de 
overtocht voor dat kleine troepje moeielijk, ja bijna onmogelijk, 
doch onze Webb kende geene moeielijkheid en geen gevaar en 
zijne troep volgde hem gewillig en vol geestdrift. 

Hij moest en zou de brug over , en hij was de eerste op den 
smallen balk, als een acrobaat naar de overzijde balanceerende 
en trots 's vijands hevig vuur en uitdagend geschreeuw gevolgd 
door de zijnen, waarvan velen hunne bToote voeten aan de uit- 
stekende spijkers bezeerden, doch zoo aanstekelijk was zijn élan, 
dat niemand weifelde, ofschoon de kogels hen om de ooren suis- 
den en aan alle zijden in den grond of in het water neersloegen. 

Toen Webb te midden boven den waterloop was trof hem iets, 
dat zelfe den meest ervaren en dapperen aanvoerder wellicht 
den moed zou hebben doen verliezen. 

Vóór zich zag hij , dwars over den weg dien hij volgen moest 
om 's vijands stelling te bestormen, vier achtereenvolgende uit 
ineengevlochten bamboestokken vervaardigde verhakkingen, wier 
uiteinden zich in het ondoordringbare struikgewas en in het 



34 yüUSDOOP TAN DEN LÜITEMAMT DBB IMFAMTBRII 

moeras verloren, zoodat omtrekken onmogelijk was en zij dus 
onder het werkzame vijandelijke vuur met groot gevaar opge- 
ruimd en gepasseerd moesten worden. 

Webb weifelde geen oogenblik. Het hevige wlj/i en het geweld 
van den zoo vreeselijk en hardnekkig woedenden strijd maakten 
zijne woorden onverstaanbaar, doch zijn voorbeeld werkte electri- 
seerend. De order was hem gegeven «voorwaarts» te gaan, en 
«voorwaarts» ging hij, want ginds bevond zich de vijand, die, 
op de borstwering staande, met de wapens zwaaide en hem tot 
den strijd uitdaagde. 

Welke brave Hollandsche jongen had die verleiding kunnen 
weerstaan ? . . . . 

Niets zal hem stuiten!... 

Met een juichkreet, die boven alles weerklonk, is hij reeds 
bij de eerste versperring!... Een paar sabelhouwem gaven hem 
eene kleine ruimte waar hij zich door kon wringen , en onder een 
luid hoera! stormt hij op de tweede af, gewillig en vol ijver ge- 
volgd door de zijnen, waarvan enkelen het korte oogenblik van 
wachten gebruikten om den vijand eenige schoten toe te zenden. 

Man voor man wringen zij zich door de openingen die hun 
Luitenant voor hen maakte, en zoo werden één voor één de 
achtereenvolgende hinderpalen zonder eenig weifelen genomen, 
zoodat zij weldra aan den voet stonden van de versterking, die 
stormenderhand genomen moest worden. 

Webb stormt naar boven en ontwaart nog slechts een troep 
vluchtende vijanden , die in het struikgewas van het moeras ver- 
dwijnen. Zij hadden het handgemeen niet afgewacht , doch waren 
bijtijds gevlucht voor den overschrokken voortgaanden Officier en 
zijn kleinen troep, die, trots vuur en hindernissen, als baarlijke 
duivels vooruit stormden. 

Slechts eenige bloedsporen in de versterking bewezen, dat, 
hoe weinig schoten ook door den kleinen troep waren afgegeven , 
toch enkele den vijand verliezen hadden berokkend , die in over- 
haasting gevlucht, eenige wapens, patronen, kruid, kogels en 
mondvoorraad had achtergelaten. 



G. J. A. WBBB BIJ KOTA POHAHA — 1887 35 

Hij had zijn doel bereikt! . . . Hij was meester van de stelling! . . . 
In weinig tijds was het bijna onmogelijke volbracht! ... £n in 
den roes der overwinning klonk, hoe vermoeid en verhit zij ook 
waren door de reusachtige krachtsinspanning, een opgew^t en 
krachtig hoera! uit aller keel, dat zich echter verloor in. het luid 
gedonder, geknetter, geschreeuw en gegil van den strijd in hunne 
nabijheid. 

De Indische krijgsgeschiedenis had weer een nieuw heldenfeit 
te boekstaven, bij de vele die reeds opgeteekend waren! 

Het feit was zoo verrassend , dat plotseling de eigen Artillerie een 
granaat naar de door Webb veroverde versterking wierp, niet kun- 
nende vermoeden, dat dit pimt reeds door de onzen bezet was. 

De oogen der aanvallende kolonnes waren daardoor naar dit 
kleine troepje dapperen gericht, zoo dat Webb, zich door teekens 
bekend kon maken als eigen troepen, waardoor groot gevaar 
voor hem en de zijnen voorkomen werd; de Opperbevelhebber 
zond dan ook terstond een Huzaar, niet alleen om nadere be- 
richten te vragen, maar ook moest hij informeeren naar den 
naam van den Officier en het nummer der afdeeling. 

Met hoeveel trotschheid antwoordde Webb: «2® Peloton, j« 
Kotnpagnie, 12^ Bataljon Infanterie, tweede Luitenant Wehhh 

Hoe zwol zijne borst van trotsch gevoel , nu hij door zijn moed , 
zijn beleid en zijne volharding een belangrijk aandeel had aan 
de overwinning van dien dag, want het doel, om den vijand de 
vlucht naar het Zuiden te beletten, was volkomen bereikt, dank zij 
zijn initiatief en energie; door zijn kloeken aanval zag de Atjeher 
zich op de flank bedreigd, wat veel bijbracht tot ontruimen der 
hoofdstelling, die de vijand zoo hardnekkig verdedigd had en die 
Webb door zijne kranige daad tot op korten afstand genaderd was. 

En toen eindelijk na afloop van den strijd, de Adjudant van 
den Bevelhebber uit diens naam den jeugdigen aanvoerder geluk 
kwam wenschen met zijn behaald succes, toen voelde hij zich 
overgelukkig en zalig, want nu kon de koninklijke belooning, 
het ridderkruis der Militaire Willemsorde, zijn hoogsten wensch, 
hem niet ontgaan. 



36 DB VUURDOOP VAN DEN LUITENANT G. A. J. WEBB 

Hij had den vuurdoop doorstaan op eene wijze, waarop de 
meest ervaren krijger trotsch geweest zou zijn. 

Alle kameraden wenschten hem geluk, hij werd gevierd en 
geëerd en zijn vriendelijk innemend gelaat straalde van innerlijke 
vreugde en mannelijken trots, toen zooveel hartelijkheid zijn deel 
was en niemand hem die verwachte Koninklijke belooning misgunde. 

Helaas ! . . . de uitkomst was anders ! 

Wel kreeg hij eene Koninklijke belooning, doch slechts het 
«Gouden Elroontje voor Eervolle vermelding» en het Kruis der 
Willemsorde bleef voor hem een wensch. 

De teleurstelling was groot voor den moedigen Webb, doch 

zonder ontevredenheid te laten blijken, antwoordde hij op de 

leedbetuigingen zijner makkers, <(9, '/ is niets/,,. Ik ben nog 

jong genoeg / , ., Ik zal 't Knds wel hijgen / . . . Dit Kroontje heb ik 

al vast zeker! , . . 

Helaas ! . . . . De omstandigheden maken bij het afdrukken van 
dit geschrift eene treurige toevoeging noodig. 

Wel ontving de brave , onverschrokken Webb als Kapitein voor 
zijne vele moedige daden bij Koninklijk besluit dd. 23 October 
1901 N® 59 het zoo lang begeerde Kruis der Militaire Willems- 
orde, doch reeds drie maanden later, 24 Januari 1902, bracht 
de telegraaf het verpletterende bericht, dat de dappere Webb 
gevallen was op het veld van eer aan het Hoofd zijner Afdeeling 
van het zoo kranige korps Marechaussees. 

Zoo verliest het Vaderland voortdurend zijne dapperste zonen 
en worden de rijen onzer braven steeds gedund. 

De dappere, algemeen beminde en geëerde Webb stierf den 
heldendood op het slagveld; zijne nagedachtenis zal bij allen in 
hooge £er blijven en aan zijne kinderen laat hij een roemrijken 
en geëerden naam na. 

Hij ruste in vrede gedekt door den welverdienden Lauwerkrans , 
het erfdeel der dapperen. 



Eene geslaagde overvalling by Malaboeh 

(Aijeh) — 1894. 

Toen stoven z\j de ryen door 
Om aandeel in 't gevaar, 
En drongen zich elkander voor 
En pakten op elkaar. 

H. Tollens , Het Turfschip van Breda. 

Het overvallen en bij verrassing nemen eener vijandelijke sterkte 
is zeker een der moeilijkste oorlogshandelingen, omdat daarbij 
niet alleen veel beleid, maar tevens eene ontzettende stoutmoe- 
digheid, groote onversaagdheid en dol koenen moed, benevens 
eene volmaakte discipline van den troep noodig is, want de 
minste onvoorzichtigheid, de geringste weifeling, het kleinste ge- 
rucht kan de vreeselijkste gevolgen na zich slepen en alles, Hoe 
goed voorbereid ook, doen falen. 

Alles komt daarbij aan op het élan en de stootkracht der 
Infanterie, en wel hoofdzakelijk met de bajonet, want om vuur 
te geven is in zoo'n geval dikwerf geen tijd en andere wapens 
kunnen daarbij niet optreden, uitgezonderd de Sappeurs. 

Verrassingen gelukken te Atjeh zelden volkomen en zijn altijd 
uiterst bloedig, omdat in den regel 's vijands sterkten door een 
breeden gordel van opeengestapelde of tot heggen ineengewerkte 
bamboe-doerie zijn omgeven en de opruiming dier hindernissen 
altijd min of meer de aandacht van den minder waakzamen 
vijand trekt, die dan, hoewel onder den indruk van het ver- 
rassende onzer onderneming, toch zijne sterkte met den moed 
en de kracht der wanhoop verdedigt. 

Kunnen nu onze troepen de vijandelijke benting binnen dringen 
en de verdedigers met de bajonet te lijf gaan, dan is bijna altijd 
diens nederlaag daarvan het gevolg en zoeken de overblijvenden 
zoo mogelijk ^en ^oed heenkon^en , want boewei zij in moed en 



38 BRNB GBSLAAQDE OVBRVALUNG BIJ MALABOBH — 1894 

doodsverachting voor onze dapperen niet onderdoen, zoo is toch 
hun moreel veel eerder geschokt en heerscht bij hen niet die 
discipline en kameraadschappelijke trouw, die onze grootste kracht 
uitmaakt en waardoor het Indische Leger zoo geducht is. 

Naast de zoo volkomen gelukte overvalling van de vijandelijke 
sterkte te Anagaloëng op den 30^ Mei 1896 door de kranige 
Marechaussees, welke daad een onvergelijkelijk heldenfeit kan 
genoemd worden*), staat als schitterend voorbeeld van eene 
geslaagde verrassing, de verovering der Atjehsche versterking 
Sjech Daoed bij Malaboeh, Westkust van Atjeh, op den 3«» 
Maart 1894. 

Het aanvoerend Hoofd onzer tegenstanders in die streken, 
Tengkoe Batoe Tonggal , had eene uitgebreide reeks van min of 
meer sterke bentings doen opwerpen, waardoor hij de gemeen- 
schap van de reede en het strand van Malaboeh met het bin- 
nenland volkomen in zijne macht had en alle uit- en invoer kon 
beletten, zoodat de handel in die streken kwijnde. 

£en ander zeer invloedrijk Hoofd, Tengkoe Hadji Bin Saleh, 
en eenige andere Hoofden van minderen rang die zich aan ons 
gezag hadden onderworpen, doch wien de macht van Batoe 
Tonggal schade toebracht en daarom een doom in 't oog was , 
boden zich aan met hunne benden, mits ondersteund dooreene 
demonstratie van de bezetting onzer sterkte en van het ter reede 
vertoevende oorlogsschip , den gehaten en gevreesden tegenstander 
uit zijne sterke positie te verdrijven. 

In de maand Februari 1894 begon die strijd en op het einde 
dier maand hadden de bevriende Atjehers zich door kracht van 
wapenen van alle strand-bentings meester gemaakt. 

Nu kwamen echter de sterkere en beter bezette meer landwaarts 
gelegen vijandelijke versterkingen aan de beurt, doch Tengkoe 
Hadji Bin Saleh werd bij zijn aanval op de voornaamste dier 
sterkten, naar den hoofdaanvoerder der bezetting Sjech Daoed 
genaamd, drie maal teruggeslagen, vooral door de dapperheid 

^) Zie Hoofdstuk „„Luitenant H. M. Vis en het korps Marechaussees, 1896."" 



BBME GBSLAAGDB OVEBVALLIMe BIJ MALA.BOBH — 1894 39 

van Sjech Daoed en de eveneens onkwetsbaar geachten Iman 
van Malaboeh met zijne twee broeders, die met hunne talrijke 
volgelingen dat punt hardnekkig verdedigden. 

Daar nu de vijand na die achtereenvolgende nederlagen van 
den aanvaller zelfs offensief begon op te treden, waardoor de met 
ons bevrienden den moed geheel lieten zakken, bestond er kans 
dat de reeds behaalde voordeden weder verloren zouden gaan; 
wijl nu Tengkoe Hadji Bin Saleh verzekerde, dat als de sterkte 
Sjech Daoed in zijne handen was, de verdere verovering van 
'svijands stelling hem gemakkelijk zoude vallen, zoo besloot de 
Kommandant onzer nederzetting te Malaboeh , de Kapitein H. P. 
KruU, na rijp beraad met het Civiel bestuur, de ons toegedane 
Hoofden daarbij een handje te helpen en die vijandelijke sterkte 
voor hen te veroveren, overtuigd als hij was, dat de roem en 
den indruk van ons succes des te grooter zou zijn, nu de Atjeher 
zelf herhaaldelijk verslagen, geen kans zag de zaak tot een af- 
doend einde te brengen. 

De Kapitein KruU, die als Luitenant den post te Malaboeh 
geruimen tijd gekommandeerd had en dus den toestand goed 
kende, was eerst onlangs tot dien rang bevorderd, waarom hij 
dan ook vervangen zou worden door den Luitenant F. Schütt, 
die daartoe bereids ter plaatse was aangekomen , doch het kom- 
mando nog niet had overgenomen. 

Des Kapiteins wel doordacht en goed overwogen besluit was 
wel een bewijs van zijne groote voortvarendheid en energie ^ 
want de taak die hij op zich nam was niet licht te achten , terwijl 
de bezetting voor die onderneming slechts hoogstens een 70tal 
bajonetten kon afzonderen. Bij dringende noodzakelijkheid zou 
echter de landings-divisie van H. M" Madura krachtdadige hulp 
kimnen verleenen. 

Teekende dat besluit Krull's voortvarendheid en energie, de 
uitvoering van die moeielijke taak bewees dat zijn beleid en 
moed boven allen lof verheven waren. Deze kranige degelijke 
Officier ging echter jammer genoeg kort daarna voor het Indische 
Leger verloren, daar hij door de bij dit gevecht bekomen 



40 £BNB OESLAAGDE OTERYALLINO BIJ MALABOBH — 1894 

zware verwondingen ongeschikt was om het Vaderland langer 
met zijn dapperen degen te dienen. 

In verband met de geringe sterkte der aanvalskolonne en de 
omstandigheid dat het geheel bedekte en met zware boomen 
begroeide terrein geen gelegenheid aanbood om van de Artillerie 
gebruik te maken en dus de Infanterie die taak alleen moest 
volbrengen, besloot de Kapitein Krull eene nachtelijke overrom- 
peling te beproeven, daar die de meeste kans van slagen aanbood, 
want waren zijne mannekes maar eerst op de borstwering, dan zou 
de bajonet de verdedigers wel spoedig tot ontruiming noodzaken. 

In den vroegen morgen van den 3®° Maart 1894 stond dat 
dappere handjevol soldaten voor den gevaarlijken tocht gereed, 
ter sterkte van drie Officieren en 68 geweerdragenden. 

De beide afdeelingen die bestemd waren om op twee verschil- 
lende punten van de Westerface der vijandelijke sterkte tegelijk 
den aanval te doen , waren ieder 25 bajonetten sterk en stonden 
onder de bevelen van de Luitenants F. Schütt en J. WiUems, 
terwijl de Europeesche sergeant Feber met 18 bajonetten in reserve 
zoude blijven en de Kapitein Krull de geheele leiding op zich nam. 

De Officier van gezondheid 2® klasse G. P. Swerver zou de 
kolonne volgen met 4 tandoe's, gedragen door acht dwangarbei- 
ders, welke Ambulance, wegens gebrek aan Infanterie, gedekt 
zou worden door een korporaal der Artillerie met 4 kanonniers, 
die tevens de reserve-munitie , pekkransen, petroleum en derge- 
lijke moesten medevoeren. 

Om 4^ uur, toen het nog volslagen duister was, werd in alle 
stilte afgemarcheerd, zonder dat zelfs de bevriende Atjehers met 
den tocht in kennis waren gesteld , omdat de Kapitein met recht 
beducht was, dat de vijand dan wellicht op de eene of andere 
wijze gewaarschuwd zoude worden, wat de geheele onderneming 
zou doen mislukken, omdat voor een openlijken aanval op de ge- 
duchte, goed verdedigde sterkte de beschikbare macht te gering was. 

Na een half uur in bijna tastbare duisternis het voetpad gevolgd 



BBME GESLAAGD! OYXBVALUNG BU MALAB016H — 1894 41 

te hebben dat naar de sterkte Sjech Daoed leidde, werd plot- 
seling uit die benting een schot gehoord , toen de kolonne nog 
ongeveer 500 pas daarvan verwijderd was. 

Als één man stond de geheele troep stil en aller harten klopten 
vol verwachting , vreezende dat de tocht niettegenstaande de ge- 
heimhouding verraden was en dus opgegeven zou moeten worden. 

Na een oogenblik wachtens in angstige spanning bleek het dat 
er geen verdere schoten volgden, en dat het gehoorde vermoedelijk 
slechts een wachtschot was geweest, zooals er daar bij onze 
t^enstanders meer van tijd tot tijd werden afgegeven. 

Behoedzaam, met de meeste voorzichtigheid en in de grootste 
stilte werd nu de tocht voortgezet en onze braven spanden 
zich in om elk geluid te smoren en het gewone geklikklak der 
wapens te beletten, zoodat de beide aanvalskolonnes , zonder 
ontdekt te zijn , bij het aanbreken van den dageraad voor de on- 
vermijdelijke bamboe-doerie aan den voet der borstwering stonden. 

Tot nu toe was de verrassing volkomen gelukt, maar niet 
zoodra was de troep begonnen om eene opening in de drie 
meter hooge hindernis te kappen of de verdedigers liepen te 
wapen en begonnen terstond op den troep een verschrikkelijk 
vuur te openen, dat, hoewel het tengevolge van den schrik met 
overhaasting werd afgegeven , ons toch eenige verliezen berokkende. 

Met woesten ijver vielen de kapmessen der aanvallers in de 
hindernis die hen van den wal der sterkte scheidde. 

Luitenant Willems klom ongeduldig tegen de als eene heg ge- 
vlochten bamboe afsluiting op, doch viel ruggelings naar be- 
neden; nu plaatste hij zich t^en die versperring en gelastte een 
der soldaten hem met alle macht in den rug te duwen, zoodat 
hij door beider vereende krachten wel niet door de afsluiting 
heendrong, doch die omver wierp, tengevolge waarvan beiden 
eensklaps op de borstwering vielen, en de daardoor een oogenblik 
verschrikte verdedigers deed terugdeinzen. 

Ook de Luitenant Schütt was door de versperring heengedrongen, 
en nu vielen de beide Luitenants met de hen onstuimig volgende 
soldaten, op de als razenden vurende verdedigers aan. 



42 EKNB OBS^AGDS OYKRVALLINO BU MALABOBH — 1894 

Luitenant Schütt werd onmiddelijk in de zijde gewond en viel 
in eene, lich binnen de vijandelijke benting bevindende loop- 
graaf, waarop hij door een Atjeher werd aangegrepen, die echter 
onmiddelijk door den Europeeschen sergeant W. J. L. Warkentin, 
die zijn Luitenant op den voet volgde, met de bajonet werd afgemaakt. 

Hoewel de Luitenant Schütt daarbij nog een rentjongwond aan 
het voorhoofd en een steek in het rechterbeen ontving, sprong 
hij dadeUjk op en staakte geen oogenblik den aanval. 

Luitenant Willems was dadelijk handgemeen met twee Atjehers , 
waarop de Europeesche kanonnier R. van den Berg, die zich 
van het geweer van een gevallen Inlanterist had meester gemaakt, 
hem ter hulp snelde en den voorsten, een met een klewangge* 
wapenden Atjeher, met de bajonet neerl^de, waarop de tweede 
overhaast zijn geweer afschoot en wegliep. 

De Kapitein Krull was onmiddelijk door de door Luitenant 
Willems gemaakte opening de sterkte binnen gerukt, doch was 
terstond genoodzaakt de aanval van verschillende Atjehers met 
zijn revolver af te weren, waarbij hij een klewanghouw over den 
voet en een over de borst kreeg, welke laatste gelukkig op het 
horloge a&tuitte, terwijl hij bovendien nog een steek langs de 
rechterborst en den rechter schouder ontving. 

Ook hij dacht er geen oogenblik aan daarom persoonlijk den 
strijd te staken, maar snelde vooruit om de zijnen die in een 
hevig gevecht gewikkeld waren bij te staan en de leiding geen 
oogenblik te verzuimen. 

De Europeesche kanonnier Cannegieter, die even als zijn 
kameraad van den Berg eigendunkelijk zijn post bij de ambu- 
lance had verlaten ^tomdat zij zoo graag medevochten en een handje 
wilden helpemi^ , had geen geweer gevonden , maar ging eenvoudig 
met zijne beide handen een gewapenden Atjeher te lijf en worgde 
hem, doch ontving daarbij 7 belangrijke wonden. 

Aan deze beide kanonniers werd, wegens hun moedig gedrag , 
hun plichtverzuim vergeven. 

Velen onderscheidden zich door buitengewonen moed en vol- 
harding. Zoo o. a. de Inlandsche fuselier Alie die een klewang- 



EBNB GBSLAAGDB OVBBYALLnie BU MALABOEH — 1894 4S 

houw over 't hoofd had, zooals later bleek van 9 cM. lang» 
zoodat hem het bloed langs de wangen gudste, en toch wilde hij 
zich niet verwijderen, ^omdat ky nog best kon meevechten en dt 
troep toch al zwak genoeg was* zooals hij beweerde. Hij streed 
mede tot het laatste oogenblik. 

Weldra was ^s vijands geduchte sterkte Sjech Daoed in ons 
bezit en de bezetting afgemaakt of verdreven. 

De teruggetrokken verdedigers bleven echter uit het dichte 
struikgewas dat de benting omringde de veroveraars bestoken, 
in vereeniging met de bezetting van een versterkt huis die het 
de onzen met haar geweervuur erg lastig maakte. 

Daar tegen kwam nu de troep van Luitenant Schütt in stelling 
om 's vijands vuur tot zwijgen te brengen , waarbij deze dappere 
Luitenant andermaal gekwetst werd. Daar nu diens rechterarm 
zwaar gewond was , gelastte de Kapitein Krull hem om zich naar 
de ambulance te begeven, waaraan de kranige Officier voldeed, 
ofchoon hij liever gebleven was. 

Een oogenblik later werd de arm van den Kapitein door een 
vijandelijken kogel verbrijzeld. Na zich even te hebben laten ver-^ 
binden behield hij nog tot 9 uur het kommando, toen hij door 
het hevige bloedverlies uit de talrijke wonden zoodanig verzwakt 
was, dat hij zich achteruit moest begeven om te rusten. 

De 2® Luitenant Willems kreeg nu het bevel over de geheele 
kolonne in handen en bracht het gevecht tot een goed einde. 

Tot driemaal toe deed de Ëuropeesche fuselier Baade eene 
poging, om trots ^s vijands hevig vuur het versterkte huis te be- 
kruipen en dit middels pekkransen in brand te steken, omdat 
de stelling in Sjech Daoed onhoudbaar was, zoolang dit huis 
door de Atjehers bezet werd gehouden en men zich dus nog 
niet geheel meester der posite kon achten. 

Die pogingen mislukten, omdat de pekkransen niet doorbranden %, 
bij den laatsten tocht werd Baade gewond. 

Om 9juur deed de vijand luid gillende een verwoeden klewang- 
aanval om de hem ontnomen sterkte te heroveren, doch de 
onzen hielden onder Luitenant Willems moedig stand en sloegen. 



44 KEN eSSLAAODB OVSBVALLINO BU MALABOBH — 1894 

den aanval , middels een paar goed gemikte salvo's af. Die aanval 
was echter zoo krachtig doorgezet, dat een paar Atjehers reeds 
zoo ver waren doorgedrongen , dat zij vlak voor den troep doodelijk 
getroffen op de borstwering bleven liggen. 

Eindelijk gelukte het den sergeant Warkentin het huis met een 
brandenden pekkrans te bekruipen en die op het licht brandbare 
atappen dak te slingeren, zoodat de vijand nu die stelling ver- 
laten moest en tegelijk uit den omtrek verdween. 

Eerst toen de troep zich geheel en al meester der versterking 
kon achten en de taak dus als afgeloopen kon worden beschouwd, 
werd 'svijands veroverde positie aan de bevriende Atjehers 
overgegeven, die vol bewondering waren over den grooten moed 
en de ware doodsverachting onzer braven. 

Wij verloren dien dag van een troep ter sterkte van 3 Offi- 
cieren en 70 man, die metterdaad aan den geduchten strijd 
hadden deel genomen, drie minderen gesneuveld , twee Officieren 
zwaar gewond en 22 onderofficieren en minderen min of meer 
ernstig gekwetst , van welke laatste nog twee dienzelfden dag over- 
leden , dus ongeveer 66 pCt der Officieren en 36 pCt der minderen. 

De vijand liet 28 dooden in de veroverde sterkte achter en 
sleepte nog vele dooden en gewonden mede, welk laatste getal 
volgens ingekomen berichten zeer aanzienlijk was. 

Onze tegenstanders hadden weder een gevoelige les gehad en 
de bevrienden hadden gezien dat met onze dapperen niet te 
spotten viel, terwijl de Indische krijgsgeschiedenis weder eene 
schoone heerlijke bladzijde rijker was geworden door die met 
beleid bedachte, door zoo'n kleine macht kranig uitgevoerde en 
met grooten moed voltooide verrassing eener sterke , goed bezette 
en moedig verdedigde stelling. 

De drie Officieren, de Europeesche sergeant Warkentin en de 
Europeesche kanonnier van den Berg werden voor hun heldhaftig 
gedrag gedecoreerd met de Militaire Willemsorde, terwijl ver- 
schillende Inlandsche militairen de Medaille voor moed en trouw 
mochten erlangen. 

En die belooningen waren zeker schitterend verdiend. 



Door den vjjand heen geslagen*) 

De Luitenant der Infanterie H. J. de Jong op Lombok 

1894 

Mes pareus k deux fois ne se font point oonnaitre 

Et poor leors coups d'essai , reulent des coaps de mutre ! 

COIINBILLB, LB CiD 

Lombok! ! 

Een woord , welks klank moeders van ontzetting deed rillen en 
met angstig zoekende oogen de telegraphische berichten deed door- 
loopen, vreezende een geliefden naam onder de slachtoffers te 
zullen vinden. 

Een woord, dat vele harten zoo in Nederland als in Indië 
van verschillende gewaarwordingen heeft doen trillen. 

Afgrijzen over het schandelijk lafhartig verraadden vaderlands- 
lievende bezieling om die euveldaad streng te straffen en bloedig 
te wreken; medelijden met de slachtoffers bij die wreede onmen- 
schelijke slachting gevallen; medegevoel met de arme treurende 
weduwen en weezen, die echtgenoot en vader onder de dooden 
en verminkten telden en met de ouders die een zoon verloren 
of met wonden bedekt aan het ziekbed gekluisterd wisten, een 
zoon die hen zoo na aan het harte lag en dien zij zoo vol 
hoop, jeugd en levensmoed naar zijne bestemming zagen ver- 
trekken; verwachting wat de toekomst brengen zoude over die 
dappere schare en eindeüjk het verheffende, het hoogzalige van 
den kreet, € Victorie h die als bezielende mare weerklonk, toen 
onze dapperen op het met het bloed hunner makkers en vrienden 
gedrenkte slagveld den geleden smaad zoo schitterend en volledig 
hadden uitgewischt. 

Maar met, ja boven dat alles klopt elk Nederlandsch hart vol 



*) Reeds in Eigen Haard verschenen van de hand des schrijvers onder 
den titel, „Een jeugdig Held". 

U 4 



46 DOOR DEN yUAND HEBM GESLAGEN 

bewondering voor de helden, die daar ginds in het verre oosten 
Neêrlands roemrijken naam en oud-Hollands Oranjevaan hoog 
houden; die d&4r, trots verraad en doodsgevaar, trots afmatting 
en ontbering, volhardend, onverschrokken en moedig strijden in 
den dichtsten kogehegen, die eigen smart en eigen bloedende 
wonden vergeten om hunne gevallen makkers te helpen, die 
zelifs verslagen den vijand nog ontzag en eerbied afdwingen, de 
bewondering opwekken van vreemde natiën en zich glimlachend 
een onverwelkbren lauwer om de slapen vlechten. 

Braaf leger van helden!! 

In dien uithoek onzer koloniën zijn en worden daden verricht, 
die zelfs een Bayard , de chevalier sans peur et sans reproche , 2nch 
tot roem en eer gerekend zoude hebben; doch helaas niet alle 
grootsche daden worden den landgenooten bekend, want naast 
onwankelbaren moed en onwrikbare trouw bezitten die Hol- 
landsche helden de grootsche bescheidenheid, die hen noopt 
eigen roemrijke daden te verzwijgen, die zij zelf als iets heel 
gewoons beschouwen. 

Dank zij echter de mededeelingen van derden, komen lang- 
zamerhand de daar verrichte heldenfeiten aan het licht en dien^i 
openlijk vermeld te worden, opdat de natie hare helden bij 
name kan noemen en doen neerschrijven in het Gulden Boek 
der historie, dat hunne daden voor het nageslacht zal bewaren, 
ter opwekking en navolging. 

Onder die allen is de tocht van een jong Officier, den 
Luitenant H. J. de Jong, een voorbeeld van kalmen moed en 
doodsverachting, van onverschrokken en onvermoeide volharding, 
van trouwe kameraadschap , in één woord een glansrijk getuigenis 
van moed, beleid en trouw. 

De kolonne van den helaas zoo vroeg gevallen, algemeen be- 
minden Luitenant Kolonel P. van Lawick van Pabst, was den 27®*» 
Augustus des smorgens ten 6 ure van Batoe Klian opgebroken, nadat 
de Kommandant, tengevolge van een van den Opperbevelhebber 
bekomen order, zijne op eenigen afstand gelegen detachementen 



DB LÜIT. DBB IMF. H. J. DE JONG OP LOMBOK — 1894 47 

verzameld had, zoodat deze, toen de terugtocht naar Tjakra Ne- 
gara aanving, reeds geruimen tijd in beweging waren en niet vol- 
doende konden rusten, omdat de tijd daartoe ten eenenmale ontbrak. 

Van het vreeselijk onheil, dat hunne te Tjakra Negara en te 
Mataram gelegerde krijgsmakkers getroffen had, was him niets 
bekend; vandaar dat zij, ofschoon eenigzins vermoeid en hongerig, 
toch den tocht welgemoed en opgewekt aanvaardden. 

In de voorhoede bevond zich de onverschrokken Kapitein W. 
G. A. C. Christan met de Europeesche kompagnie Infanterie en 
eene sectie Artillerie ; daarna volgden een zestigtal draagpaarden, 
een groot aantal koelie's en trein, en in de achterhoede de In^ 
landsche kompagnie Infanterie onder den dapperen, beleid vollen 
Kapitein J. C. Lindgreen , bij welke afdeeling de door zijne kame- 
raden en minderen hooggeschatte Luitenant H. J. de Jong. 

Tegen den middag ontving de kolonne bij kampong Narmada , 
van vijanden achter muren en in boomen verscholen, een hevig 
overstelpend geweervuur, doch de Overste van Pabst, gesteund 
door Kapitein Christan, wist door zijn beleidvol optreden en zonder 
belangrijk verlies het vuur des vijands spoedig tot zwijgen te 
brengen, zoodat de troep met weinig moeite op een afstand van 
200 meter om Narmada heen trok en den grooten weg naar 
Tjakra Negara weder bereikte. 

Door dit zoo gemakkelijk behaalde voordeel werd de ver- 
moeidheid vergeten en de tocht opgeruimd voortgezet, in de 
hoop spoedig de vrienden te Tjakra Negara de hand te kimnen 
drukken, want onderweg had een bevriend Sassaksch Hoofd het 
bericht overgebracht van den overval , doch er bijgevoegd, dat 
onze troepen Tjakra Negara hadden schoongeveegd en dit nu 
geheel door de Baliërs verlaten was. 

Te eer werd dit geloofd, omdat men weldra eene geheel ver- 
laten kampong doortrok. 

Des middags ten drie ure kwam de troep voor de poort van 
het moordhol Tjakra Negara. 

De poort stond gastvrij open en een diepe stilte heerschte 
alom. Niemand vertoonde zich. De natuur was zoo kalm en 



48 DOOR DKN YUAND HEBMOESLAGKN 

« 

vredig, zoo schoon en bloeiend, als ware daar binn^i die muren 
geen misdadig, menschonteerend verraad gepleegd, als waren 
daar geen honderden op laaghartige wijze verminkt en vermoord. 

Niets duidde aan, dat tallooze woeste , bloeddorstige vijanden , 
verscholen achter dikke doorboorde muren, op de argeloos nade- 
rende troepen loerden, het geweer tot moorden gereed in de 
hand, die nog droop van het bloed der op wreede wijze omge- 
brachte en als helden gevallen braven. 

Bedrogen door de heerschende kalmte en de bedriegelijke 
medededing van het Sassaksche hoofd , trok de kolonne de poort 
van Tjakra Negara binnen , met zijn braven Chefaan het hoofd» 
want weldra zou hij, naar hij meende, in tegenwoordigheid van 
den Opperbevelhebber zijn, en moest dan dezen vermoeiden, 
hongerigen, doch nog kranigen en opgewekten troep presenteeren. 

De ruim 20 meter breeden weg was eenzaam en verlaten, 
doch ook daarin zagen de troepen niets bijzonders, want het 
was op het heetst van den dag, en dan tracht in Indië ieder 
zich zooveel mogelijk in de koelte der woning terug te trekken. 
Ongestoord marcheerde de kolonne verder, als ging zij ter parade 
en niet ter slachtbank. 

Toen de geheele troep binnen de muren van Tjakra Negara 
was knalde eensklaps een schot, en onmiddelijk daarop scheen 
het als braakten de muren vuur, want er barstte een oorver- 
doovend geweervuur van alle zijden los op de in de val gelokte 
afdeeling; de tallooze schoten kraakten en knetterden, vergezeld 
van de huilend juichende kreten der naar moord dorstende vijanden. 

Het was als werd er met handenvol kogels geworpen door 
een troep huilende hyena's, die de ongelukkigen aan alle zijden 
omringden. 

De Overste Van Lawick viel het eerst en met hem sneuvelden 
vele brave makkers. 

Hoe kalm de dappere Kapitein Christan ook zijne bevelen gaf, 
hoe welberaamd zijne maatregelen ook waren, ditmaal werden zij 
verijdeld door de dol van angst vooruit stormende koelie's en 
draagpaarden, die alle vrachten weggeworpen hadden en, zich 



DB LUIT. DBR IMF. H. J. DS JONG OP LOMBOK — 1894 49 

overal bedreigd ziende, voorwaarts drongen, hopende daar hulp 
en bescherming te vinden. Op die wijze werd de voorhoede als 
het ware vooruit gedrongen, niettegenstaande de dapperen eene 
laatste poging aanwendden om, trots het vreeselijke gevaar, den 
vijand het hoofd te bieden. 

De dooden, gewonden en gevallenen werden door de woeste 
paarden vertrapt; wanhopend worstelden koelie's en dieren om 
het veege leven te redden, en daartusschen klonk het gegil des 
vijands, het knallen der schoten en het kermen der gewonden. 

Het was een hartverscheurend tooneel en eene verschrikkelijke 
verwarring, waarin bijna elke vijandelijke kogel doel trof. Het 
was een afgrijselijk bloedbad. 

Christan en Lindgreen waren nu onherroepelijk gescheiden en 
ieder op zich zelf aan eigen krachten en eigen beleid overgelaten. 

Lindgreen hield moedig stand, doch hij kon noch voor, noch 
achteruit; hij was van Christan gescheiden door stapels lijken 
en gewonden, door weggeworpen legertros en gevallen paarden 
en hij wilde zijne eigene gewonden niet verlaten. 

De Jong, die reeds door een schampschot aan den buik ge- 
wond was, en zich gedurende zijn verblijf te Tjakra Negara met 
de wegen in die plaats en in den omtrek vertrouwd gemaakt had , 
vestigde de aandacht van zijn Kapitein op een Dewa-huis, een 
door een muur omringden heidenschen tempel , waarin de troepen 
zich zouden kunnen verzamelen en eenigszins tegen het moord- 
dadige geweervuur gedekt zijn. 

Dndgreen, het wanhopige en ongelijke van den strijd inziende, 
gaf den last om zich in dat Dewa-huis terug te trekken en het 
eerst van alles de gewonden te redden. 

Toen ving eene worsteling aan, de helden der oudheid waardig. 
De Officieren wierpen hunne tegen die dikke muren onnutte 
sabels weg, namen een geweer, voorzagen zich van de patronen 
der gevallenen en verzamelden de weinige valide manschappen 
om zich heen, om stand te houden en met hunne lichamen 
den terugtocht der gewonden te dekken. 



50 DOOR DEN VUAND HKBNOESLAOBN 

Te midden van den ontzettenden en overstelpenden kogelregen 
hielden de dapperen onwrikbaar stand en kalm gaven zij hun 
schot af, dat ook telkens doel trof en een vijand velde, wien 
de juichende moordkreet in den gorgel smoorde. De kalme, 
kundige geneesheer Dr. S. Ujlaki vervulde te midden van moord 
en doodslag zijne heldhaftige, menschlievende taak, en Kapitein 
Lindgreen was als het ware overal te gelijk, d^ zijne dappere, 
telkens kleiner wordende schaar ter zijde staande, d&n de over- 
brenging zijner gewonde makkers besturende. 

Eindelijk, na ongelooflijke moeite en inspanning, na eene 
heroïsche worsteling met een meestentijds onzichtbaren vijand, 
die het niet waagde zijne schuilplaats te verlaten, waren allen 
in den tempel verzameld , doch zonder voedsel en helaas slechts 
met een klein getal patronen. 

Toen men den kring der geredden rondzag, werd menige 
dappere vriend en makker gemist. 

Uit het Dewa-huis zou de terugtocht naar Ampenan nog mogelijk 
geweest zijn, hoewel ten koste van vele offers, doch dan konden 
de gewonden niet medegevoerd worden en niemand wilde de 
hulpbehoevende makkers verlaten. Tot den laatsten ademtocht 
zouden zij stand blijven houden, hoewel zij de overtuiging had- 
den dat, als zij in dien tempel bleven en niet door anderen 
ontzet werden, hun dood onvermijdelijk was, hetzij door het 
vijandelijk lood, door gebrek of door de martelingen hunner bloed- 
dorstige belagers*). 

Het besluit stond vast,... allen gered of te zamen sneven! 

Kapitein Lindgreen , in wiens beleid en inzicht allen een onbe- 
perkt vertrouwen stelden en die nog onbekend was met den 
vollen omvang der door onze troepen geleden nederlagen, of- 
schoon hij een deel daarvan vermoedde, besloot een OflBcier 
met een klein detachement naar Ampenan te zenden, die zich in 
't belang der anderen moesten opofferen en zich door den vijand 



f 



*) Het ongewone verschijnsel dat een Inlandsche vijand zyne gevangenen 
niet doodmartelt, was toen nog niet te voorzien. 



DS LÜIT. DER INF. H. J. DS JONG OP LOMBOK — 1894 51 

heenslaan ten koste van alles, om aldaar den toestand bekend 
te maken en hulp te ontbieden. 

Hij overwoog ernstig aan wien van zijne naar heldendaden 
dorstende Officieren, wier moed zoo schitterend in de pas geleden 
slachting was gebleken, hij die gevaarvolle zending met de meeste 
hoop op succes zoude opdragen. Na lang wikken en wegen 
slo^ de balans over ten voordeele van Luitenant de Jong, die 
met het terrein en de omstreken het best vertrouwd was. 

De jeugdige, moedige, fiere de Jong besefte geheel het hoogst 
gevaarlijke, doch ook het buitengewoon eervolle der hem opge- 
dragen taak. Ofechoon gewond, afgemat en hongerig, gevoelde 
hij zich in staat het onmogelijke te beproeven. Hij koos twee 
Europeesche onderofficieren, flinke beproefde militairen uit, als- 
mede 22 der sterkste en behendigste Inlandsche soldaten om 
hem ter zijde te staan, die allen blijmoedig de roepstem van 
den kloeken Officier gehoorzaamden en zich terstond voor het 
waagstuk gereed maakten. 

Toen de kleine troep marschvaardig was, ontving de Jong 
zijne laatste orders en aan elk mindere werd het doel van den 
tocht duidelijk ingeprent , opdat , al kon ook slechts één man , zij 
het ook stervende, te Ampenan aankomen, het doel van het 
waagstuk niet gemist werd. 

In het laatste oogenblik vóór den uittocht, die voor het grootste 
deel van die dapperen bijna zeker noodlottig zoude worden, 
gedacht de onverschrokken jongeling één oogenblik allen die hem 
zoo lief en dierbaar waren. In gedachten nam hij van allen 
a&cheid, vooral van zijne liefhebbende ouders en hij sloeg een 
laatsten blik op den ring, dien zijne moeder hem ter gedachtenis 
aan den vinger stak bij het roerende vaarwel. Een kort oogenblik 
slechts vervulde oneindige weemoed zijne ziel, en de jonge, 
sterke man had bedaard, vol plichtbesef, met het leven afgerekend. 

Toen hief hij het een oogenblik gebogen hoofd op; kalm en 
beslist klonk zijn konmiando . . . voorwaarts / en de tocht nam een 
aanvang, die wellicht eindigen zou met aller ondergang, doch 
misschien ook met de redding der in nood verkeerenden. 



52 DOOR DKN VUAKD HBKNGKSLAGKN 

Bij het scheiden werden geene woorden verspild. Het geschiedde 
met een enkelen beteekenisvollen handdruk, oüschoon hier het 
€morüurï te salutanh der Romeinsche gladiatoren volkomen op 
zijne plaats zou zijn geweest. 

Hoewel de uittocht bij daglicht gevaarlijker was dan bij duis-^ 
temis, moest de marsch toch onmiddellijk worden aanvaard, ten 
einde in den donkeren nacht niet te verdwalen tusschen de tal- 
rijke muren van Tjakra Negara en zoo den goeden uitslag reeds 
dadelijk in gevaar te brengen. 

De Jong vooruit, allen den weg wijzende, verlieten zij slui- 
pende het Dewa-huis, hoopvol nagestaard door de achterblijvenden, 
die zich gereed hielden om uit hunne sterke stelling zooveel 
mogelijk de vertrekkenden te steunen. 

Nauwelijks hadden eenigen den heidenschen tempel verlaten, 
of de steeds op hunne gevangen prooi loerende vijanden hadden 
hen reeds bemerkt en oogenblikkelijk brak weder zijn moord- 
dadig repeteervuur onder luid triomfgeschreeuw op het kleine 
hoopje los, dat echter vastberaden en moedig voorwaarts ging, 
steeds voorgegaan en kalm geleid door hunnen jeugdigen kom- 
mandant, van tijd tot tijd, als de kans schoon was, het vuur 
beantwoordende, doch dan ook, zeker als zij waren van hun 
schot, een vijand vellende. 

Zoo ging het geruimen tijd langzaam voorwaarts, steeds om- 
ringd door vurende en gillende vijanden, die aan alle zijden 
opdrongen doch op eenigen afistand bleven, omdat de kalme, 
moedige houding van dat handjevol dapperen hun ontzag en 
eerbied afdwong. 

De Jong verliet Tjakra Negara in Noordelijke richting, ten 
einde buiten de kampong Sajang Rembega om, en door de 
sawah's te trachten den grooten weg naar Ampenan te bereiken. 

Toen de patrouille onder 'svijands hevig vuur met groote 
moeite een riviertje doorwaad had en circa 400 meter op de 
sawah was geavanceerd, bemerkte de kommandant, dat deze 
poging de manschappen ten zeerste afgemat had. Daarom besloot 
hij den zijnen achter de hooge galangan's eenige rust te gunnen. 



DS LUIT. DER INF. H. J. DE JONG OP LOMBOK — 1894 &S 

tot de duisternis volkomen zoude zijn ingevallen , en hij dus met 
meer kans van slagen den tocht kon vervolgen, want nu, in 
het open terrein, vreesde hij niet meer te verdwalen. 

Het was si uur des middags. 

Allen waren nog aanwezig toen zij zich bij hunnen kommandant 
verzamelden, doch helaas er waren reeds gewonden. Van uitputting 
en bloedverlies vielen die dappere mannen neder en sommigen 
sloten de oogen, inslapende onder 'svijands kogelregen, terwijl de 
projectielen aan alle zijden in den grond aansloegen of over hunne 
hoofden heen, fluitend en sissend zich in de verte verloren. 

Te midden van zijn rustenden troep, omringd door razende 
vijanden, lag De Jong, de ellebogen op den grond gesteund en 
zijn hoofd in de handen rustende, zoodat hij het omringende 
terrein kon gadeslaan; hij gunde echter alleen zijn lichaam eenige 
rust, doch zijn geest bleef werkzaam; hoe afgemat hij ook was, 
hij bleef wakker, want hij, de leider, moest waken over zijne 
rustende mannen. Hij scheen van staal! 

Eensklaps krijgt hij een schok alsof hem een zwaren steen 
tegen den arm werd geworpen, en bij onderzoek bemerkte hij 
dat hij voor de tweede maal gewond was en een kogel zijn 
rechterarm had doorboord. Hij telt echter die wonde niet, want 
wat had dit te beteekenen vergeleken met het leven der aan 
zijn beleid toevertrouwde soldaten en het verheven doel, dat hij 
bereiken moest tot heil der achtergeblevenen. 

De vijand omringde hen steeds en vuurde onophoudelijk; dit 
vuur werd door eenigen van de rustende patrouille van tijd tot 
tijd beantwoord, om den vijand te toonen dat men waakzaam 
was, doch toen de duisternis begon te vallen liet men dit na, 
ten einde niet onnoodig de schaarsche munitie te verspillen. 

Toen de zon ter kimme gedaald en de duisternis volkomen 
was, om 6f uur, dus na i^ uur rust onder een kogelregen , die , 
wonder boven wonder, niemand doodde, wekte De Jong kalm 
zijne rustig slapende dapperen; de grootste stilte werd in acht 
genomen en de tocht dwars over de sawah's in bijna recht 
Noordelijke richting vervolgd. 



54 DOOB DBN VUAMD HEBNGBSLA.GBN 

Nauwelijks hadden zij de plek waar zij rust genoten hadden 
verlaten, of achter hen verschenen uit Tjakra Negara tallooze 
vijanden voorzien van flambouwen , die , verwonderd over de kahnte 
en de rust van den troep, naar de verlaten plek slopen, hopende 
allen daar gesneuveld of doodelijk gewond te vinden en dan van 
hunne overwinning te genieten. Toen zij echter niets ontwaarden 
dan enkele plekken bloed op de plaatsen waar de gewonden 
gelegen hadden, ging er een gehuil van spijt en woede uit de 
moordlustige bende op , die weder terstond de vervolging hervatte. 

Nu was De Jong, hoewel over veel minder manschappen be- 
schikkende, door de kalmte der zijnen en door de ingevallen en 
bijna tastbare duisternis in het voordeel tegenover zijne razende 
vervolgers, die als woedende duivels met flambouwen zwaaiende, 
over de vlakte holden en nu bij dat licht een zeker en niet te 
missen doel aan de goed geoefende schutters opleverden. 

Spoedig staakten de Balineezen de vervolging op die wijze, 
doch toen zij dat na eenigen tijd andermaal beproefden, waren 
De Jong en de zijnen voor hen spoorloos verdwenen en keerden 
zij, na korten tijd vruchteloos zoeken, naar Tjakra Negara terug, 
om te waken dat ten minste hunne prooi, die in hetDewa-huis 
vertoefde, hen niet ontkwam. 

Hiermede was het gevaar, dat het kleine dappere detachement 
bedreigde, nog in geenen deele afgewend, want aan alle zijden 
grijnsde het hun aan uit de vele kampongs die zij voorbij moesten 
trekken, waar de Balineezen in hun overwinningsroes als dolzin- 
nigen feestvierden. 

Hadden deze geweten wie daar in de duisternis buiten om hunne 
kampong heenslopen , zij zouden htm feestgejuich in moordgehuil 
veranderd hebben. 

Langzaam gingen de dappere krijgers, voorgegaan door De 
Jong, in de duisternis verder, somtijds niet kunnende zien waar 
zij hunne voeten moesten neerzetten, dan eens in rivieren of 
slooten afdalende, dan weder struikelende over takken, steenen 
of oneffenheden van den bodem, een andermaal over een heg 
klimmende, vermoeid en uitgeput door dorst, honger en bloed- 



DS LÜIT. DER INF. H. J. DS JONG OP LOMBOK — 1894 55 

verlies, doch steeds zwijgend, zonder eene enkele klacht, vast- 
beraden en moedig, allen aangespoord door hun Chef, die hen 
in alles voorging en aanmoedigde, en gereed tot de meest roe- 
kelooze daden en de ongehoordste krachtsinspanning om het 
beoogde doel, de bevrijding hunner makkers, te bereiken. 

Na zich zoo den geheelen nacht gedurende bijna elf eindelooze 
uren voortgesleept te hebben, hoorden zij eensklaps het rollen 
der zee en het geluid der golven die donderend op het strand 
braken, .... een klank die hen als eene welluidende muziek in 
de ooren klonk. 

Een zucht van verlichting ging uit dat kleine hoopje op, toen 
zij ook aan hmme linkerhand, niet te ver van hen af, aan het 
strand der zee lichten zagen en het eigenaardig geruisch hoorden, 
dat tegen den morgenstond uit eene legerplaats opstijgt. 

Ja, dat was Ampenan! .... want de toonen van den hoorn be- 
reikten hen en streelden hun gehoor meer dan de schoonste 
muziek had kunnen doen. 

Eindelijk aan het doel ! . . . . Het was vijf uur 's morgens en 
nog volslagen duister. 

Voor alle zekerheid ging De Jong met zijn naamgenoot, ser- 
geant De Jong, alleen vooruit, ten einde zich te doen herkennen 
en niet bij vergissing voor aanvallende Balineezen te worden 
gehouden. Zoodra hij den schildwacht gewaar werd, riep hij 
dezen uit de volheid van zijn door aandoening overkropt gemoed 
een juichend ^Vriend h toe, wat beantwoord werd met een schot 
en zijn makker en naamgenoot in de nabijheid der veilige haven , 
waarnaar zij zoo smachtend hadden uitgezien, doodelijk getroffen 
deed nederzijgen. 

De Hollandsche schildwacht, die voor de veiligheid waakte, 
had maar al te goed gemikt; de arme jongen mocht de reddende 
legerplaats slechts als lijk binnen komen; hij stierf in de armen 
van zijn braven Officier. 

Na een nachtelijken marsch van 12 uren, steeds omringd van 
vijanden, na zich door dien overtalrijken vijand met ontembaren 
moed te hebben heen geslagen, na in tweemaal 24 uren niet 



56 DOOR DIN TUAND HSBMGKSLAeEN 

gerust en niet gieten te hebben, helmhoed en kleeding door 
kc^ls doorboord , gewond , beslijkt en verbrand , schreed het kleine 
detachement eindelijk Ampenan binnen, bewonderd, verwelkomd, 
toegejuicht door allen, en kon eindelijk de jeugdige held den 
Opperbevelhebber het doel van zijnen tocht melden, er bijvoe- 
gende dat hij gereed was terstond met den ter hulpe te zenden 
troep mede te gaan, om dezen den weg te wijzen, trots ontbe- 
ring en vermoeienis, trots uitputting en verwondering. 

Helaas!.... Al zijne toewijding, al zijne dapperheid, al zijne 
zelfverloochening waren vergeefech geweest!.... De Opperbevel- 
hebber kon en mocht de kleine macht die hem nog overbleef, 
niet aan een nieuw échec blootstellen, hoezeer hem de benarde 
toestand der ingeslotenen ook ter harte ging. 

De Opperbevelhebber oordeelde hier kalm en juist, want daar 
waar eene kleine dappere schaar van 25 man zich in de duisternis 
van den nacht bijna ongezien een weg kan banen, daar zoude 
een grootere macht het hoofd gestooten hebben en zich te ver- 
geefech hebben blootgesteld. Het zoude roekeloosheid geweest 
zijn, en tot zulk een waagstuk zonder eenige kans op succes 
mocht Generaal Vetter de hand niet leenen. 

Teleurgesteld, doch erkennende dat zijn Generaal den toestand 
juist inzag, geheel vertrouwende op diens beleid, boog de Jong het 
hoofd, berustende in die harde uitspraak, die deze Opperoffider 
blijkbaar gaf in t^enspraak met de wenschen van zijn eigen 
hart Hij liet zich naar de Ambulance geleiden, waar hij ver- 
bonden werd. 

De reactie na zooveel inspanning volgde. 

Bij zijn tocht naar boord van het stoomschip, dat hem naar 
Soerabaija zoude vervoeren, was hij door vele vrienden en makkers 
omringd, maar tusschen die allen bewogen zich de dappere 
soldaten, die aan zijn moed, beleid en trouw hun leven te 
danken hadden en hem telkens dankbaar de handen drukten. 

Wat zou hij trotsch geweest zijn, als hij ook de achterge- 
blevenen in het Dewa-huis had kunnen redden; doch de om- 
standigheden waren sterker dan zijn ridderlijk gemoed. 



DB LÜIT. DBB INF. H. J. DS JON^ OP LOMBOK — 1894 57 

Zoo eindigde een tocht, die wel niet eenig is in de aan 
heldenfeiten zoo rijke Indische krijgsgeschiedenis, doch zeker 
door geen andere wordt overtroffen. 

Zonder eenige détails te melden schreef hij aan zijne ouders, 
lidie tocht is voor mijn geheele leven onuiiwischhaar in mi/n geheugen 
gegrift en het geheel komt mif nog als een droom , als iets onmogelijks 
t*oor.i^ 

Hoe trotsch moeten die ouders zijn op zulk een zoon, die, 
nog zoo jeugdig, zich reeds zóó beleidvol, zóó moedig, zóó 
trouw betoonde! 

Nederland ! . . . Mannen zooals hij telt het Indische leger er velen. 

Hoeden af! ... . en stijge uit volle borst de kreet ten hemel, 
^Leve de Koningin / . . . Leve het Indische leger / . . . Gloria inciis / . . . 



De Luitenants P. M. Vis en W. P. Broelcman^ 

by den terugtocht van de kolonne Chrlstan, na 

TJakra Negara's bloedbad 

1894 

Ja! Hollands Trene ist die seiner Eii^erehrei 
Den Jabelmf jetzt lant erklingen Iftsst, 
Sie gab im böser Zeit den Völkem emste Lehre , 
Sie stand im ünglück onerschüttert fest 

üit een feestdionk te Beri^n. 

Nooit wordt zoowel de moed, de discipline en de trouw 
van den soldaat, als het beleid der aanvoerders op zwaarder 
proef gesteld, dan bij eene terugtocht na eene verschrikkelijke 
nederlaag, of na eene ontzettende catastrophe, want als de 
mensch alles verloren waant, speelt de aangeboren zucht tot 
zelfbehoud eene groote rol, zoodat dikwerf bij den besten troep eene 
geregeld begonnen terugtocht in een €€sauve qui peuh* ontaardt, 
waarbij de discipline verdwijnt tegelijk met het vertrouwen in de 
leiding, de wapens die de vlucht bemoeielijken worden wegge- 
worpen en de vriend van gisteren onbarmhartig ter zijde geduwd , 
of aan zijn lot wordt overgelaten. 

Dan is bij velen , die anders grooten moed betoonden , de aan- 
drift tot eigen redding de alles overheerschende gedachte, en 
niemand en niets achtende en ontziende trachten zij het veege 
leven te redden zelfs ten koste van anderen , maar in tegensteUing 
daarvan doen zich dan ook schitterende daden van grooten moed 
en vastberadenheid, van onwankelbaren trouw en blinde gehoor- 
zaamheid kennen, dan treden de waarlijk onverschrokken, be- 
zadigde, edele naturen als van zelf op den voorgrond en wekken 
het vertrouwen der minderen door hun grootsch voorbeeld, 
voortspruitende uit zielenadel en plichtsbesef, dan toont zich de 
ware ridder in al zijne bewonderenswaardige grootheid en doods- 
verachting. 



DS LUITENANTS P. M. VIS SN W. P. BROSKMAN — 1894 59 

Het grootste en het krachtigst sprekende voorbeeld daarvan is 
de terugtocht van Napoleon's overal zegevierende heerscharen van 
Moskou over de Beresina, waar egoïsme en kameraadschappelijke 
trouw, moed en lafhartigheid, discipline en bandeloosheid , berus- 
ting en wanhoop , volharding en moedeloosheid , angst en onver- 
schrokkenheid , beleid en wanorde elkaar afwisselden als een uit- 
vloeisel van den ontzettenden toestand waarin de groote veldheer 
zijn verslagen leger achterliet, hij die zoo goed als de eenige was, 
die door zijn prestige den toestand had kunnen beheerschen. 

Ook de Indische krijgsgeschiedenis heeft, hoewel in het klein, 
gevaarlijke en bloedige tenigtochten geboekstaafd, doch daarbij 
was nimmer sprake van wanorde of egoïsme, daarbij bleven 
allen trouw bijeen, gehoorzamende aan de bevelen van den 
aanvoerder en volhardende tot het uiterste, en daarbij gold als 
ridderlijk beginsel ««^^ voor allen, allen voor //;i»», want oud- 
Holland's moed, beleid en trouw is van den echten stempel en 
verloochent zich nooit 

Moge de beroemde terugtocht van den Overste Vermeulen 
Krieger van Pisang naar Koriri en die van den Overste Raaff 
na de nederlaag op den Marapalm daarvoor uit het begin der 
19e eeuw getuigen, ook de geschiedenis van den lateren tijd kan 
op zulke schitterende feiten bogen. 

En onder die geregelde terugtochten is die van de Voorhoede 
van de geheel uit elkander geslagen kolonne van den Overste 
P. van Lawick van Pabst, van Tjakra Negara naar Ampenan 
op Lombok, op den 27®" Augustus 1894, onder de leiding van den 
Kapitein W. A. G. C. Christan een afdoend bewijs, want hier 
was, dank zij de uitmuntende en kalme aanvoering nevens het kloeke 
voorbeeld der leiders, zoomede de uitmuntende geest van den 
troep, zelfs de alles vernietigende moreele indruk van den zoo 
verrassend onverwachten en zoo ontzettend bloedigen overval der 
kolonne niet in staat , om den troep de schitterende oud-Holland-^ 
sche deugden te doen verloochenen. 

Aan het hoofd der kolonne van den Overste van Lawick van 



60 DK LÜFTBNAMTS P. M. YI8 KN W. P. BROEKMAN 

Pabst, die van Batoe Klian uit het binnenland op hoog bevel 
naar Tjakra Negara terugkeerde, marcheerden 3 sectiGn van 
de eerste kompagnie van het 9® Bataljon Infanterie onder den 
Kapitein Christan, daarop volgde eene sectie Genietroepen onder 
den Luitenant E. W. C. van der Staaij en vervolgens eene sectie 
Bergartülerie onder den Luitenant P. M. Vis, welke laatste gedekt 
werd door eene sectie der i® kompagnie onder den Luitenant W. P. 
Broekman; hierna volgden ongeveer Sodraagpaarden met voorraad 
van den algemeenen trein en hunne geleiders onder den Luitenant 
A. van der Plank , daarna de ambulance , onder den Officier van ge- 
zondheid I® klasse Dr. S. Ujlaki, en eindelijk als achterhoede de 2* 
kompagnie van het 9® Bataljon, onder den Kapitein J. C. Lindgreen. 

Bij het binnenrukken van Tjakra Negara, welke plaats de 
kolonne nog door onze macht bezet waande, daar zij onbekend 
was met het gepleegde verraad en de tengevolge daarvan 
ondergane bloedige nederlaag, liet de achter hunne van schiet- 
gaten voorziene muren verscholen vijanden de troepen , die zij tot 
nieuwe slachtoffers voor hun verraad hadden uitverkoren, onge- 
hinderd voortrukken, totdat de geheele kolonne op de betrekkelijk 
smalle weg goed onder het bereikt hunner kogels zoude zijn en 
tóen openden zij eensklaps op den niets vermoedenden, zich te 
midden van vrienden wanenden ongedekten troep, een moord- 
dadig vuur uit himne tallooze repeteergeweren. 

Een eerste gevolg van dien onverwachten en verradelijken 
overval tusschen die van alle zijden vuur brakende muren, was 
eene ontzettende verwarring, daar velen, waaronder ook de brave 
Overste van Lawick zelf, doodelijk getroffen neerzegen, terwijl 
de paarden van den trein, niet aan het schieten gewend , schichtig 
geworden , zich losrukten , door den troep holden en zoo de verwar- 
ring vergrootten, terwijl bovendien de kommando*s der Officieren 
onverstaanbaar waren door het geknetter der schoten, het ge- 
schreeuw der vijanden en het luid rammelen der vrachten in de 
half ledige kisten gedragen door de radeloos rondhollende draag- 
paarden, die in hunnen angst redding zoekende, hunne hinderlijke 
vrachten trachtten af te werpen. 



BU DBM TERUGTOCHT NA TJAKRA MEGARA'S BLOEDBAD — 1894 61 

De anders wel aan het vuren gewende paarden en muildieren 
der Artillerie, werden, daardoor aangestoken, nu ook onhandel- 
baar en renden onweerstaanbaar vooruit, wat de leiders ook 
deden om hen in de hand te houden, daarbij trachtende zich 
van hunne kostbare vrachten te ontdoen, of doodelijk getroffen 
lüet deze ter aarde stortende. 

Door de vele lijken van menschen en paarden en de op den 
weg in een choas verspreide bagage van draagpaarden en koelie's, 
warëfi de beide deelen der kolonne onherroepelijk gescheiden, 
^K^t eene hereeniging over dié hinderpalen onder dat verschrik- 
kelijke vuur was eene onmogelijkheid geworden , als men zich niet 
roekeloos aan algeheele vernietiging wilde bloot stellen. 

De kompagnie Lindgreen, waarbij de Ambulance, verdedigde 
zich geruimen tijd, doch moest zich ten slotte, geen uitweg vindende 
eói aan alle' zijden ingesloten zijnde, wegens gebrek aanmimitie, 
levensmiddelen en drinkwater krijgsgevangen geven, terwijl het 
aan de kompagnie van Kapitein Christan met de Genietroepen en 
de Artillerie gelukte , om met talrijke verliezen den terugtocht te 
bewerkstelligen en Ampenan te bereiken, na nog geruimen tijd op 
de aansluiting van de kompagnie Lindgreen gewacht te hebben. 

Een oogenblik nadat de verraderiijke overval begonnen was, 
bereikten de drie voorsfte sectiën der kompagnie Christan met 
de Genietroepen, na veel verliezen, eene door een lagen muur 
omgeven vierkante plek, waar de troep ten minste eenigszins 
tegen de als een hagelbui overal rondvliegende kogels der Bali- 
neezen gedekt was en waar men eenigen tijd stand kon houden 
om de rest vto den troep in te wachten, want om de achter- 
blij venden té gemoet te gaan, was niet alleen onmogelijk, maar 
zoude slechts de verwarring vergroot en ook de nu nog goed 
aaïieengesloten sectiën uiteengedreven hebben. 

Niet zoodra was die positie bezet, of de Kapitein Christan 
aarzelde geen oogenblik om met den KapiteinH. P. Willemstijn, 
dié de kolonne als Stafofficier vergezelde, en eene sectie op ver- 
kéóniilg' uit te gaan , ten einde zich te vergewissen van den 

n 5 



62 DE LÜITENAKTS P. K. VIS EN W. P. BROEKMAN 

toestand van het bivak der hoofdkolonne , die eenige dagen te 
voren Tjakra Negara bezet hield. 

Hij vond slechts lijken en verwoesting. 

De Luitenant Vis had nu ook het overschot zijner Artillerie 
tot staan gekregen en voegde zich bij den troep binnen dat 
vierkant, gevolgd door den Luitenant Broekman met wat hem van 
zijne sectie restte, die trots het overstelpende en moorddadige 
vuur kranig stand had gehouden, tot de Artillerie gedekt was. 
Nu hij aan dien plicht voldaan had wilde deze dappere Officier 
dadeUjk weder terug in dien vuurpoel om te redden wat te 
redden was en ook om het lijk van den zoo beminden Overste 
te halen; slechts met groote moeite werd hij door de makkers 
daarvan teruggehouden, die hem het onmogelijke van het waagstuk 
voor oogen hielden. 

Verschrikkelijk heet en vernielend was het vuur dat de in dat, 
kleine vierkant opeengepakte menschen en dieren moesten door-- 
Sitaan, zoodat in een oogenblik tijds velen gewond en gedood 
werden, onder welke laatsten den Luitenant der Genie van der 
l^taaij en den Luitenant der Infanterie F. Kalf. 

De toestand was onhoudbaar, want het vuur der Infanterie 
was tegen dat der repeteergeweren van achter die hooge sterke 
muren niet bestand en bleef zonder noemenswaardige uitwerking, 
terwijl bovendien de overgebleven voorraad munitie te gering was ,. 
om die zoo nutteloos te mogen verspillen; 't was dus hoog 
noodig dat de sectie Artillerie aan 't woord kwam, maar....^ 
onder den verpietterenden indruk der verschrikkelijke gebeurtenissen 
en het onophoudelijk moorddadige knetterende geweervuur de& 
vijands , waarvan de projectielen met dof geluid overal insloegen, 
en manschappen doodden en verwondden of dreigend sissend ea 
fluitend voorbij vlogen, waren de weinig overgebleven bedienings-^ 
manschappen, reeds vier waren er gesneuveld, huiverig om de 
beschuttende plek achter den lagen muur te verlaten en zich 
opgericht bloot te stellen aan dien ^les wegmaaienden kogelregen^ 
De brave Luit^iant Vis, die, hoewel dit de eerste maal wa&, 
dat hij in het vuur kwam^ geen oogenblik zijn kalmen moed ea^ 



tïl Ó^ ^^^IWM^'^ BLOXDBAD — 1894 6S 

helderheid van geest had veilorea, oegreep dat m dien toestand 
dwang noch bevel iets zouden uitwericen en dat alleen een dapper 
en flink voorbeeld gunstig kon werken om het geschokte moreel 
te releveeren; daarom bracht hij zelf een der beide stukken in 
batterij, haalde de munitie, laadde den vuurmond en trots den 
hevigen kogelregen die om hem heen woedde, richtte hij kalm, 
bedaard en nauwkeurig het kanon , en spoedig donderde de eerste 
granaat den vijand te gemoet, die, de muren doorborende, 
achter de beschutting der tegenstanders uiteensprong. 

Een oogenblik staakte de vijand zijn vuur uit die richting .en 
een korten tijd was de kleine troep aan die zijde aan 's vijands 
oog onttrokken door de tusschen de muren hangen bUjvenden 
rook van den vuurmond, doch ook slechts een oogenblik, want 
weldra begon 's vijands moorddadig vuur op nieuw. 

Tal van kogels troffen den vuurmond met luiden metaalklank 
om daarna verder te vliegen, doch kalm hoog opgericht stond 
daar de dappere Luitenant Vis ten tweeden male het stuk ge- 
schut ladende en richtende en ten tweeden male sloeg een dood 
en vernieling aanbrengend projectiel, den muur doorborende, den 
vijand te gemoet. 

En toen gebeurde het, zooals de kranige Luitenant ver- 
wacht had. 

De overigens dappere kanonniers, wier moreel slechts een 
oogenblik onder den vreeselijken indruk van den aanval geleden 
had, stonden weldra, aangespoord door het schoon en heldhaftig 
voorbeeld van hun Officier, die onkwetsbaar scheen, zonder 
eenig kommando naast hun aanvoerder en spoedig deed nu ook 
het tweede in batterij gebrachte stuk geschut zijn doodende 
metalen stem in het vreeselijke concert hooren. 

Toen keerden de Kapiteins Christan en Willemstijn van hunne 
hoogst gevaarlijke verkenning terug, waarbij zij de ervaring 
hadden opgedaan, dat Tjakra Negara door de troepen verlaten 
was en slechts de overblijfselen van de kolonne van Lawick van 
Fabst de eenigste macht was die zich nog in dat moordhol be- 
vond. Vernemende dat de Overste gevallen was , nam de Kapitein 



64 DE LUITENANTS P. M. VIS EN W. P. BROEKMAN 

Christan als oudste het kommando van het geheel op zich'. 

Het vuur des vijands scheen nog in hevigheid toe te nemen; 
elk gat dat door de granaten der Artillerie in de muren geslagen 
werd diende dadelijk tot schietgat voor den vijand, die zich 
hoe langer hoe meer om het kleine troepje heendrong. 

Reeds waren velen gesneuveld en telde de troep in die kleine 
ruimte 28 gewonden; de toestand was onhoudbaar en daarom 
besloot de Kapitein Christan die gevaarlijke positie tusschen dié 
vuur en lood brakende muren te verlaten en de ruime sawah- 
vlakte op te zoeken, waar de troep zich den vijand beter van 
het lijf kon houden en daar de kompagnie Lindgreen inwachten , 
wier vuur door de doffere knal der Beaumont geweren tusschen 
de scherpe schoten der repeteer-vuurwapens in de verte duidelijk 
te onderscheiden was, zoodat men daaruit alleen kon opmaken, 
dat deze troep nog moedig stand hield tegen den overmachtigen 
vijand. 

Ten einde nu bij dien terugtocht zoo kort mogelijk tusschen 
die benauwende muren te vertoeven, werd met versnelden pas 
teruggetrokken , doch alleen de vele gewonden medegevoerd , daar 
men verplicht was de dooden achter te laten, hoe grievend dat 
ook voor het kameraadschappelijk gevoel dier braven was. 

Eindelijk was de kleine kolonne buiten dien doolhof van door 
die gevaarlijke muren begrensde smalle straten , waar elke opening 
tot schietgat voor eenige Balineesche repeteergeweren diende , en 
had zij de ruime sawah-vlakte voor zich, waar de vijand hen 
vermoedelijk niet zoude durven volgen, omdat daar geen be- 
schermende muren waren van waarachter hij zijne moordende 
schoten zou kunnen lossen en deed hij het al, dan zou de 
dappere gedisciplineerde troep in den strijd in het open veld 
zeker in het voordeel zijn. 

Slechts het diep ingesneden, snel stroomende, doch smalle 
riviertje, de Soengie Antjar, scheidde den troep nog vto die vlakte 
en spoedig waren allen, uitgenomen de beide kanonnen met dé 
f bedieningsmanschappen, op den anderen oever overgegaan. 



^mh DKK IlJSBÜGTOCHT na TJAKBA NEGAKa's bloedbad — 1894 65 

Met ontzachelijke inspanning werd onder 'svijands werkzaam 
vuur, dank zij de kalme leiding en het onverschokken voorbeeld 
van Luitenant Vis, de kanonnen bij gedeelten van den hoogen 
Stellen oever naar beneden gelaten en aan de overzijde naar 
boven gebracht, doch bij die manoeuvre geraakten de nog over- 
gebleven muildieren los en verdwenen met de laatste munitie, 
zoodat van de 4 paarden en 14 muildieren nog slechts 2 paarden 
over waren. 

Nu echter was de moeilijke taak der reeds uitgeputte kanon- 
niers nog niet ten einde; voorgegaan door hun Officier poogden 
zi] nog de vuurmonden mede te nemen , al was er ook geen munitie 
meer voorradig, want zij wilden de hun toevertrouwde kanonnen 
niet in 'svijands handen laten. 

Aan de overzijde der Soengie Antjar stootte de Artillerie op 
een tiental terrassen, elk van ongeveer manshoogte, waartegen 
de deelen der vuurmonden middels menschen-krachten naar 
boven gebracht moesten worden, terwijl de vijand de dappere 
arbeiders bleef bestoken. 

Toen die deelen stuk voor sti^ met ongeloofelijke inspanning 
op het 3® terras waren gebracht, waren de brave kanonniers 
geheel uitgeput en bleek het onmogelijk om met die geringe krachten 
de zware vuurmonden op het bovenste terras te brengen, daar 
gedurende de overbrenging weder een sergeant, een korporaal en 3 
minderen gewond waren, die ook medegevoerd moesten worden, 
terwijl de vijand meer en meer opdrong, zoodat het kleine uit- 
geputte troepje eene geheele vernietiging tegemoet ging. 

Hoe het den braven Officier ook ter harte ging om zijne 
kanonnen te moeten achterlaten, zoo zag hij toch in dat dit het 
menige verstandige besluit was , dat hij op het oogenblik kon nemen. 
Hij ,gaf daarom den last de kanons onbruikbaar te maken door 
de sluitstukken te bergen en met medevoering der gekwetsten 
ter^g te trekken op de hoofdkolonne, die op de sawah positie 
geaojmen had, om de artillerie en de kompagnie Lindgreen in 
te wachten. 

Wel was de Luitenant Broekman met eenige vrijwilligers 



«s 



66 DS LUITENANTS P. M. YIS EK W. P. BBOKKMAK 

dadelijk bereid om met Luitenant Vis de stukken geschut te gaan 
halen, doch zeer beleidvol verbood de Kapitein Christan die wan- 
hopige pogine, wegens de uitputting der manschappen, omdat 
de vijand talrijker opdrong en de strijdkrachten der kleine kolonne 
reeds te veel geslonken waren , want terwijl de troep daar op de 
sawah lag te wachten, verloor hij door het vijandelijke vuur nog 
twee dooden en eenige gewonden. 

Daar niettegenstaande de aanhoudend geblazen signalen de 
kompagnie lindgreen niets van zich liet hooren , en de duisternis 
reeds begon te vallen, besloot de Kapitein Christan om te trach- 
ten zoo snel mogelijk Ampenan te bereiken, ten einde van daar 
uit met versterking terug te keeren, om Lindgreen bij te staan, 
wiens werkzaam vuur nog steeds gehoord werd ; met den zwakke 
uitgeputten troep die hij nog onder zijne bevelen had mocht hij 
daartoe op dat oogenblik geene poging wagen, want daardoor 
zouden bovendien de talrijke gewonden , wier lijden onbeschrijfelijk 
was omdat alle geneeskundige hulp ontbrak, gevaar geloopen 
hebben. 

De troep stelde zich dus in beweging en de Luitenant Broekman 
met een tiental flinke Europeanen nam de bescherming van den 
langen sleep gewonden op zich ; daarbij voegde zich de Luitenant 
Vis met zijne kranige kanonniers , die zich nu met de beschikbare 
geweren wapenden, terwijl de beide overgebleven paarden voor 
het vervoer van eenige gewonden bestemd werden. 

Waren de Luitenants Vis en Broekman tot nu toe opgetreden 
als dappere beleidvolle aanvoerders en als voorbeeld van onver- 
jschrokkenheid en doodsverachting, van af dat oogenblik toonden 
2ij zich de zorgvoUe kameraden, die hunne gewonde lijdende 
makkers onvermoeid ter zijde stonden, welk edel voorbeeld door 
allen gevolgd werd en waarbij vooral uitblonk de dappere Euro- 
peesche fuselier J. Terpstra, die later bij de inname van Matarani 
voor de Poerie des vorsten gewond werd en voor zijn buiten- 
gewoon moedig gedrag het kruis der Militaire Willemsorde mocht 
verwerven. 



BU DEN TBBÜGTOCHT NA TJAKBA NXIG^ABa's BLOBDBAD — 18d4 67 

'' Geen enkele gewonde behoefde achtergelaten te worden eH 
een gevoel van verlichting ging uit aller borst op, toen zij het 
strand bereikten en de zoeklichten der oorlogschepen heti te 
gemoet straalden ; dadelijk zond de Marine op de gegeven signalen 
éenige sloepen , waardoor de gewonden naar boord werden over- 
gevoerd. 

De overigen volgden het strand en bereikten Ampenan waar 
zq hartelijk ontvangen werden door den bivak-kommandant,de 
ïlajoor der Artillerie M. B. Rost van Tonningen , die zich bij den 
terugtocht der hoofdkolonne na de noodlottige overvalling zoo 
glansrijk en roemrijk had onderscheiden door zijn kalme, onver- 
'schrokkene en vertrouwen inboezemende leiding, een terugtocht 
die, aan zijne leiding toevertrouwd, meersterlijk werd volbracht 
lioe vreeselijk en ontmoedigend de omstandigheden öok waren. 

De Kapitein Christan zag zich bedrogen in zijne verwachtingen 
om met eene sterkere macht tot het ontzet van de kompagnie 
Lindgreen te mogen oprukken , want de Opperbevelhebber kon 
en mocht in de gegeven omstuidighéden dat waagstuk niet toe- 
staan, hoezeer 't hem ook ter harte ging om die braven aan 
hun lot te moeten overlaten en de Kapitein was een te ervaren', 
degelijk en dapper krijgsman om, nu hij alle gebeurtenissen 
leende, het gegronde dier weigering niet in te zien, hoewel zij 
al zijne hoop, om den braven makker met de zijnen te bevrijden, 
den bodem insloeg. 

De kompagnie Lindgreen moest trachten zich zelve te helpen 
én dank zij zoowel den moed en de trouw der ondergeschikten, als 
de beleidvolle leiding van den aanvoerder en diens kranige rid- 
derlijke houding in de benardste en gevaarlijkste omstandig- 
heden, deed zij dat ook met alle waardigheid en volle eer. 

Ongeveer een maand later brak voor het Lomboksche Vorsten- 
huis den dag der vergelding aan en ontving het de straf voor 
het gepleegde lage verraad. 

Aanzienlijk versterkt rukten onze dapperen oordeelkundig geleid 



68 DS LUimiAllTB P. M. 718 I^ W. P. BBOKIMAK 

en onverschrokken aangeyoerd ter wrake naar Mataram en 
Tjakra Negara op. 

Hoe dapper en vol doodsverachting de Balineezen in tabij)|^e 
drommen met hunne verbeterde vuurwapenen, achter hunne dik^e 
muren y ook met de kracht der wanhoop streden, om hunne hoofd- 
plaats en hun Vorst te verdedigen, toch werden zij door oivse 
van verontwaardiging blakende dapperen met ontzettende ver- 
hezen overal verslagen en teruggeworpen, zoodat na den dofd 
van den troonsop volger, die als een held op het slagveld viel \^j^ 
4e verdediging der laatste wijkplaats, aan den ouden Vorst geien 
a,nder redmiddel overbleef dan zich op genade of ongenade aaxi 
flen overwinnaar over te geven, dezelfde die hij vriendsqh^ 
^chelende, door verraad had trachten te vernietigen. 

Onder hen die zich bij die verwoede en bloedige gevechtep 
weder roemvol onderscheidden, behoorden ook zij die van de 
Ijieine kolonne Christan nog in staat waren de wapeQS te voeren 
en daaronder in de eerste plaats de Luitenants Vis en Broekm^ 

De brave Luitenant Vis, die voor zijne talrijke daden van 
ili^oed, beleid en trouw het Ëerekruis der Militaire Willem3Qr4e 
9P zijne ridderlijke borst draagt, keerde ongedeerd uit den strijd 
Unp^ en is naast zoo velen van Holland's dappere zonden pfBfx 
sieraad van het Indische Leger, door zijne kunde en ware krij^r 
n^ansdeugden; het is een man eenvoudig van hart, doch^grof>t 
en schitterend in daden. 

De I<.uitenant Broe)qv|an 4ie zich reeds te Atjeh bi:^te^e.wo9|i 
]^ onderscheiden en daarvoor de Koninklijke beloon|ng, ,ee¥^ 
^ervol^e yerm^dii^, 4^elachtig ^erd, had zich op Lombc^ ti^ 
taak gestild opi ten ^p|^te van alles het Ëeremetaal der Milit^ie 
Willemsorde te verdienen, het toppunt zijner illusie als braaf 
a^^4^t ^ ,444eriyk Qfpcier. 

Helfia^ ! .... ]fle\ ^v^erdien^e H) .^P il?oc^e oi^derschei^i^g f^(^ 
volle, doch nimmer mocht hij dat zqp .b<^eerde K^ruis 4r^g^, 
Sm^^^ >^^J^^mm^ m^ i99p)m^ ?^er4 hjj ,^an ,zw Y^^erl 



BU DSM TEBUerOOHT NA TJAKBA IOEGABa's BLOEDBAD — 18M 69 

land en zijne makkers ontrukt, doodelijk gewond vallende op het 
slagveld waar hij zoo roemrijk en zegevierend voorwaarts rukte. 

In den heeten strijd om Mataram had hij naar eigen oordeel 
met eene kleine macht eene hoogst gevaarlijke positie bezet, 
waarvan het bezit voor onze aanvallende kolonnes van het hoogste 
gewicht was; met leeuwenmoed de zijnen voorgaande hield hij 
onwrikbaar stand, hoe moorddadig 's vijands vuur ook was, 
dQc}i juist op het oogenblik dat zijn onverschrokken volharden 
het succes verzekerde, trof den dappere een kogel in den rug, 
$je )]le^l onmiddellijk ter aarde wierp, daar de onderste lefle- 
ipa^en Jiu tevens verlamd waren, maar zelfs in dien to^tan;! 
^I^f hij de zijnen aanmoedigen en was hij als altijd een voor- 
beeld van onwankelbaren moed en rotsvaste trouw. 

Algemeen betreurd overleed de edele Broekman eene maand 
l^ti^r ondanks de :?orgvuldigste verpleging, nog steeds in de hoop 
][^y|^de het zoo begeerde Kruis op zijne borst te mogen zien 
9chitter^. 

Zijn naam werd als Ridder ingeschreven in de registers van 
^$,erland's Helden-legioen. 

.Hij ruste in vrede op vreemden bodem en zijn naam blijve 
yportleven in elk Nederlandsch hart, als een voorbeeld van 
l^eldenmoed en ridderlijkheid. 



: f 



Eene Capitulatie 

na een hardnelcicigen 8tr(|d op Lombolc 

1894 

C'est beauooup ga^er, de savoir perdre k propoe ' 

Vbbtot: . l 

De lotgevallen op het eiland Lombok van een onderdeel van 
Nêerland's Leger in Indié, onder het bevel van den Kapiteoi 
der Infanterie J. C. Lindgreen, Ridder der Militaire Willemsorde 
4« klasse, zijn in alle opzichten waard vermeld te worden. 

De verdediging was uiterst dapper, roemrijk en beleidvol , al 
eindigde die ook met eene nederlaag en eene overgave der wapens; 
de troepen toonden dat hunne volharding groot, hunne discipline 
bewonderenswaard en zoowel hunne zelfverloochening alshimné 
trouw voorbeeldeloos was, maar als groote zeldzaamheid s^t 
hunne overgave aan eenen Inlandschen vijand op den voorgrond, 
zoomede hunne kortstondige krijgsgevangenschap en de mensch- 
lievende behandeling die zij daarbij van hunne bestrijders onder^ 
vonden, die hen wel ongewapend, doch ongedeerd tot hunne 
makkers lieten terugkeeren en het is vooral daarom dat die ge- 
beurtenis dubbel de aandacht waardig is, daar dit feit zoo goed 
als eenig is in de krijgsgeschiedenis van Nêerlandsch Indiê. 

In het algemeen kennen onze Inlandsche vijanden geen krijgs- 
gevangenschap; zij maken hunne gevangenen soms op verschrikkelijk 
wreedaardige wijze af, door hen te martelen en een langzamen 
pijnlijken dood te doen sterven, zoodat onze troepen, wanneer 
zij tot het uiterste in het nauw gebracht waren, er steeds de 
voorkeur aan gaven om zich met den moed der wanhoop door den 
vijand heen te slaan, welke zware offers dat dikwijls ook kostte. 

De capitulatie en de krijgsgevangenschap van Kapitein Lindgreen 
en de zijnen zijn eene groote uitzondering, zoowel van onze, als 
van 's vijands z^de, en dat daarbij het gedrag en de houding 



SKNK CAPTTÜLATIX NA EEN HABDNEKKIOEN STBUD OP LOMBOK — 1894 71 

van onzen aanvoerder boven allen lof verheven was , getuigt zijne 
bevordering tot Ridder der Militaire Willemsorde 3® klasse, nadat 
ingevolge de bestaande strenge krijgswetten , de gronden tot die 
overgave door onpartijdige rechters aan een streng en uitge- 
breid onderzoek waren onderworpen geweest. 

Na een hardnekkigen en wanhopigen strijd tegen de kolossale 
overmacht; na eene mislukte poging om zich door den vijand 
Been te slaan, waarbij het onmogelijk bleek om een uitweg té 
vinden in dat doolhof van muren en wegen dat Tjakra Negara 
heet; nadat aan alles gebrek was ontstaan en de troep doodelijk 
afgemat en geheel uitgeput was door onophoudelijke waakzaam- 
heid, door gebrek aan voedsel en door onafgebroken strijd ge- 
durende 5 dagen en 5 nachten; nadat de verliezen voortdurend 
toenamen en de verpleging der arme, lijdende gewonden zoo goed 
als onmogelijk was geworden ; nadat de toestand niet langer houd- 
baar bleek, de krachten ontbraken om zich door 's vijands linie heen 
te slaan en er op geen ontzet meer te rekenen viel, eerst toen 
nam Lindgreen, na raadpleging zijner officieren en onderofficieren, 
iü het belang zijner ondergeschikken , en vertrouwende op het 
woord van den oudsten telg van Lomboks Vorstengeslacht, den 
Elroonprins Ratoe Agoeng Ketoet Karang- Assem , de reeds eenmaal 
hooghartig geweigerde capitulatie aan, en legde de wapens neder 
die de zijnen zoo roem vol gevoerd hadden. 

En dat vertrouwen op het verpande Vorstelijke woord werd dit- 
maal niet beschaamd. 

Wel had de bevelhebber der vijandelijke krijgsmacht eenmaal 
verraad gepleegd tegen hen die hij vrienden noemde en wier 
hand hij drukte , ditmaal hield de bloeddorstige , wraakgierige en 
verraderlijke Balinees zijn woord en dit is niet genoeg op prijs 
te stellen, al was het ook dat de Vorst, door eigenbelang gedreven, 
daardoor zoo mogelijk verzachtende omstandigheden voor het 
gepleegde verraad hoopte bij te brengen, want hij b^eep zeer 
goed, dat, hoe groot zijn oogenblikkelijk succes ook zijn mocht ^ 
het gepleegde verraad niet ongewroken zou blijven, zoolang 
Neêrland's driekleur in Indié wapperde en er mannen overbleven 



70 BKMB CAPITULATXE ^A EEN 

;Ue de wapens konden voeren, om den hoon haar aangedaan ^ 
^,^i:3ffen. 

^Pen 27*° A\igustiis 1894 was bij het buiAenrukken van 'X'pikf^ 
Negara de kolonne van den Overste P. van Lawick van P^st, 
)die uit het bumenland komende geheel onbekend was met, het 
j^epleegde verraad, en niet alleen bij vrienden, doch in het biyak 
^er eigen troepen meende binnen te trekk^, in de door de 
3^^^leezen gelegde hinderlaag gevallen en met ontzettende ,ver- 
Jjk^en geheel uit elkaar geslagen. 

De kompagnie Lindgreen, die de achterhoede der kolopiie 
i^tmaakte, was van den hoofdtroep gescheiden door eene opeen- 
t^Qoping van gedoode menschen, paarden en muildieren,, door 
^^^eworpen materieel, omgevallen karren en andere traA^pprt- 
middelen, die den weg zoodanig versperden, dat de voorhoede, 
4ie het zeli zwaar te verantwoorden had,. de achterhoede niet 
j^ hulp kon komen en deze verhinderd werd naar het gros der 
kolonne voort te rukken. 

De voorhoede en de hoofdtroep sloegen zich onder die 
^^elbui van kogels met ontzaggelijke verliezen door den vijand 
^e^n, waardoor dan ook de achterhoede geheel aan zich zelve 
^,^rd overgdaten. 

Als beleidvol en praktisch aanvoerder h^d Kapitein Iin<|gre^n 
ó^(^ toestand in een oogenblik overzien, en beseffende dat hij 
voorloopig niets anders kon doen, dan stand houden, i^am l^j 
^rs^nd .zijne maatregelen, om dit met de i^inste verliezen en 
^el zoo spoedig mogelijk te kunnen doen, want op de plaats 
Wiuur ;zijn «troep nu ^ïtond , zou deze onder die als ee^e hag^boi 
];p|[^dyUegende kogels een zekeren ondergang te gepioetjg^^an. 

Jp de nabijheid bevond zich eene door muiren omsloten i^uimte , 
l$^e zopgenaiamde Poerie, waar de troepen ten mpste een^^uas 
If^en dat moorddadige vuur gedekt zo^dQ^ zijn en gelegenheid zou- 
doo^Ji^ebb^p om zich te ordenen, ten einde den overmachtigen v^and 
^t p^ig 3!,uc9es weerstand.te kunnen bieden; tersto^dg9la9tte.bfj 
91P .j^et j(55i?r3t jgJte jgewopdep daar.biwiQn te brj^ïjjgen, en dat de 



HARDNBKkl&KI^ STBUD OP LOMBOK — 1894 tS^ 

v^tüdé'' m^^chafypeii" zoo laüg stand zouden houderi, tot h6tf 
hunne beurt werd om hunne toevlucht achter de bès<^hut'téhd'é' 
nÉüyeH* tè'zdekbü: 

l^iïwijf dè^ gfeWondèn: onder het toezicht van den krariigen', 
i|v^]%eiï en' onVèhnoeMén'Ëuropeeschen ziékenopasser H. Loverink^ 
nS^tar' bhlnëH werden gedragen, verzamelde de genéesh'ééi' Örf 
Si Ufl4ki alles Wat 'hij voor het leggen van vérbanden aan linHè^^ 
vto' dë' reeds gesneuvelde makkers onder dat verschrikkelijke vuüf 
xtfè^ëricbn worden, want alle verbandmiddelen waren verloreh' 
g€lÉ;aan, en zt\& de drager der geneeskundige instrumenten wsüT 
met die onmisbare voorwerpen verdwenen. 

Dé dappere, maar bovenal menschlievende en trouwe génëés- 
hWéi" dacht in al dat doodsgevaar, te midden van dien kogeiregeü^ 
afltsren en het eerst 'aati de aan zijne zorg en zijne kunde toever- 
trouwde gewonden. Grootsche en bewonderenswaardige zelfop- 
offering, het gevolg van een ridderlijk hart en de uitwerking vèn' 
edêr plichtbesef en van groote kameraadschappelijke trouw. 

Biiihëii die omsloten ruimte waren weldra bijeen, 

de Kapitein J. C. Lindgreen, 

de Öffider van Gezondheid 2® klasse S. Ujlaki, 

dé Uuitenants der Infanterie, £. de Graaf en H. de Jong, 

dé 'Luitenant van den Trein A. van der Plank, 

béttéV^Qs 80 valide onderofficieren en manschappen , 10 dwang- 
arbeiders en 40 gewonden. 

Uiterst bedaard en duidelijk, alsof het eene oefening gold en 
niet dé verschrflckélijke werkelijkheid, nam de Kapitein Lindgreen, 
op Wièüé schoudert nu' eene groote verantwoordelijkheid rustte , 
dè^nlèleBtt'uitgébJrëide maatregelen voor de betrekkelijke veiligheid 
vSn' zijnen tfoep, zoowél tegen *svijands vuur als tegen eéBL 
tdög^iptéti kléwang aanval. 

Ni:% altijd ' denkende dat de expeditionaire macht te Tjakra 
Mlé^lSüra móést zijn, verwonderde de Kapitein zich er reeds ovéf 
dat op dat ontzettende vuur geen troepen tot zijne hulp opdaagden 
en overwegende dat de Opperbevelhebber met den ongelukkigen 
étt' benarde toestand der kómpagnie onbekend moest zijn» 



74 SBNS CAPITULATDE NA KBM 



hiï eene patrouille uit te zenden , om den Generaal van 
een en ander ojj» de hoogte te stellen. 

Daar het onmogelijk zonde sip. zich langs den grooten weg 
te bewegen, waar juist de verschrittel^bft aanval had plaats 
gehad, en dus binnen-wegen gevolgd moesten woideA» werd als 
kommandant dier patrouille aangewezen de Luitenant H. ƒ. ds. 
Jong, die van af den aanvang der bezetting van Tjakra N^;ara 
in de gelegenheid was geweest om zich in dat doolhof van muiren 
en smalle wegen te orienteeren; voor deze moeielijke en hoogst 
gevaarlijke taak werden hem 2 flinke onderofficieren en 22 der. 
meest valide soldaten medegegeven. 

Gaarne had de Kapitein Lindgreen dien tocht met zijne geheele 
macht gedaan, doch de troep was tot machteloosheid gedwongen 
door het groot aantal gewonden, die onmogelijk medegevoerd 
konden worden en die hij ook niet in 's vijands handen wilde 
a.chterlaten. 

Beleidvol en heldhaftig volbracht de onverschrokken Luitenant 
de Jong zijne belangrijke en zware taak, doch de toestand der 
expeditionaire macht en de omstandigheden waren van dien aard 
dat, hoe den Generaal ook 't harte bloedde om het ongelukkige 
lot der krijgsmakkers, hij de kompagnie Lindgreen aan zich 
zelve en aan het beleid van haren Kommandant moest overlaten. 

Gelukkig was die onbeschrijfelijk moeielijke en hoogst gewichtige 
taak in goede handen. 

De toestand van die kleine, aan alle zijden ingesloten, en 
overal bedreigde en bestookte macht was bijzonder hachelijk. 

£r was geen bete broods en geen droppel water voorradig en, 
slechts door de breedte van den grooten weg van hen gescheiden, 
zaten honderde Balineezen gewapend met repeteergeweren, 
waarmede zij een aanhoudend vuur onderhielden, zoodat de 
kogels als eene hagelbui binnen de kleine besloten ruimte vielen, 
waar noch voor de gewonden, noch voor de valide soldaten veel 
dekking tegen dat vuur te vinden was. 

Allen, maar vooral de gewonden, leden hevig door den dorst 



HABDKEKKIGEN STBUD OP LOMBOK — 1894 Ift: 

^ de meoschlievende geneesheer, wiens taak 't was te helpen, doch 
die niet helpen kon daar hij aan alles gebrek had, deed het onmo* 
gelijke, hoe wanhopend hij zich ook gevoelde in zijne machteloos- 
heid, terwijl het manhaftige geduldige lijden der gewonde makkers 
zijne krachtige ziel met medelijden en bewondering vervulde. 

Lindgreen en met hem de Officieren en minderen waren 
onvermoeid werkzaam. 

Trots het hevige vuur liet de Kapitein onder zijn toezicht de 
lichamen der gevallenen die het dichtst bij den muur lagen, waar- 
achter de troep eenige dekking gevonden had, naar binnen halen; 
op die wijze redde hij voor 't oogenblik nog eenige gewonden, wier 
toestand daardoor wel niet bijzonder veel verbeterde, maar die 
zich toch eenigszins veilig gevoelden , nu zij te midden der makkers 
waren en onder toezicht van een geneesheer, die, al kon die 
brave Officier slechts weinig doen om hunne pijnen te ver- 
zachten, hun toch een woord van troost en bemoediging kon 
toespreken, en met zorgvolle hand eenige verzachting aanbrengen. 

Na het vallen der duisternis, deed Lindgreen gedurende den 
nacht met de grootste onverschrokkenheid een zestal uitvaDen, 
waardoor het hem gelukte, behalve nog eenige gevallen makkers , 
4 vaatjes patronen, eenige kisten met levensmiddelen en vooral 
eenig water, binnen de enceinte te brengen. 

Moet den Officieren en soldaten den meesten lof toegezwaaid 
worden voor hunnen volhardenden, rusteloozen ijver en hunne 
groote onverschrokkenheid, allen verdienen in de eerste plaats 
de hoogste en meest onverdeelde bewondering voor hunne zelf<r 
verloochening en hunne schoone kameraadschappeiijke opoffering, 
want hoe afgemat zij ook waren, hoe zij ook versmachtten van 
dorst die hen zoo hevig kwelde, hoe zij ook verlangden naar 
een druppel vocht, geen hunner deed ook zelfs maar eene poging 
om. iets van dat weinige water, dat zij met gevaar van hun 
leven meester geworden waren, voor zich zelf te behouden! .., 
aAes dtonden zij af aan de gewonde makkers. 
Die daad is grootsch en verheven ! . . . . 
Onder den invloed van de heilige kameraadschappeiijke trouw 



76 BKNE CiPITÜLATIK NA. SEM 

kent de opoffering en zelfverloochening onzer braven van hét 
Indische Leger geene grenzen. 

De nacht in dat bedreigde bivak van den 27"» op 28*° Augus^ 
tus was een nacht vol lijden en ellende en scheen voor dt 
bezetting eindeloos te duren, terwijl aan rusten niet te denken 
viel, doch niemand liet den moed zinken waar de Kapitein zoo 
onvermoeid en zoo beslist handelde en voorging. 

Ook de dageraad bracht geene verlichting, geen hulp en geen 
hoop, doch de bijna stellige zekerheid dat de rest der kolonne 
in de pan gehakt was, want onder de van den grooten weg 
binnengehaalde lichamen der gevallen makkers, herkende men 
het lijk van den algemeen beminden Overste van Lawick van 
Pabst, die aan het hoofd der kolonne het verradelijke Tjakra Negara 
was binnen gerukt; dat overschot zou zeker door niemand in den 
steek gelaten zijn, zoolang er maar eenige mogelijkheid was 
geweest om het mede te voeren. 

Des nachts waren eenige geblesseerden aan hunne wonden 
overleden, die des morgens met den Overste van Lawick van 
Pabst en een elftal anderen eerbiedig binnen het toevluchtsoord 
van den troep aan den schoot der aarde werden toevertrouwd, 
bij welke plechtigheid de Luitenant van der Plank voor de tweede 
maal werd gewond. 

Eerst daarna werd zoo goed mogelijk eene kleinigheid van den 
des nachts binnengehaalden voorraad verdeeld en genuttigd, 
maar wat het heerlijkste was, men kreeg ook een weinig water, 
dat de onvermoeide Lindgreen in den put eener naburige 
woning gevonden had, en hoewel dat vocht niet bepaald aan 
alle eischen van goed drinkwater voldeed, zoo werd het toch 
uiterst behoedzaam doch met buitengewone graagte als eene 
heerlijke lekkernij gedronken. 

Weldra verscheen een Balinees met een witten lap tot teeken 
dat hij een parlementair was, en overhandigde aan den Kapitein 
een brief van den Kroonprins, Goestie Ketoet, welk schrijven 
echter door niemand gelezen kon worden , daar het in de Bali- 
neesche taal' op een lotusblad gegrift was. 



HABDVKEKieiir 8TBUD OP LOMBOK — 1894 77 

Wat echter belangrijk was voor den ingesloten troep, dat waren 
^e mondelinge mededeelingen die de boodschapper deed. 

Dese deelde omstandig de verschrikkelijke gebeurtenissen van 
den Moedigen overval mede en voegde er bij, dat de geheele 
«zpeditie verslagen was en de overgeblevenen eene toevlucht 
liadden gezocht op de oorlogschepen, die terstond naar Java 
^varen teruggekeerd. 

Dit zeer overdrevene bericht, waren Lindgreen en zijn lotge- 
nooten wel geneigd te gelooven, want als er nog strijdbare troepen 
op Lombok geweest waren, zouden zij, naar hunne meening , 
«èker tot bevrijding der makkers zijn opgerukt; doch de Kapitein 
besefte tevens, dat al waren de berichten ook misschien overdreven, 
de toestand van de expeditionaire macht toch in elk geval van 
dien aard was, dat hij nu geheel op eigen krachten moest steunen. 

De parlementair, die teruggezonden werd met het verzoek om 
den brief in de Maleische taal met Hollandsche karakters te doen 
schrijven, berichtte nog dat de Kroonprins eenige krijgsgevan- 
genen gemaakt had, die goed werden behandeld en verzorgd. 

Van af het oogenblik dat de boodschapper zich met den brief 
aangemeld had, was het vuur des vijands gestaakt en zoolang deze 
afwezig bleef werd er geen schot gelost, welke gelegenheid door 
den troep benut werd om nog eenige voorzieningen in het belang 
zijner veiligheid te treffen. 

Weldra keerde dezelfde persoon met een voor Lindgreen lees- 
baar briefje terug, door den Kroonprins als Generalismus ge- 
teekend, waarbij aan de ingeslotenen eene eervolle capitulatie 
werd toegezegd en de belofte gedaan, hen aan de te Ampenan 
verblijvende troepen te zullen uitleveren, mits zij de wapenen 
overgaven. 

Eene capitulatie , door een Inlandschen vijand vooigesteld die nog 
200 pas een bewijs van laag verraad had gegeven, werd door 
allen , gewaarschuwd door de ondervinding en de krijgsgeschiedenis, 
met wantrouwen b^oet Dit, en de omstandigheid dat uit dien 
brief op te maken was dat er nog troepen te Ampenan waren ^ 
/gaven Lindgreen aanleiding om het voorstel zoo beslist mogelijk 
U 6 



78 BBNB CAPITULATIB NA KXN 

té weigeren, want als de ondergang der dapperen door den vijand 
besloten was, wilde hij in elk geval beproeven zich door dé 
vijandelijke horden heen te slaan en was dit onmogelijk, dan 
als soldaat met de wapens in de hand te sterven. 

Nauwelijks was de parlementair met het hooghartig weigerend 
antwoord bij de zijnen teruggekeerd, of van alle zijden, uit de 
boomen en van de daken der huizen werd het moorddadig vuur 
der Balineezen hervat, waardoor weder terstond eenigen en 
daaronder een paar reeds geblesseerden gewond werden. 

Gelukkig was door den ijverigen geneesheer in eene nabij zijnde 
woning eene niet te versmaden hoeveelheid schoon linnen ge- 
vonden naast een boven aarde staand gebalsemd lijk, zoodat 
het hem mogelijk was, ofschoon op zeer primitieve wijze, de 
verbanden te vernieuwen, daarbij pluksel bezigende gemaakt uit 
den gedroogden bast der pisangboomen. 

Onder aanhoudend strijden en waken en daarbij gebrek lijdende 
aan voedsel en lafenis sleepten zich de dagen en nachten voorbij 
tot den morgen van den 29^ Augustus, zonder dat men door 
het aanhoudend doen van verkenningen middels sluippatrouilles 
iets meer op de hoogte was gekomen van den te volgen weg^ 
om uit die benarde stelling te geraken en Ampenan te bereiken. 

Dien morgen werd hunne hoop op ontzet weder levendig, want 
plotseling klonken van de zijde van Ampenan twee zware kanon- 
schoten, zoodat hun vermoeden dat de troepen het eiland niet 
verlaten hadden, nu zekerheid werd en dus nog het uitzicht be- 
stond op eene spoedige bevrijding. 

Lindgreen gelastte nu twee dwangarbeiders om, door 's vijands. 
linie sluipende , een brief aan den Generaal Opperbevelhebber te 
brengen, hen daarbij eene flinke belooning en geheele kwijt- 
schelding van straf belovende. 

Dat schrijven bereikte den Opperbevelhebber nooit 

Die dag en ook die van 30 Augustus gingen even als de 
vorige str^dend en wakend voorbij , doch de troepen werden hoe 
langer hoe meer uitgeput en de toestand voortdurend slechter»^ 



EABDNSKKieSN STBUD OP LOMBOK — 1894 79 

wijl de Balmeezen stellages hadden opgericht, waardoor zij nu 
dé geheele binnenruimte van het toevluchtsoord bestreken. 

Daar door het voortduren van dien toestand allen zeker te 
gronde zouden gaan, besloot Kapitein Lindgreen van twee kwaden 
het beste te kiezen en te redden wat te redden viel, door zich 
met achterlating der gewonden door den vijand heen te slaan. 
Hoe zeer het hem ook smartte de hulpbehoevende makkers in 
'svijands handen achter te laten, was hij toch, wilde hij nog 
iets redden, daartoe genoodzaakt, want bij die hoogstgevaarlijke 
en moeielijke poging tot doorbraak , waarbij natuurlijk over tallooze 
muren moest geklommen worden en de krachten van alle valide 
combattanten noodig waren, was het onmogelijk zich met het 
vervoer van 23 zwaar gewonden te belasten, daar deze alle ge- 
dragen moesten worden. 

£n in dien treurigen toestand naderde de 31® Augustus, de 
verjaardag onzer geliefde Koningin, anders een feestdag vol 
vreugde en heerlijkheid. 

Hoe weinigen in Nederland zullen in den roes der feestvreugde 
ook maar een oogenblik hmme gedachte gewijd hebben aan die 
dappere soldaten, door wie in een uithoek van Insulinde zooveel 
geleden en zooveel leed moedig gedragen werd, en toch was er 
onder die allen niet éèn, die niet met liefde en trouw zijne 
Vorstin herdacht 

Dien nacht zou de uiterste poging gewaagd worden, waartoe 
alles in- de grootste stilte werd voorbereid, om de arme gewonden 
de waarheid zoolang mogelijk verborgen te houden. Alles, behalve 
wapens en mimitie en het weinige wat elk aan eten mede zou 
nemen, moest achtergelaten worden, terwijl tevens de harde en 
wreede, doch hoogst noodzakelijke bepaling werd gemaakt, dat 
ieder, wie het ook ware, die gewond geraakte en niet meer 
mede voort kon, zonder eenige verschooning aan zijn lot móést 
worden overgelaten. 

Het was alsof de vijand iets vermoedde, want zijn aantal was 
aangegroeid en zijn vuur woedde met verdubbelde kracht 

Zoodra de duisternis eenigen tijd ingevallen was en de vijand 



80 EBNX OAPITULATIK MA SKN 

blijkbaar minder waakzaam werd, sloop de Kapitein Lindgreen 
andermaal alleen naar buiten, om nogmaals voor den laatsten keer 
te beproeven den weg naar de rijstvelden te vinden, eene taak 
waarbij allen tot nog toe schipbreuk hadden geleden. 

Anderhalf uur bleef de Kapitein afwezig en in angstige span-* 
ning wachtte de troep zijne terugkomst af, want als hem een 
ongeval overkwam zou het verlies onberekenbaar groot zijn, daar 
hij niet alleen het hoofd, maar ook de ziel van den troep was. 

Doch ook de dappere beleidvolle Lindgreen moest terug- 
keeren zonder iets gevonden te hebben en had eindelijk zijne 
taak moeten opgeven, daar anders de gunstige uren van den 
duisteren nacht in nutteloos zoeken voorbij gingen, terwijl jzij 
zoo nuttig konden zijn voor den bedekten aftocht. 

Al wist men ook den weg niet, toch moest de poging gewaagd 
worden, want men was tot het uiterste gebracht en men kende 
in 't algemeen de richting naar de tot de vrijheid leidende vlakte. 

Begunstigd door de duisternis slopen allen die de wapens 
konden dragen, in drie afdeelingen verdeeld, één voor één zwij- 
gend doch vastberaden hunnen Kapitein na, het wapen ter ver- 
dediging gereed, en met een bloedend hart de gewonde makkers aan 
hun lot overlatende , zooals de gebiedende noodzakelijkheid dwong. 

Op die wijze was men een geheel uur bezig om een betrekkelijk 
korten afstand af te leggen, want telkens stond de troep voor 
muren die omgetrokken of overgeklommen moesten worden en 
telkens moest de troep halt houden, als de aanvoerder eenig 
verdacht gerucht vernam en meende ontdekt te zijn. 

In een klein door muren omringd en beschut vierkant liet 
Lindgreen een oogenblik halt houden om den troep eenigzins te 
ordenen en te doen rusten, terwijl hij zelf weder alleen op ver- 
kenning uitging; ook nu keerde hij na korten tijd weder onver- 
richter zake terug. 

Toen bood de Luitenant de Graaf zich aan om nogmaals eene 
poging te wagen om den weg in eene andere richting te zoeken 
en verwijderde zich daarop, gevolgd door den Inlandschen sergeant 
Sariman. 



BABDMKKXieiN 8TBIJD OP LOMBOK — 1894 81 

Geen tien minuten later klonken plotseling in den stillen nacht 
«enige Balineesche waarschuwende kreten en dreigende woorden, ge- 
volgd door een schot, waarop Lindgreen, vermoedende dat die beide 
tiitgetrokkenen in gevaar verkeerden, zelf dadelijk voorwaarts ging. 

Reeds spoedig ontmoette de E^pitein den sergeant Sariman , die 
hem rapporteerde dat zij onverwacht door eene Balineesche patrouille 
waren overvallen, waarbij Luitenant de Graat, door lanssteken was 
a^emaakt, terwijl hij gemeend had niet te mogen vuren, omdat 
hij daardoor de aanwezigheid der kolonne zoude verraden hebben« 

Beiden sleepten het lijk van den dapperen Luitenant mede, 
die, hoewel reeds vrij ernstig gewond, geen oogenblik zijne taak 
had neergelegd en zich in alle omstandigheden zoo helfhafüg en 
en onverschrokken had gedragen. Hij was gevallen moedig zijn 
plicht doende en door tal van lanssteken doorboord. 

Daar deze Balineesche patrouille nu de geheele vijandelijke macht 
alarmeerde, kon er aan voortzetting van den tocht niet meer ge* 
dacht worden, maar niet zoodra was men zich dat bewust of zoowel 
de Kapitein als de Geneesheer en de andere makkers dachten 
aan de arme gewonden die achtergelaten waren; onmiddelijk 
werd het terstond opgevat voornemen uitgevoerd en trokken eenigen 
er op uit om de gewonden te halen, die dan ook weldra met 
de kolonne in de nieuwe enceinte vereenigd waren. 

Ondertusschen had Lindgreen in dit nieuwe verblijl dadelijk 
de noodige maatregelen voor de verdediging genomen en geene 
seconde verloren doen gaan, wat wel noodig bleek, want nau- 
welijks was de geheele troep weder bijeen , of de vijand had ook 
het nieuwe toevluchtsoord ontdekt , waarop hij onder schreeuwen 
en gillen andermaal een moorddadig vuur opende. 

Des morgens bij den dageraad werd de betreurde Luitenant 
de Graaf en nog een des nachts gesneuveld soldaat ter aarde 
besteld en neerslachtig stonden allen bij de geopende groeve, 
bijna de makkers die daar rusten zouden benijdende, want 
hun eigen toestand was verschrikkelijk. 

Aan alle zijden door vijanden ingesloten, zonder voedsel, 
zonder drinken en weldra zonder patronen, was het voor de 



^ BXMS GAPITÜLATIB VA KEN 

uitgeputte soldaten onmogelijk om langer stand te houden; alles 
.was den dapperen hetzelfde , mits er uitkomst kwam en vol ver7 
wachtii^ staarden allen op het peinzende doch kalme gelaat yan 
hun aanvoerder, gereed om zijn bevel te volbrengen, hetzij eeix 
uittocht tot den laatsten strijd, hetzij de overgave. 

Eindelijk na ernstig overwegen en na raadpleging der overr 
blijvende Officieren en Onderofficieren besloot Lindgreen tot het 
voor elk soldaat en elk energiek aanvoerder pijnlijke alternatief « 
om de reeds aangebodene capitulatie aan te nemen, vertrouwende 
op het Vorstelijke woord van den Kroonprins. 

Op een blaadje papier uit zijn zakboekje gescheurd deelde 
Lindgreen den Kroonprins zijn besluit mede, waarop deze hem 
weldra bij zich ontbood om de voorwaarden te bespreken. 

Na eenigen tijd keerde de Kapit^ terug en gelastte den 
troep de wapens die zij zoo roemrijk gevoerd hadden neer te 
ieggen en over te geven, waaraan allen hoewel met weer^ii^ 
voldeden, maar zij onderwierpen zich aan het oordeelkund^ 
inzicht van hunnen dapperen aanvoerder, wien de tranen in de 
oogen stonden, toen hij het smartelijke ofifer door zijne brave 
3oldaten zag volbrengen. 

In hunne korte krijgsgevangenschap werden zij betrekkelijk 
goed verzorgd , dank zij de kloekmoedige en waardige houding 
van den Kapitein Lindgreen, die onbevreesd en ridderlijk voor 
de belangen der zijnen opkwam. 

Een bijzonder feit uit die krijgsgevangenschap zij nog vermeld. 

Op zekeren dag, waren de Officieren en soldaten bijeen in 
tegenwoordigheid van vele rijksgrooten en tal van gewapende 
krijgshaftige Baliêrs, toen eensklaps een granaat, uit onze liniên 
te Ampenan a^eschoten, in de nabijheid der vergadering terecht 
kwam en uiteenbarstte, waarop de anders zoo dappere Balineezen 
een goed heenkomen zoditten, doch onze soldaten, het voorbeeld 
hunner Officieren volgende, bleven doodbedaard en kalm op hunne 
plaats zitten, als ging hun noch dat schieten, noch die invallende 
fanaten die dood en verderf verspreidden ook maar iets aan. 



HASDNEKKIOBN STRUO OP LOMBOK — 1894 83 

Lindgreen door Balineezen ondervraagd over de reden dier 
kalme, onverschillige houding van zijn troep in dat groote gevaar, 
gaf den vrager bedaard en glimlachend ten dJiXwooxéf i^^de kogels 
der kompagnie doen de kinderen der kompagnie geen kwaad hy^ 

Eindelijk werd het woord van den Kroonprins ingelost en den 
7«> September werden de dappere krijgsgevangenen door de 
troepen onder den Overste A. H. W. Scheuer, die Kale bezet 
hielden, met groote hartelijkheid en geestdrift ontvangen. 

Het leed was geleden, doch de herinnering bleef, de herinne- 
ring aan de doorgestane gevaren en de geleden ellende , maar vooral 
die aan onvergetelijke heldendaden en aan schoone ridderlijke 
kameraadschappelijke trouw. 

£ere zij den Officieren en vooral den aanvoerder , die zoo be- 
leidvol en zoo onvermoeid de verdediging leidde en allen ten 
voorbeeld was, die zoo zelfverloochenend in het belang zijner 
ondergeschikten eigen voldoening en eigen fierheid wist te be- 
heerschen, die hoewel krijgsgevangen onbevreesd in het belang 
zijner soldaten optrad, en ook toen door zijne kloekmoedige en in- 
drukwekkende houding den vijand nog ontzag wist in te boezemen. 

Eere zij den geneesheer, die met zijn toegewijd personeel , zijne 
menschlievende taak op de meest uitgebreide en grootsche wijze 
opvatte en die geen oogenblik verzaakte; die met bewonderens- 
.waard^en moed en onverflauwde volharding de aan zijne zorg 
toevertrouwden hulp verleende , hoe gebrekkig de hulpmiddelen ook 
waren die hem ten dienste stonden, doch die door zijn praktischeü 
jgttst en zijn helder doorzicht zoo goed mogelijk aanvulde. 

Eere zij den minderen, die zoo moedig streden, zoo geduldig 
wisten te lijden, zooveel kameraadschappelijke trouw betoonden en 
200 onvoorwaardelijk wisten te gehoorzamen. 

Maar ook eere zij den vijand, die getrouw aan het Vorstelijke woord, 
n^ den heeten strijd een overwonnen en oi^twapenden tegenstand^ 
edelmoedig behandelde en eerbiedigde, eenerididerlijke handeling 
die des te meer uitblinkt nu zij bij den Inlandschen vijand des te 
:2eldzamer is en weinig strookt met hupne wraakgierige inborst 



De Luitenant der Infanterie H. M. Vis 

en het Korps Marechaussee te Aljeh 

1896 (*) 



Soldaat: een beetemming 
Soms jaren betreurd, 
Sen* roeping die de armoe 
Op *t voetstuk soms beurt. 
Yemeed*ring en grootbeid 
Vaak grillig verplaatst; 
Veel distien en doornen, 
Maar Uuwers er naast 

W. J. VAN ZBGOBLBir. 



De laatste r^el van dit motto voltooit op schitterende 
en veelzeggende wijze van Zeggelen's schildering van den sol* 
datenstand. 

€€Maar Lauwert ir naast h"» Het verkrijgen dier lauweren is 
voor den soldaat van den eersten dag zijner indiensttreding af 
zijn doel, daarvoor doet hij meer dan zijn plicht, daarvoor heeft 
hij zijn leven veil. Die lauweren vergoeden den soldaat alUsf 
Me doorgestane gevaren, alle ondervonden teleurstellingen, alle 
verduurde ontberingen, alle geleden smarten, wonden, vermin- 
king, alles wordt door den soldaat niet meer geteld, zoodra de 
Koninklijke belooning, het Kruis van moed, beleid en trouw, zijne 
borst mag versieren. 

Het toppunt van eer, roem en glorie is echter, wanneer, 
de verrichte feiten, die aanspraak op eene dergelijke beloomng 
geven, van dien aard zijn, dat door de gewone schriftelijke 
voordracht met de daaraan verbonden bureausleur, die belooning 



{*) Reeds van de hand des schrijvers verschenen in de Wereldkroniek 
1897. 



DB LUITBNAMT DER IHFANTERIE H. M. YIS. 85 

te lang op zich zoude doen wachten, terwijl de schitterende 
daden zóó voor zich zelve spreken, dat veel omschrijving on« 
noodig is en de toekenning van het Ridderkruis aan geen twijfel 
onderhevig kan zijn, zoodat de Opperbevelhebber eene telegraphische 
voordracht noodig en ook voldoende acht Vooral is dit het 
geval, wanneer zulks niet alleen de meening van den Opperbe- 
velhebber is, maar ook die van de Che&, de kameraden en de 
ondergeschikten, zoodat bij het bekend worden der verieende 
onderscheiding geen enkele wanklank gehoord wordt en allen 
zonder onderscheid den gelauwerde die ongewone benoeming als 
welverdiend van harte gunnen. 

Die eer, dat zeldzame geluk van roem en glorie viel den i^ 
Luitenant der Infanterie van het Indische Leger H. M. Vis ten 
deel, die bij Koninklijk besluit van 8 Juni 1896 N^ 29, voor zijn 
gedrag bij de krijgsverrichtingen te Atjeh gedurende de maand 
Md, benoemd werd tot Ridder 4® klasse der Militaire Willemsorde. 

Den 31^ Maart van dat jaar begonnen de jongste onlusten 
op Atjeh en reeds den 10^ Jimi werd Luitenant Vis bij den 
Generaal Vetter ontboden, die hem het verassende en heugelijke 
nieuws mededeelde, en toen tevens een Ridderkruis op zijne borst 
hechtte. 

Het eerste oogenblik was hij als verstomd, want hij wist van 
niets, doch toen zijn blik op dat heerlijke Ejruis viel dat op zijne 
borst schitterde, toen voelde hij zich als opgeheven; toen zwol 
die borst van trots en geluk, want zijn doel was bereikt, hij 
had zich zijn braven vader waard^ getoond. 

Doch toen hij, aan alle zijden omringd, zich handen zag 
toesteken om hem geluk te wenschen, toen hij in aller oogen 
las hoe gaarne zij hem die bijzondere onderscheiding .gunden,, 
toen het algemeene gejuich losbarstte zoowel van Che&,alsvan 
kameraden en ondergeschikten, hem als 't ware ten tweede male 
tot Ridder slaande, toen werd de gewaarwording gelukzaligheid en 
CGQe onbeschrijfelijke weelde vervulde zijn geheele ziel, toen om 
hem heen als uit duizende monden de juichtoon ten Hemel 
steeg, 



86 Dl LÜITENAMT OER IHFANTERIE H. M. VIB 

mJav€ Vis/» ^Litfe Henri van dt Marechaussees {^)^ toen ook 
gaf zij^ hart zich eindelijk lucht en uitte zich in den kreet , 
iijjeve de Koningin /».... ^tljtoe de Marechaussees /». ... 

Ik wil mij er toe bepalen een kort overzicht te geven van eenige 
door dien jongen doch kranigen Officier verrichte heldenfeiten , 
zpoals mij die op mijne navraag door derden werden medegedeeld, 
opdat de Hollandsche natie meer en meer zijne helden leere 
waardeeren door de kennis der feiten, de heerlijke daden van 
moed, beleid en trouw voor de vergetelheid bewaard wordenen 
tevens blijke, hoe energie, moed en volharding zelüs in de 
mindere rangen soms den doorslag geven tot het succes. 

Luitenant Vis was ingedeeld bij het Korps Marechaussee en 
de door hem verrichtte schitterende daden, zijn zoo ingeweven 
in de geschiedenis van dat kranige Korps, dat beiden als het 
ware onafscheidelijk zijn en het niet mogelijk is, van den eeneü 
iets te verhalen, zonder daarbij het andere te noemen. 

Het korps Marechaussee te Atjeh werd opgericht ingevolge 
Gouvemements Besluit van 2 April 1890 N® 10. 

De eerste Kommandant was de Kapitein der Infanterie G. G. J,. 
Notten; na hem voerde de Kapitein R. Bakker, dat bevel en 
later stond dat korps onder Kommando van den Kapitein der 
Infanterie Jh' G. J. W. C. H. Graafland. 

Het korps Marechaussee is een keurkorps, aangevuld uit 
de moedigste en meest geoefende militairen en een troep die te Atjeh 
bij alle moeielijke en gevaarlijke tochten de hoofdrol speelt. Dé 
Marechaussees staan voor niets , zij vormen eene volmaakte guenllar 
bende. Geen terrein is voor hen onbegaanbaar en geen vijand 
te sterk; zij kennen geen weifelen, hoe woest de streek en hoé 



-!-*• 



(*) De Luitenant H. BI. Vis was ingedeeld by het korps Marechaussee en 
•4ltt laatste was de algemeene bgnaam die hem gegeven was. Zoo'n bgnaam 
idoor het leger «elf gegeven , spreekt meer dan boeken vol loftuitingen 
kunnen doen. 



XN HIT KOBPS MABÉCHAÜSSÉK TB ATJKH — 1896 87 

diep de duisternis ook is, hoe groot de moeielijkheden ook zijn; 
de Marechaussee vindt zijn weg en weet met de grootste kaknte, 
zoo noodig onhoorbaar voortsluipend , de grootste gevaren te 
overwinnen, steeds het doel voor oogen houdende, ten einde 
op het juiste oogenblik gereed te zijn, om den vijand te ver- 
pletteren. 

Officieren en minderen, steeds de grootste gevaren deelende, 
leeren elkaar kennen en waardeeren en zijn aan elkander gehecht; 
;sy hebben in elkander een onbegrensd vertrouwen en stilzwijgend 
geldt bij hen de stelling, ^één voor allen , allen voor éénj^ De 
Officieren zorgen niet alleen als vaderlijke Chefe, doch als 
][>roeders voor hunne minderen en deze laatsten vereeren hen in 
de hoogste mate, zoodat zij vol vertrouwen elk bevel gehoor- 
zamen, al is de uitvoering ook nog zoo gewaagd en gevaarlijk. 

Met de Marechaussees kan men alles beproeven, alles wagen, 
2el& het schijnbaar onmogelijke, wat op Atjeh ook algemeen 
/erkend wordt, want het vertrouwen in dat kleine doch flinke. 
Korps is onbegrensd. 

De Marechaussees zijn over het algemeen weinig ingenomen 
met het vuurgevecht, doch hebben eene bijzondere voorliefde 
voor den aanval met de blanke wapenen; zij hunkeren naar 
het oogenblik om met bajonet of klewang den vijand te lijf te 
^^aan, en wanneer het korte bevel i^atiakeerem klinkt, dan gaat 
er als het ware een zegevierend gejuich uit de kleine schaar 
iOp; dan klinkt .hun aanvalskreet €Potong Kepala» (*), en als eene 
;l|twine stort zich het troepje helden, voorafgegaan door de Offi- 
-cieren, onverschrokken en met doodsverachting op den vijand, 
jK>ndegr dezen te tellen, allen voor zich uitdrijvende, geen genade 



(*) Potong Kepalaf ^den kop er a/Y* Een enkele maal is het vporge- 
komen, dat de Marechaussees in de hitte van het gevecht aan die be- 
dreiging gevolg gaven , doch daar waar de Officieren tegenwoordig zijn blgft 
het zeker by de bedreiging. De str^d met de blanke wapenen maakt deh 
teensoh wreed; in die oogenblikken zyn daden van woestheid te vergeven 
:en hg die nimmer in dien toestand verkeerd heeft, kan dat moeielgk be* 
oordeelen. 



88 DS LUITBNAMT DIB DfrAinXBIB H. M. YIS 

gevende en ook niet vragende, doch steeds zegepralend, zij het 
ook dikwerf ten koste van smartelijke verliezen. 

Die krijgskreet ^Potong KepaU» der Marechaussees is bij de 
Atjehers zoo bekend en gevreesd, dat daar waar hij hen als een 
bazuin des oordeels in de ooreü klinkt, zij bijna van geen 
tegenstand weten en een goed heenkomen zoeken, dat meesten* 
tijds vruchteloos is, want de dappere, vlugge Marechaussee weet 
hen in te halen en te verslaan. 

Is het dan wonder dat de Officieren, die weten wat hun 
troep waard is, met zulke soldaten alles durven ondernemen en 
ook alles met succes volbrengen, doch ook hen moeten bijzondere 
militaire eigenschappen sieren, zoodat even als voor de minderen 
reeds eene plaatsing bij dat korps voor de Officieren eene eer 
en eene onderscheiding is. 

Bij dien troep behoorde ook de Luitenant J. W. C. Vuyck, 
roemrijker nagedachtenis, wiens heldendood zoo schoon getee- 
kend werd door den heer G. B. Hooijer en wiens verlies zoo 
zeer, zoowel door kameraden als ondergeschikten, gevoeld werd, 
dat zij zich voornamen dien dood bloedig te wreken. 

£n zij hielden woord! 

Het waren treurige dagen die verliepen sedert het begin van 
het uitbreken der vijandelijkheden, tot de komst van Generaal 
Vetter op den 7^ April 1896; alles was gedrukt door het onzekere 
van den toestand, want de buiten de linie gelegen posten waren 
allen ingesloten en de beschikbare macht te klein om met succes 
tegen den zoo overmachtigen vijand op te treden. Toen echter 
de Regeerings-Commissaris met belangrijke versterkingen debar- 
keerde, wist men dat het oogenblik van handelen was aange- 
broken en de ingesloten posten spoedig bevrijd zouden zijn. 

Reeds den 12^ April waren de posten Biloel en Lamkoenjit 
ontzet en verlaten. 

Van alle posten had men op de eene of andere wijze berichten 
gekregen, doch van Tjot Rang hoorde men niets; de insluiting 
van dien post door de Atjehers was volkomen. 



IK HBT KOBPS HABÉOHAÜSSÉB TK ATJKH — 1896 89 

. Den 14^ April rukten 3 kolonnes ter gezamentlijke sterkte van 
4 Bataljons Infanterie, 2 Bergbatterijen en de Marechaussees op» 
die elkaar zouden steunen om de bezetting van Tjot Rang af te 
lossen, waartoe de Kapitein S. A. Drijber met eene kompagnie 
der Koloniale reserve was aangewezen. 

Bij de eerste kolonne onder den Overste £. W. Bischoff van 
Heemskerck, waren de Marechaussees ingedeeld onder Luitenant 
Vis, die met zijnen troep, waarbij de Luitenant A. A. Dijkstra, 
de voorhoede vormde. 

De tocht voerde van Roempit over Lamgoet , eene groote kam* 
pong met blokhuis , de verblijfplaats van waar Toekoe Oemar was 
overgeloopen , en dus bestuurd door ons vijandige Hoofden. Onder 
het aanhoudende vuur des vijands trokken de Marechaussees vast- 
beraden de sawah over op de kampong aan , hoewel dit met de uiter- 
ste moeielijkheden gepaard ging, daar de vijand alles gedaan had 
wat hij kon, om de nadering als het ware onmogelijk temaken; 
de Marechaussees kalm en onverschrokken, voorg^;aan door 
hunne Officieren , kenden geene hinderpalen ; toen zij dicht genoeg 
genaderd waren klonk weldra het hun zoo welkome •atiakeerem 
en een oogenblik later was de vijand verslagen of gevlucht. 

Was de opmarsch naar Tjot Rang moeielijk geweest en had 
Luitenant Vis met zijn troep zich daarbij ter dege onder- 
scheiden, bij den terugtocht na de volbrachte aflossing, was de 
taak der Marechaussees bijzonder zwaar. De vijand omringde de 
terugtrekkende kolonne met haren grooten nasleep van karren 
en draagbaren aan drie zijden en drong telkens zoo onversaagd 
mogelijk naar voren. Aanhoudend moesten zij door Vis met zijne 
Marechaussees met de blanke wapens teruggedreven worden, 
zoodat telkens dan aan de eene, dan weder aan de andere zijde 
hun aanvalskreet i^Potong Kepalm weerklonk en zij door hunne 
tucht, onversaagdheid en geoeiendheid talrijker schenen dan zij 
werkelijk waren. Overal dreven deze dapperen den vijand voor zich 
uit, menig Atjeher viel onder hunne verschrikkelijke klewanghou- 
wen, doch zij zelf verloren daarbij 15 man aan dooden en gewon- 
den, zijnde \ van het totale verlies der drie kolonnes tezamen. 



90 DB LUITBNAMT DXB IKFAMTKRI8 H. M. VIS 

£r was dien dag slechts één roep over de prachtige, goed 
geordende en onweerstaanbare aanvallen der Marechaussees, 
getuigende van hunne dapperheid en de uitstekende leiding der 
Officieren, die steeds ter juister tijd en ter geschikter plaatse 
met hunne dapperen beslissend wisten op te treden. 

Den 17^ April daaraanvolgende bij de opheffing der posten 
Anagaloêng, Lambarih, Lamsoet en Senelop toonden de Mai'é- 
chaussées, en daarbij onze brave Vis, zich weder in al hunne 
kracht en deden wonderen van moed en beleid, even als altijd 
onvermoeid, o&choon hunne taak dien dag dubbel zwaar was. 

De Marechaussees waren dien dag ingedeeld bij de kolonne 
ónder den Overste J. B. van Heutsz , die op den rechteroever der 
Atjeh-rivier zoude ageeren, doch die door het te spoedig terug- 
trekken der kolonne op den linkeroever na den afloop harer 
opdracht, in eene hoogst netelige positie werd gebracht. 

Bij den opmarsch van Lamboeroe naar Senelop, moest de 
kolonne zich telkens door den vijand heen slaan, waarbij de 
Marechaussees door hunne voortdurende prachtige aanvallen de 
flanken der kolonne vrij hielden. Bij Lam Sinsing deden de 
Marechaussees een zoo onverhoedschen en zoo vreeselijken 
aanval , dat het hun gelukte, een groot aantal Atjehers af te snijden 
en af te maken. 

Hoe aanhoudend zij zich ook her- en derwaarts hadden moeten 
bewegen, toch was Vis met de zijnen het eerst te Senelop. 

£erst vrij laat was de kolonne voor den terugtocht gereed. 
Het liet zich reeds van den beginne af aanzien, dat die terug- 
tocht met vele moeielijkheden zoude gepaard gaan, daar de 
vijand niet zoude nalaten de kolonne te verontrusten. Toen deze 
met haren grooten nasleep van karren , koelie's , bespannen vuur- 
monden en ander materieel zich niet zoo spoedig kon bewegen, 
kreeg zij door het ontijdig teruggaan der kolonne op den 
linkeroever der Atjeh-rivier, nu de geheele beschikbare Atjehsche 
strijdmacht tegenover zich en werden de bezwaren dus oneindig 
grooter dan verwacht was. 



BN HST KOfiPS MABÉOHAÜSSÉB TB ATJBH — 1896 91 

Ook nu was den Marechaussees de zorg opgedragen om de 
flanken der kolonne tegen de aanvallen der vijanden te be- 
schermen, en hoewel thans nog meer van hen gevergd werd 
dan bij den opmarsch, volbrachten zij toch hunne zware taak 
met het meeste succes. Wel werd de vijand hoe langer hoe 
tahijker en brutaler, doch de Marechaussees verdubbelden zidi 
als het ware en overal waar de vijand te veel opdrong, vond 
hij die dapperen tegenover zich. 

Door het moeielijk begaanbare terrein was de Artillerie , onder 
den Luitenant J. B. van Zon, geheel afgezakt tot aan den staart der 
kolonne; de dekking der Artillerie was iets ter zijde gegaan, ten 
einde een gevreesden klewangaanval der Atjehers te verijdelen; 
hijgende en afgemat trachtten de Artilleristen met behulp der 
bespanning de stukken vooruit te brengen, toen helaas, de Lui- 
tenant van Zon, door een kogel in de borst getrofifen, ter aarde 
stortte en de zijnen niet meer kon aanmoedigen*). 

Van dat oogenblik maakten de Atjehers gebruik om op de 
stukken toe te springen, de bedienings-manschappen te verdaan 
of terug te drijven en zich van de beide kanonnen meester te 
maken, waarvan zij reeds dadelijk de muildieren hadden afge- 
spannen en zich gereed maakten, hun buit in veiligheid te 
brengen. 

De Atjehers hadden hierbij echter niet gerekend op Luitenant 
Vis met zijne Marechaussees. 

Vis, die aan alle zijden waakzaam was, had niet zoodra de 
benarde positie der Artillerie gezien, of zonder dralen gaf hij zijn 
troep de zoo gewenschte order, ^attakeerem. 

Eensklaps klinkt boven het geknetter van het geweervuur en 
het geweld van het gevecht, de kreet ^Potong kepala» en onweer- 
staanbaar stormt Vis met de zijnen voorwaarts de vreeselijke 
klewangs zwaaiende. Reeds die kreet h^d uitwerking en deed 
den vijand, die een oogenblik van zijn triomf genoot, sidderen. 



f^) Acht dagen later overleed deze brave Officier aan de gevolgen van 
zgne bekomen wond. 



92 OK LUmNANT OBB INFAMTERIB H, M. TIS 

doch voor hij eenigszins tot besef was gekomen had reeds Vis 
hem bereikt en vielen reeds de eerste slagen. 

Na een kort doch verwoed gevecht was de vijand verslagen, 
hadden de Marechaussees de stukken geschut heroverd en 
brachten die onder een luid ^Hoerd^ met vereende krachten 
bij de kolonne terug. 

Even Ëüs reeds zoo menigmaal behoorde een groot deel van 
de eer van den dag aan de Marechaussees, die tot het einde 
toe onvermoeid hunne taak volbrachten, tot heil der kolonne 
en tot schrik des vijands. 

Den Luitenant M. Neelmeijer, waarnemend Controleur te Pakan 
Kroeng Tjoet, was opgedragen om te trachten het weerspannige 
hoofd Toekoe Tjoet Toengkoep, die volgens berichten verblijf 
hield in eene versterking nabij onzen post te Boekit Karang, gedu- 
rende den nacht van 28 op 29 April op te lichten. 

Voor dien tocht werd niet alleen veel moed doch ook veel 
behendigheid en tegenwoordigheid van geest vereischt, want de 
overvalling moest gedurende de duisternis des nachts plaats 
hebben en zoodanig, dat men den gewoonlijk nog al waakzamen 
vijand konde verrassen. 

De Marechaussees werden aangewezen, om den waamemenden 
Controleur ter zijde te staan en als Officieren waren daarbij inge- 
deeld de Luitenants H. M. Vis en A. A. Dijkstra. 

Behendig in alle stilte langs weinig bekende voetpaden en door 
struikgewas voortsluipende , van tijd tot tijd stilstaande om zich 
te orienteeren , of met ingehouden adem naar verdachte geluiden 
luisterende, steeds tot den strijd gereed, bereikte de kleine troep 
eindelijk de gezochte versterking, doch door de aangebrachte 
hindernissen waren de palissaden niet te bereiken en de] poort 
was gesloten; toch moesten zij trachten onbemerkt binnen de 
versterking te komen en den vijand te verrassen. 

Wat voor anderen wellicht een hinderpaal zou geweest zijn, 
was het niet voor Vis en de zijnen, die geen weifelen kenden en 
die volkomen op elkaar vertrouwden in leven en dood. 



KK HBT SOBPS MABÉOHAUSSÉK TB ATJSH — 1896 dS 

Fluks werden een paar Marechaussees over de poort geholpen 
•en op gevaar af om den wreedoi vijand, die wellicht eigens ver- 
scholen was, in handen te vallen, sprongen zij moedig naar 
binnen en ontgrendelden de poort, zoodat Vis de woning waarin 
de bezetting rustte reeds had omsingeld, voor dat de vijand iets 
van den toeleg bemerkt had. 

Op de sommatie om naar buiten te komen en zich over te 
geven gaf de vijand een ontkennend antwoord, en maakte zich 
tot de verdediging gereed. 

Ook hiertegen wisten de Marechaussees raad; zij staken 
eenvoudig het huis in brand, waarop de zich daarin bevin- 
denden wel naar buiten moesten komen, wat zij dan ook 
4eden, doch tevens wierpen zij zich onmiddellijk met alle doodsver- 
achting op de aanvallers, zeer naar den zin onzer brave soldaten, 
wien de klewang in de hand trilde. 

Een kort handgemeen volgde en weldra waren 8 vijanden 
gesneuveld, doch slechts i Marechaussee gewond. De overigen 
gaven zich over en Vis keerde met zijne gevangenen^ na de 
versterking verbrand te hebben, terug, zonder verder eenigen 
overlast van den vijand te ondervinden. 

Toekoe Tjoet Toengkoep was in dien strijd gevallen. 

Tot 25 Mei genoten Vis en de zijnen eene betrekkelijke rust, 
want bijna dagelijks moesten kleine tochten worden gemaakt, die 
«echter van weinig belang waren. 

Den 23®° Mei was echter besloten om voor goed af te rekenen 
met Toekoe Oemar, die zich te Lam Pisang bevond en zich 
daar en in het voorgelegen terrein duchtig versterkt had. 

Onder de vele genomene maatregelen was ook deze: «eene 

J^olonne bestaande uit het 3® Bataljon In&mterie, de Marechaussees 

en 2 sectiên Bergartillerie onder den Overste J. B. van Heutsz, 

zoude van uit Ketapan Doewa door Lam Pasai en over het 

gebergte, de hoogte Gleh Poetih bezetten, door welke hoogte 

^svijands stelling te Lam Pisang gedomineerd werd. 

Deze tocht was vooral voor de voorhoede vol moeidijkheden 
ü 7 



94 DB UHTBiAXT DKE INFAKTBBIB H. M. YIS 

ea^ gevaien, doch dat was juist een kol^e naar de hand van 
onzen dapperen Vis en zijne Marechaussees, die daartoe waren 
aangewezen. 

De marsch moest gedurende den nacht worden gemaakt en wet 
in alle stilte en met alle omzichtigheid, daar de te volgen weg als het 
ware tusschen de vijandelijke posten doorvoerde en één enkele 
kreet, ééne enkele onvoorzichtigheid, konde niet alleen den troep 
te midden der vijandelijke drommen ten verderve voeren, doch 
ook het geheele plan van aanval in duigen doen vallen. 

Juist daarom was het iets voor de Marechaussees, aangevoerd 
door den Luitenant Vis, die hen reeds zoo menigmaal ter over- 
winning had geleid, terwijl achter hen de dappere beleidvolle 
van Heutsz was, die hen wel in het gevaar zond, doch niet 
nalaten zoude hen zoo noodig daaruit te verlossen. 

Des nachts ten 2 ure ving het troepje den gevaarvollen tocht 
met moed en zelfvertrouwen aan. Klonk op andere tijden him 
dreigend en onheilspellend krijgsgeschreeuvf ^ ^Poiong Kepala» , Imd 
boven het strijdgewoel uit, nu was stilte, sluipend marcheeren 
en voorzichtigheid plicht , want zelfs het minste geritsel moest Ver- 
meden worden. Geen commando werd gehoord, geen kreet ol 
zucht geslaakt, gehoorzaam volgden allen geruischloos hun Officier, 
en zoo voortsluipende werd de voet der hoogte bereikt, waarvan 
de top 250 meter boven hen, door de duisternis onzichtbaar was. 

Moeielijk en afinattend was de bestijging, terwijl men elk 
oogenblik struikelde over hindernissen, die door de duisternis- 
onzichtbaar waren. Doch geene aanmoediging was noodig. Stil- 
zwijgend, volhardend en geduldig werd de tocht voorgezet. 
Luitenant Vis onvermoeid en onversaagd vooruitgaande, de 
Marechaussees vol vertrouwen hunnen Officier volgende, terwijl 
de vijandelijke voorposten en wachten aan den voet der hoogte^ 
op zangerigen toon hun gebed prevelden. 

Bij het aanbreken van den dag was de top der hoogte be-^ 
reikt en was de krachtige gestalte van Luitenant Vis de eerste 
die zich boven vertoonde. De aanblik van boven deed al het 
doorgestane gevaar, al de geleden inspanning vergeten, want 



EN HST KORPS UARÉCHAtrSSÉB TB ATJBH — 1896 05 

stonden aan de eene zijde de vijandelijke voorposten die men 
sluipende gepasseerd was , aan de andere zijde bijna vlak aan 
hunne voeten lag Lam Pisang, de verblijfplaats van Toekoe 
Oemar. 

Zoodra de troep op de hoogte verscheen, bemerkten de vijande- 
lijke wachten hen ook; een gebrul van woede en teleurstelling werd 
uit hunne stelling gehoord en zij openden terstond een hevig 
vuur, doch te laat, want dit schieten werd door Luitenant Vis niet 
beantwoord, maar uit de repeteer-karabijnen een plongeerend 
vuur afgegeven op het verblijf van Toekoe Oemar , die daardoor 
op onzachte wijze uit zijn slaap werd gewekt 

Gaarne was het kleine troepje onder hun krijgsgeschreeuw naar 
beneden gestormd, om zich van den hoofdaanlegger van den 
opstand meester te maken, doch eene order hield hen aan de 
hoogte geboeid en ofschoon ongeduldig, toch hield men stand 
en liet aan anderen de eer over om Lam Pisang binnen te dringen, 
't Was jammer, want het zou een prachtigen slag voor de 
Marechaussees geweest zijn , terwijl Toekoe Qemar nu gelegenheid 
had om terug te trekken en te ontkomen. 

De tocht was vermetel en gewaagd, doch dank zij de goede 
leiding van den onverschrokken Vis en de geoefendheid en de 
gehoorzaamheid zijner mannen zonder verlies en met succes 
volbracht, 's Vijands kracht was gebroken en de eer van den 
dag behoorde hem en zijne dapperen. 

Na dezen tocht meende de Opperbevelhebber den dapperen 
Luitenant Vis in een anderen werkkring te moeten gebruiken en 
wel in die van waarnemend Controleur ; hoewel hij ook daar zijne 
energie en onverschrokkenheid kon ten toon spreiden , toch bleef 
hij gehecht aan het kranige Korps waartoe hij behoord had en 
waarvan elk man hem terug verlangde. 

Dit bleek weldra den 30®° Juni, toen een gevaarlijken tocht 
werd vastgesteld, waarbij weder de Marechaussees de hoofdrol 
zouden te vervullen hebben en de spits moesten afbijten. 



96 DE LÜITBKAMT DBS INFANTK&IB H. M. VIS 

Nauwelijks kwam dit onzen Vis ter oore, of hij stelde alles in 
het werk om den voorgenomen aanval als amateur met de 
Marechaussees te mogen medemaken, welke toestemming tot zijne 
blijdschap en die van het Korps gereedelijk verleend werd. Het 
eenige onderscheid tusschen den verleden en den tegenwoordigen 
tijd was, dat onze dappere Luitenant nu met het Kruis der 
Militaire Willemsorde op zijne borst prijkte, eene belooning die 
hij bij en door die Maréchausées verdiend had. 

Des morgens ten 4 ure verliet eene kolonne onder den Overste 
van Heutsz de versterking Lambaroe, om onze vroegere sterkte 
Anagaloëng, die nu door talrijke Atjehsche benden bezet was, 
te hernemen en te vernielen. 

Het geheele korps Marechaussees onder zijn Kommandant, 
den Kapitein Graafland, nam aan dien tocht deel en opende 
weder den marsch als voorhoede. 

Ook nu bewoog de troep zich zoo voorzichtig en beleidvol, 
dat zij vóór de versterking van Anagaloëng stonden , voor dat de 
vijand hen bemerkt had ; men moest nog slechts trachten binnen 
te komen. 

Kapitein Graafland nam terstond zijne beschikkingen. Luite- 
nant Vis en een troepje Marechaussees zou de versterking 
omtrekken, ten einde den vijand eiken uitweg ter ontvluchting 
af te snijden , en de rest zoude, onder den Kapitein en de overige 
Officieren, den vijand op hunne gewone wijze in front aanvallen. 

Een paar Marechaussees werden geholpen om op de oude wijze 
over de poort te klimmen, ten einde deze voor den troep te 
kunnen ontgrendelen, iets wat zonder stoornis gelukte. 

Eensklaps klonk het fluitje van den Kapitein, ten teeken dat 
de algemeene aanval op Maréchaussée's manier begon, en als 
antwoord daarop daverde over de vlakte de vreesselijke kreet 
^Potong Kepala.* 

Wat er toen gebeurde, kan zelfs bijna door niemand die er bij 
tegenwoordig was , nauwkeurig worden medegedeeld. Het was als 
het ware ééne woeste melée van 250 mannen, die elkaar met 



SN HST KORPS HARÊCHAUSSÉS TB ATJXH — 1896 97 

klewangs bevochten en geene genade verleenden. Hier in de 
bekrompen binnenruimte der versterking was het een verwoed 
gevecht, eene worsteling op leven en dood; sterven of over- 
winnen was de leuze. Boven het geschreeuw en het gegil der 
Atjehers, die uit alle hoeken en gaten op de aanvallers losstormden, 
klonk het onheilspellend ^Potong Kepala» der Marechaussees. 
Slechts enkele schoten werden gehoord; alles greep naar dat 
vreeselijke wapen, de klewang, en waar dat flikkerende staal 
neerkwam, daar velde het zijn vijand. Enkele Atjehers trachtten 
te vluchten, doch daartegen waakte Vis met de zijnen, en weldra 
was èn binnen èn buiten het gevecht algemeen. 

De strijd was hevig; het was een reuzenstrijd bijna zonder zijns 
gelijke in de Atjehsche krijgsgeschiedenis, doch hij duurde slechts 
kort en weldra was er geen vijand meer te bevechten , de Mare- 
chaussees waren andermaal overwinnaars. 

Toen deze worsteling, der oudheid waardig, was afgeloopen, 
betrad Overste van Heutz met het overige der kolonne juist de 
versterking, welker binnenruimte een droevigen, doch grootschen 
aanblik opleverde. 

Hier lag Kapitein Graafland met een schot in het been, on- 
machtig om op te staan, doch die, trotsch op zijne braven, 
glimlachend de hem omringenden aanstaarde, die opgewonden 
door de behaalde zege, hem in vervoering de hand drukten; 
daar lag de doodelijk getroffen Luitenant K. J. C. Rijnen toch 
nog met een glimlach van voldoening op het bleeke gelaat; dicht 
bij hem Luitenant C. F. A. Wagener die , ofschoon duldelooze 
pijnen lijdende door zijne vreeselijke wond, nog de kracht 
had om de hem toejuichende Marechaussees welgemoed toe te 
spreken, en iets* verder rustte bijna bewusteloos de Luitenant 
A. A. Dijkstra, die door een vreeselijken klewanghouw over de borst 
was neergeveld ; de Luitenant W. K. J. Stoop wien eveneens een 
groot deel der schitterende overwinning toekwam, was wel niet 
gewond , doch door vermoeienis en inspanning van den woedenden 
strijd ineengezakt. 

Overal in het rond lagen de lijken van 131 Atjehers, nog met de 



98 DE LUITENANT DER INFANTERIE H. M. TI8 

bebloede wapens in de door den dood krampachtig geslotene 
vuist, verslagen in hunnen wanhopende strijd tegen de dappere 
Marechaussees , waarvan nog 6 dooden en 23 gewonden tusschen 
de vijanden lagen, zooals zij gedurende den strijd waren 
gevallen. (*) 

£n tusschen de bebloede lijken , de vreeselijk verwonden , de ge- 
brokene wapens en de algemeene verwoesting Luitenant Vis en 
de overige ongedeerde helden , met trotsche blikken en van strijd- 
lust blakende aangezichten, in den roes der duur gekochte 
overwinning een juichkreet uitende, waarin alle gewonden in 
vervoering mede instemden en die door de aankomenden met 
een luid €Aoera\» werd beantwoord, terwijl de hoomblazers de 
zegevierende toonen van het zoo geliefde Wilhelmus in de moigen- 
lucht deden weerklinken. 

Bij den terugtocht kreeg Luitenant Vis, die als amateur den 
tocht medemaakte, het commando over het resteerende deel 
der Marechaussees, daar alle overige Officieren van dat korps 
gewond waren. Hoewel het een treurigen stoet was door de vele 
dooden en gewonden die medegevoerd werden , zoo was het toch 
een ware zegetocht, daar het bericht van dien bijna voorbeel- 
deloozen worstelstrijd zich bliksemsnel had verspreid. 

Dit gevecht was van groote beteekenis, want de kracht des 
vijands, wien de schrik om 't harte sloeg, was gebroken. 

De vrees voor de dappere Marechaussees was groot , en zoodra 
him oorlogskreet ^Potong Kepalai^ den Atjehers als eene doodsklok 
in de ooren klonk, hield geen vijand meer stand. 

De Marechaussees vormen een heldenstoet, waarvan de ge- 
schiedenis nog menig schitterend feit zal boekstaven. De dappere 
onversaagde Luitenant Vis had weder een bewijs te meer 
geleverd, dat hoe jong en hoe laag in rang men ook zij, men 
groote onschatbare diensten kan bewijzen , die door allen worden 
erkend en dat moed, beleid en trouw eigenschappen blijven 
onzer HoUandsche jongens. 

(*) Van eene sectie ter sterkte van 17 man lieten de Marechaussees 4 
dooden en 5 gewonden op het slagveld. 



KN HBT KORPS MARtCHAUSSBE TE ATJEH — 1896 99 

. Het Vaderland mag trots zijn op zulke zonen, de Koningin 
op zulke onderdanen, en het Indische leger op zulke soldaten, 
die zoolang lauwers te verwerven zijn, de distelen en doornen 
niet tellen. 



cHenri Vis is gevallen !» (*) was de treurige mare die plotseling 
in de maand Mei op Atjeh weerklonk en algemeen rouw en 
verslagenheid te weeg bracht! 

In den nacht van 4 op 5 Mei 1899 viel hij op het veld van 
Eer, het eerlijke, dappere hart door 'svijands lood getroffen. 

Hij viel , zooals hij geleefd had , als Ridder sans peur et sans 
reproche. 

Die verslagenheid en rouw vonden weerklank in het Vaderland , 
toen de telegraaf onverwacht die droeve tijding bracht, want bij 
allen die hem gekend hadden was hij bemind, geacht en geëerd 
om zijne zeldzaam edele hoedanigheden én groote militaire deugden. 

Zijne chefs vertrouwden op hem als op zich zelve I . . . . 

Hij had absoluut geen enkelen vijand , geen enkelen benijder ! . . . . 

Maar de vijand juichte om en zegepraalde door den dood van dien 
held, want hij was een hunner gevaarlijkste, dapperste en kundigste 
tegenstanders, de man die zel& het verraderlijke Atjehsche hart 
tot trouw wist te bekeeren en aan zich te hechten; die zege 
zouden zij nooit te duur gekocht achten, al waren hunne offers 
ook nog zoo kostbaar geweest. 

Het zou een boekdeel vullen om alle roemrijke gevechten, 
alle nachtelijke tochten en andere krijgs verrichtingen mede te 
deelen waaraan Henri Vis deelnam, hetzij als Officier der Infan- 
terie, hetzij als Luitenant der Marechaussees, hetzij als waar- 
nemend Controleur, en die zijn trouwens reeds elders vermeld, 
doch het is voldoende namen te noemen als «Lam Koenjit,» 



*) Dit stuk verscheen van des schrgvers hand reeds in „„Elzevier's 
geïllustreerd Maandschrift"" 9* jaargang. 



100 DB LUITKNAirr DKB INTANTKHIX H. X. TI8 

«Tjot-Rang^ «Lam Pisang,» «Anagaloeng» en dergdgl^e. Namen 
die klinken als het schetteren der krijgstrompet te midden van 
den kogelregen en het strijdgewoel van den slag, namen die 
met bloedig schrift in onze krijgsgeschiedenis zijn vermeld, doch 
tevens waard zijn met Gulden letters op marmer te worden 
gegrift, want d&kr werd hardnekkig en bloedig gestreden en 
d&&r wist de onversaagde moed van Neêrland's zonen glansrijk 
te overwinnen. 

't Was d&kr dat Henri Vis zich onverwelkbare lauweren ver- 
wierf, die, al moge hij ook gevallen zijn, voor altijd zijn roem 
zullen blijven verkondigen. 

Zijn laatsten tocht, die oogenschijnlijk weinig gevaar opleverde^ 
zou juist de gevaarlijkste wezen en de oorzaak zijn, dat de 
onverschrokken jeugd^ held aan zijn vaderland, zijne familie 
en zijne vrienden werd ontrukt 

Het betrof een nachtelijken tocht, om zich van het belangrijke 
Hoofd Toekoe Lhon, hetzij levend of dood meester te maken, 
het Hoofd dat door rustelooze verplaatsing, ongeëvenaarde list 
en goede voorlichting van de hem getrouwe Atjehers, tot nu 
toe aan al onze aanslagen en overvallingen had weten te ont- 
komen en op welks aanhouding door het Opperbestuur hoogen 
prijs werd gesteld. 

De waarnemende Controleur Vis wist door berichten van zeer 
betrouwbare en aan hem gehechte spionnen, dat dit Hoofd in 
eene woning van de, in de nabijheid zijner standplaats gelegen, 
kampong Koenjit, den nacht van den 4^ op den 5^ Mei 1899 
zou doorbrengen. 

Deze gunstige gelegenheid wilde Vis niet laten voorbijgaan en 
daarom vroeg hij onmiddellijk van den Militairen kommandant 
ter plaatse een detachement Infanterie, om nog dienzelfden 
nacht de oplichting te beproeven. Alles werd daartoe zoo geheim 
mogelijk voorbereid, om te voorkomen dat Toekoe Lhon nog 
ter elfder ure gewaarschuwd mocht worden, en alzoo weder ge- 
legenheid had om te ontkomen. 



EN BET KORPS MABÉCHAUSSftB TB ATJXH -^ 1896 . 101 

Toekoe Lhon behoorde tot de aanzienlijke familie Polem of 
Folim en was de neef en opvolger van Panglima Polim (Radja 
Daud), die er het hoofd van is. Sedert 1896, het jaar van het 
laatste verraad van Toekoe Oemar, trad Toekoe Lhon meer en 
meer op den voorgrond en deed zich herhaaldelijk kennen als 
een hardnekkig en geslepen tegenstander, wien moed en beleid 
niet konden worden ontzegd. 

Menige gevaarlijke nachtelijke tocht werd ondernomen om dat 
berachte Hoofd onschadelijk te maken , doch alle pogingen door 
de verschillende Controleurs en troepenafdeelingen aangewend 
mislukten, hoe goed en geheimzinnig die ook waren beraamd 
en ui^;evoerd; altijd vond men den vogel gevlogen. 

Men kan dus beseffen hoe gelukkig Henri Vis zich op dat 
bericht gevoelde, nu hij den vijand zoo nabij wist, terwijl de 
kans op ontsnapping voor den Toekoe nu oneindig klein was. 

Wat Toekoe Lhon bewogen had zich zoo in het hol van den 
leeuw te wagen, zal wel altijd een raadsel blijven. Had hij zijne 
gewone voorzichtigheid uit het oog verloren ? . . . . Meende hij 
dat ons bestuur minder waakzaam was? .... Was het overmoe- 
digheid?... Of deed hij het uit berekening om Henri Vis, die 
gevreesde, dappere Controleur in den val te lokken, overtuigd 
dat deze den uittrekkenden troep zou vergezellen en zich wellicht 
onverhoeds te veel bloot geven bij het binnentreden der woning, 
met de kans om dan toch zelf nog te kunnen ontsnappen ? . . . 
Dan wel offerde hij zich zelven op om Atjeh te bevrijden van 
zulk een tegenstander?.... Wie zal het zeggen?.... Wellicht 
niemand, want Toekoe Lhon is voor eeuwig het stilzwijgen 
opgelegd. 

Eene omstandigheid was er echter die Toekoe Lhon in zijn 
voordeel had en die den tocht voor Vis en zijne gezellen 
dubbel gevaarlijk maakte. 

Een gewoon Hoofd werd zonder eenigen vorm van proces af- 
gem^uJct, als hij zich niet overgaf, doch de leden der Polim- 
fiunilie waren voor ons onschendbaar, zoolang zij niet met de 
wapenen in de hand tegen ons in verzet kwamen. Men mocht ze 



102 DB LUITENANT DSB INFANTBRIE H. M. YIS. 

dan alleen gevangen nemen. Vis kon dus sledits tot de overgave 
sommeeren en moest den eersten aanval afwachten, alvorens 
tot geweldadigheden over te kunnen gaan. £n daarin schuilt een 
ontzettend gevaar. De vijand is wel omsingeld, doch gewaar- 
schuwd; . . . hij geeft zich schijnbaar ongewapend over en maakt 
van een oogenblik gebruik dat de gelegenheid gunstig is, om 
als een razende de naastbijzijnden neer te slaan ; . . . . dan wel , 
zooals hier het geval was, men opent de deur, eenigen gaan 
ongewapend naar buiten en geven zich over; als dan de tegen- 
standers vol vertrouwen naderen, wordt door de nog in 't duister 
der woning verborgen achterblijvers, de naderenden in den 
wilde , a bout portant neergeschoten. 

Opgeruimd en vol vertrouwen rukte Vis met de patrouille uit, 
want als de aanslag gelukte, zou dit de kroon op alles zetten. 
Hij vermoedde niet welk lot hem wachtte en dat de tocht zoo 
bijzonder gevaarlijk zou zijn, en al hadde hij dat geweten, dan 
nog zou de moedige jongeling niet zijn teruggedeinsd ! . • . . Hij 
was er aan gewoon zijn leven op het spel te zetten en slechts 
te letten op datgene wat hij als plicht beschouwde, doch aan 
anderen de overtuiging gaf, dat hij gewoonlijk meer deed dan 
zijn plicht. 

Alles ging zooals vooraf beraamd was. Zonder bemerkt te 
zijn trok men beschermd door de heerschende duisternis de 
kampong binnen, omsingelde het huis en bezette de ingangen. 

Toen trad Vis naar voren en eischte in de Atjehsche taal 
met luide, goed verstaanbare stem, dat de bewoners zich 
zonder verwijl zouden overgeven en één voor één ongewapend 
naar buiten komen. 

Allen waren in gespannen verwachting wat er zoude gebeuren, 
het oog gericht op den jongen aanvoerder, ten einde diens 
geringsten wenk, diens minste order terstond uit te voeren, want 
allen waren met strijdlust bezield en vol ongeduld om met 
Toekoe Lhon af te rekenen. 

Op het hooren dier gebiedende en duidelijke stem, die alleen 
aan den gevreesden Controleur kon behooren, die als 't ware 



V 



r 



BN HBT KOBPS MABÉCHAUSSÉB TB ATJBH — 1896 lOB 

I 

pa alom tegenwoordig was, ontstond er beweging binnen de 
bning en vernam men gemompel. 

I' Vis herhaalde zijn bevel, want een lid der Polim-familie bevond 
:h daar binnen; ware dit het geval niet geweest, dan zou hij 
voudig een paar salvo's door de woning hebben gezonden en 
zaak zou beëindigd geweest zijn. Nu mocht dit niet eerder 
ichieden, dan nadat Toekoe Lhon zich met de wapens verzette 
den aanval begon. 
De spanning in den troep nam toe. 

Eindelijk opende zich de deur der woning en eene vrouw en 

^ee mannen, allen ongewapend, daalden langzaam één voor één 

e treden der trap af en gaven zich gevangen. 

De bekende Toekoe Lhon bevond zich niet onder hen; alles 

[bleef stil, alsof de woning nu ledig was, doch Vis liet zich niet 

verschalken en herhaalde nogmaals zijn eisch. 

Toen had er in een kort doch beslissend oogenblik iets vree- 
selijks plaats, dat ons het leven van drie dapperen kostte, 
waaronder de zoo beminde Henri Vis. 

Hetzij dat de fuselier Van der Stroet meende, dat de order 
/ gegeven was om de woning binnen te dringen, hetzij dat hij zijn 
; ongeduld niet langer kon bedwingen, wat dan ook, hij stormde 
met gevelde bajonet de trap op, om den vijand naar buiten te 
halen, doch boven gekomen ontving hij een schot, dat hem 
ontzield deed neder storten. De fuselier Riebe, zijn makker 
ziende vallen, wil hem wreken en stormt eveneens vooruit, doch 
Vis wil dat beletten, daar de dappere een zekeren dood te 
gemoet ging. Door die beweging kwam ook hij voor de zwarte 
dreigende opening , eenige schoten knalden , en vóór dat de anderen 
hulp konden bieden waren beiden gevallen door een viertal 
schoten , wier vuurstralen het tooneel van den 'strijd een oogenblik 
verlichten. 

Woedend over het gepleegde verraad, openden de soldaten 
een moorddadig vuur op de woning, waarin de verraders ver- 
scholen bleven, welker wanden met tallooze kogels doorboord 
werden, zoodat weldra de straf aan Toekoe Lhon en 3 zijner 



104 Dl LTJITINAirr DKB INFANTEBIS H. X. TIS ENZ. 

volgeUngen was voltrokken, die zich door schieten hadden 
trachtten te verdedigen en waardoor nog de sergeant Hubers niet 
levensgevaarlijk gewond werd. 

i Daar lag de schoone, krachtige mannengestalte van den 
jeugdigen held, naast zijne beide gevallen krijgsmakkers. Het 
edele gelaat drukte rust en vrede uit, met een eigenaardigen 
trek van triomf, doch de schitterende vriendelijke oogen waren 
gebroken. De dood was zoo plotseling geweest, dat al de in- 
drukken der laatste oogenblikken op die trekken duidelijk zicht* 
baar waren, want de verraderlijke kogel had hem 't edele hart 
doorboord. 

Hij was gevallen , . . . doch zijne roeping had hij nog niet 
vervuld, daar Koningin en Vaderland in de toekomst nog on- 
eindig veel van hem te wachten hadden en hij voor de liefde 
der zijnen nog zoo noodig was. 

Door de zoi]g van talrijke krijgsmakkers is een monument 
verrezen op de plek waar hun brave kameraad Henri Vis in 
den schoot der aarde rust, als een welsprekend getuigenis voor 
het nageslacht van de bewondering en genegenheid, die hij door 
zijne heldendaden en zijn edel karakter afdwong. 

Is er voor een soldaat schooner dood denkbaar!? .... 

Rust zacht brave Henri Vis!.... De herinnering aan uwe 
groote daden blijft voortleven en nooit zal iemand U ver- 
geten ! . . . Uw naam blijft ons heilig ! • . . 





Drie dappere en beleidvolle daden te A^eh 

van den Luitenant der Infanterie C. J. Boon 

1896—1898 

Gouden Kroon voor Eervolle Vermeldingen (1896) 
Ridder der Militaire Willemsorde 4« Klasse (1897) 

Eeresabel (1898) ^) 

L'éspérance fait toat oadnror et tont 
entrepeodre aox hommes. 

Gomte Maübicb ob Saxb. 

Nog ZOO jong I ! . . . Nog slechts in den aanvang zijner loopbaan , 
en reeds zulk een aantal opeenvolgende schitterende belooningen 
waardig gekeurd! 

Die Koninklijke eerbewijzen, te danken aan eigene verdienste, 
verworven met gevaar van eigen leven en ten koste van soms 
bijna bovenmenschelijke inspanning, zijn even zoovele adelbrieven, 
kostbaarder dan de oudste bewijzen van adeldom van voor- 
vaderen geërfd, en van oneindig hoogere beteekenis dan tallooze 
ridderkruisen van dikwijls twijfelachtige waarde, verkregen voor 
denkbeeldige verdiensten. 

Zij spreken van den kalmen moed, het verstandig beleid en 
de HoUandsche onbezweken trouw van de jeugdige borst die zij 
versieren; zij roepen ieder toe datgeduld, volharding, geestkracht, 
voortvarendheid, zelfverloochening , doodsverachting, plichtsge* 
vod, tegenwoordigheid van geest, onverschrokkenheid, wilskracht 
en doorzicht de schitterende eigenschappen zijn van het karakter 
van dien jeugdigen Hollandschen held; zij vermelden een roemrijk 
verleden en doen met recht eene toekomst vermoeden, die, trouw 
sUs hij is aan 't «noblesse oblige», aan het verledene zal beant- 
woorden, eene toekomst van eer, roem en grootheid, of wel hij 



^) Van de hand van den schrjjver reeds verschenen in de Militaire Gids 1899. 



106 DBIB DAPPJEEUB EN BELBIDTOLLB DADEN TB ATJER 

zal, even als zijn beminden en diep betreurden makker H. M. 
Vis, zijne overgetelijke daden bekronen, door een eervollen 
soldatendood bij de volvoering van zijn plicht in den [strijd voor 
Koningin en Vaderland. 

Het is te betreuren dat niet alle dappere en roemrijke daden 
van Neêrland's zonen in die verre gewesten worden geboekstaafd 
en aan de vergetelheid worden ontrukt, als eene voortzetting 
van ons heerlijk en roemvol verleden, tot voorbeeld en aanspo- 
ring voor het nageslacht 

Daarom wil ik trachten eenige daden te schetsen van dezen 
Officier, wiens kranig, moedig en beleidvol gedrag hem zoo dik- 
wijls en in zoo korten tijd de Koninklijke gunst waardig maakte ; 
daar 't echter onmogelijk is alles te vermelden, wil ik slechts 
voor elk der onderscheidingen op goed geluk een greep doen 
uit den rijken voorraad verschillende feiten die daartoe aanlei- 
ding gaven, 't betreurende dat ik niet alles kan vermelden. 

Ik hoop daardoor mede te werken tot eene juiste waardeering 
voor ons dapper Indisch Leger, waarvan elk lid, hoe jong en 
hoe laag in rang ook, tot de diepst vertrouwde en de meest 
gewichtige opdrachten, die krachtig en zelfstandig handelen 
eischen, geroepen kan worden, zoodat ieder in de gelegenheid is 
zijne gaven te doen uitblinken en schitterend te zien beloonén. 

Wij schreven 1896, het jaar dat zoo'n grooten omkeer bracht 
in de Atjehsche toestanden, het jaar van den laatsten afval en 
het laatste verraad van Toekoe Oemar, den verrader en woord- 
breker bij uitnemendheid. 

De kolonne van Kapitein H. F. T. Blokland (Maart 1896) had 
het verwoede doch schitterende gevecht bij Anagaloeëng tegen 
eene kolossale overmacht geleverd , waarbij de moed en discipline 
van den kleinen troep en het beleid van den aanvoerder zo6 
heerlijk uitblonken, vooral bij den merkwaardigen en heldhafdgen 
terugtocht te midden van tallooze drommen, der door fanatisme 
en woede opgewonden vijanden. 

Nog was Toekoe Oemar ons schijnbaar getrouw en daarom werd 



VAN DKN LUIT. DBR INF. C. J. BOON — 1896—1898 107 

besloten dat diens benden, gesteund door onze troepenmacht, 
den overmoedigen vijand in Lamkrak, dat gevaarlijkste aller broei- 
nesten, zou tuchtigen, om wraak te nemen over de aan de kolonne 
Blokland toegebrachte verliezen en zoowel de suprematie onzer 
wapens als die onzer krijgskunde te herstellen. 

Wijl het beschikbare aantal soldaten voor die expeditie te gering 
geacht werd, ging men er toe over om de bezetting van ver- 
schillende posten tot op de helft te verminderen, want de rustige 
rust om die versterkingen deed voor geene catastrophe vreezen. 

Ook Tjot-Rang deelde in dat lot, waar tevens de Kapitein 
kommandant tijdelijk werd vervangen door den i®° Luitenant 
C. J. Boon, zoodat deze jonge Officier het bevel voerde over 
eene versterking bezet door zestig minder valide manschappen, 
daar de beste voor de mobile kolonne waren opgeëischt. Hoe 
eervol dit ook voor hem was, toch was hij er niet bijster mede 
ingenomen, want de moedige jonge man was liever met de 
anderen den vijand te gemoet getrokken om lauweren te plukken; 
Tjot-Rang toch was een der posten in Atjeh , die , beschermd door 
de benden van Toekoe Hoessin Longbattah, den vriend en 
medestander van Toekoe Oemar, tot de meest rustigen behoorde 
en daarom ook wel ^den tuin van A^ek» werd genoemd. 

Het was een brandend heete dag geweest; de koele avond 
noodigde uit zoowel tot genieten, als tot rusten van de drukke 
dagtaak en de jeugdige kommandant plaatste zich op een der 
bastions, om, zoolang het wijkende daglicht dit nog toeliet, van 
den verrukkelijken blik over den omtrek en op de met heerlijk 
frisch groen bedekte hoogten te genieten, terwijl de verfrisschende 
avondwind zijn hoofd verkoelde , want hij was den géheelen dag 
druk bezig geweest om zich geheel op de hoogte te stellen van 
alles wat zijn post betrof en de maatregelen te bestudeeren, die 
door zijn voorganger voorgeschreven waren voor tijden van gevaar. 

Onwillekeurig moest hij lachen en 't was een bitteren lach. 
Gevaar!.. Waar dreigde gevaar!?.. Alles was zóó kalm, zóó 
rustig, zóó vredig!!.. Geen ander geluid werd gehoord dan het 
gonzen der insekten en de kreet van een enkelen nachtvogel j 



108 DRIB DAPPBBB BN BBLBIOYOLLB OADKK TB ATJBH 

terwijl in de verte in de kampongs, nu de duisternis gevallen was» 
van tijd tot tijd een licht verscheen en verdween, als bewijs dat 
een vreedzaam wandelaar op bezoek ging, of eene nijvere huis- 
vrouw hare dagtaak nog niet geëindigd had. 

Alles ademde rust, vrede en vriendschap ! . . . 

£n zoo zal hij gedurende zijn verblijf in die versterking voort- 
leven , eentoonig en gelijkmatig , den eenen dag volkomen gelijkende 
op den anderen, zonder eenig gevaar, zonder eenige andere 
emotie dan die de dagelijksche sleur hem brengt 

Onwillekeurig plaats hij zich boven op de borstwering , om dk 
geluid dat uit de verte komt op te vangen en te hooren of hij 
niets kan vernemen van den strijd, die zijne kameraden nu met 
dat verraderlijke broeinest hebben aangebonden. Hij hoort niets, 
doch meent een drietal donkere gestalten op het met struiken 
bedekte terrein, dat de benting omringt, te zien voortsluipen. 

Bijzonder trekt dit zijn aandacht niet, want 't zal wel eene be- 
vriende patrouille zijn, die den omtrek in blokhuizen en kleine 
forten bewaakt, om de benden kwaadwilligen op een a&tand te 
houden; en rondziende vindt hij 't als 't ware eene bespotting 
om nog schildwachten op zijne eigene wallen te zien. 

Eensklaps hoort hij buiten de versterking door eene gedempte 
stem zijn naam noemen, en oplettende, ziet hij de drie donkere 
gestalten naast het bastion dicht bij de gesloten poort Hij 
luistert aandachtig en weder klinkt dof doch duidelijk zijn naam 
met het verzoek om de poort te openen. 

Verheugd springt hij van den wal, want in die stem heeft hij 
die van zijn vriend, den eersten Luitenant M. Neelmeijer her- 
kend, en zonder te overwegen hoe geheimzinnig en zonderling 
die vriend zich aanmeldde, denkt hij aan een vriendschaps- 
bezoek en hoopt in yertrouwelijken kout een gezelligen avond 
door te brengen, 't Was 't eenigste waaraan in dit heerlijke 
rustige uur, in dit vreedzame oord te denken was. 

Doch de bezoeker kwam niet voor de gezelligheid om feest 
te vieren ! . . . Hij was een jobsbode 1 . . . Hij bracht de ontzettende 
mare die eene rilling door 't heele land deed gaan,.. Todcoe 



VAN DBN LUIT. DER INF. C. J. BOON — 1896—1898 109 

Oemax was afgevallen, had zijne bezworen trouw gebroken, had 
ons- andermaal verraden en met hem tal van Hoofden en vrienden 
en daaronder ook zijn vertrouwde, de man diefzijne benden tot 
eene beschermende keten om Tjot Rang gelegerd had, . . . Toekoe 
Hoessin Longbattah. 

Neelmeijer had, slechts vergezeld van twee man, den todit 
ondernomen om zijn vriend te waarschuwen, want, afgesneden 
als deze nu was van alle gemeenschap en ingesloten door een 
vijand dien hij zich nog als vriend dacht, zou verraad gemakke- 
kelijk zijn. Hij deed een tocht, dwars door de vijandelijke benden 
sluipende, om te zorgen dat zijn vriend op zijne hoede kon zijn; hij 
volvoerde een ongehoord waagstuk, waarin bij eiken stap zijn leven 
bedreigd was en na de waarschuwing gegeven te hebben ging hij 
weder heen zooals hij gekomen was, als was het de natuurlijkste zaak 
ter wereld, in zijne dappere ziel niet bevroedende hoe groot de 
heldendaad was, die hij door dien vriendschapsdienst verrichtte. 

Kranig Officier! . . . Brave krijgsmakker! . . . Trouwe Vriend! . . . 

Helaas!.... Even als Vis, die braafste der braven, ontviel 
ook hij aan dat leger waarvan hij het sieraad en waarvoor hij 
nog zoo onmisbaar was. Hij viel echter niet als die edele Officier 
op het slagveld , strijdende voor zijne Koningin en zijn Land in 
den roes der overwinning , maar hij overleed in Holland tengevolge 
«ener ziekte, ontstaan door vermoeienissen in het moordende 
Indische klimaat, even vóór dat hem de tijding bereikte, dat onze 
<lierbare Koningin zijn hoogsten en vurigsten wensch vervulde 
«n hem het Kruis schonk voor Moed, Beleid en Trouw. 

Rust zacht brave makker!. . . . Uwe nagedachtenis blijft in eere, 
want uwe werken en daden spreken voor u! . . . . 

Een oogenblik oogde Boon den vertrekkenden vriend na, die 
spoedig door de duisternis aan zijn oog onttrokken werd, en 
toen richtte hij zich trotsch op in het volle besef van het 
gewichtige zijner taak en de groote verantwoordelijkheid die op 
hem rustte, want nu was de laatste band met de makkers ver- 

n 8 




110 DBDB DAPPXaS KN BELEID VOLLE DADEN TE ATJEH 

broken, alle gemeenschap a%esneden en God alleen wist voor 
hoelang; nu stond hij als Chef alleen en hoe jong ook, aHen 
zouden vol vertrouwen tot hem opzien, van hem hun heil, hunne 
redding verwachtende; allen zouden, gekneld in de ijzeren dicipline 
van het Indische Leger, zijne bevelen blindelings gehoorzamen» 

De toestand was vreeselijk en er was groote zielskracht en zelf- 
vertrouwen noodig om niet te vertwijfelen, want waar ook zijn oog 
blikte, overal waren nu vijanden en hij gevoelde dat achter eiken 
boom, elke struik, elke verhevenheid Atjehers op den loer lagen, 
om van elke onvoorzichtigheid gebruik te maken, die hij had 
kunnen doen als hij onwetend was gebleven met het gebeurde» 

Doch de ongekende dapperheid van één enkele maakte dat 
de vijand zich in zijne verwachtingen bedrogen zag. 

De bezetting, die natuurlijk 't gebeurde ook vernomen had uit 
den mond der gezellen van Neelmeijer, stond in groepen op 
de kleine binnenplaats der versterking de zaak te bespreken; 
menigeen toonde een bezorgd gezicht, en toen Boon die plaats 
overging, waren aller blikken vragend op den jongen aanvoerder 
gericht, die echter, hoe zijn hart ook klopte van onrust, met 
kalm glimlachend voorkomen voorbijging en met bedaarde stem 
diegenen riep, aan wien hij de noodige bevelen zou geven. 

Buiten de omwalling der versterking stond de keuken en helaas 
ook de waterput, wel beschermd door eenige draad versperring, 
doch overigens open en bloot voor 's vijands vuur. Daar dien 
nacht zeker nog geen aanval te vreezen was, werd ieder die maar 
beschikbaar was aan het werk gezet, om al wat de keuken 
inhield naar biimen te brengen en al het vaatwerk dat voor- 
handen was met drinkwater te vullen, welke laatste werkzaamheid 
eiken nacht in 't duister zou worden herhaald. 

Klein was de bezetting en velen leden aan de vreeselijke 
berri-berri, waarom het niet zoo vlug ging als hij gehoopt had, 
doch alles werkte ijverig en in de grootste stilte, zoodat reeds, 
lang voor het aanbreken van den dag die taak als voltooid kon 
worden beschouwd. 

Toen eindelijk de zon ter kinune verrees, had het landschap 



VAN DIN LUIT. DBB INF. C. J. BOON — 1896—1898 111 

hetzelfde vreedzame lachende aanzien van den vorigen dag, doch 
't gewapende oog zag nu, dat overal en aan alle zijden Atjehers 
rondslopen, voorzien van de hen door ons toevertrouwde achter- 
laadgeweren, die zij nu tegen ons zouden gebruiken. 

De gewone morgensignalen weerklonken en de vijand wachtte 
ongeduldig het oogenblik af dat de poort zich zou openen en 
de bezetting zich als gewoonlijk hetzij voor werkzaamheden, hetzij 
voor verpoozing naar buiten zou begeven, om dan die weerloozen 
als jachtwild neer te schieten; doch hunne verwachting werd 
bedrogen. De poort bleef gesloten en niemand vertoonde zich. 

Op last van den kommandant genoot al wat voor bewaking 
gemist kon worden de noodige rust na den inspannenden arbeid 
van den nacht. Alleen hij was dubbel waakzaam en rustte niet 

Toen eindelijk tegen tien uur eenige dwangarbeiders naar 
buiten gingen om het vuil te verwijderen, wierp de vijand het 
masker af en barstte het dreigende onweer los. Aan alle zijden 
klonken de schoten vergezeld van een bloeddorstig gegil en 
gejuich, terwijl tallooze kogels, overal fluitend en sissend, tegen, 
over en in de versterking vielen, gelukkig nog zonder iemand te deren. 

De dans was begonnen, echter met de meeste kalmte van de 
zijde der bezetting, want hoogst zelden klonk er een schot uit 
de versterking en alleen dan, als een vijand zich te veel bloot 
gaf en een goed schutter kans van raken had. De vijanden, 
woedend dat hun verraad mislukt was, schoten als razenden en 
gilden als bezetenen, zonder blijkbaar den moed te verliezen , 
want zij beschouwden Tjot Rang reeds als eene zekere prooL 

Zij hielden daarbij echter geen rekening met den energieken 
bevelvoerder, de trouwe bezetting en den Opperbevelhebber van 
Atjeh, die zeker het benarde garnizoen tijdig ter hulpe zou snellen, 
doch , zijne soldaten kennende , voorloopig gerust was , want andere 
meer dringende bezigheden riepen de beschikbare troepen elders. 

Zoodra de troep eenigszins uitgerust was, liet Boon de vloeren 
uit de kazernes opbreken en daarvan schilden oprichten, zoodat 
de vijand nu van de domineerende hoogten minder kon waarnemen 
wat er in de versterking gebeurde en minder zeker door de ver- 



112 DBIB DAPPBBE KS BKLKIDVOLLB OADBK TE ATJEH 

Sterking kon schieten, waardoor het verkeer daar binnen veel 
veiliger werd. Ook liet hij het voorradige gekapte brandhout hier 
en daar op en tegen de borstwering stapelen , ten einde de ver- 
dedigers meer te dekken tegen de doordringende projectielen. 

Niets werd door den jongen kommandant verwaarloosd en als 
een oud ervaren krijgsoverste nam hij kalm de meest doeltrefifende 
maatregelen, doch steeds uitziend of de bevrijdende kolonne nog 
niet kwam om de insluiting te verbreken, want gaandeweg werd 
de toestand hachelijk, ofschoon het uiterlijk van den aanvoerder 
hetzelfde vertrouwen bleef uitdrukken, om zijne ondergeschikten 
niet te ontmoedigen. 

Somtijds maakte de vijand begunstigd door de duisternis des 
nachts loopgraven, waardoor zij de versterking tot op honderd 
meter naderden, en dan had men alle krachten noodig hem 
weder daaruit te verdrijven. 

Die aanhoudende waakzaamheid en inspanning tobde de zwakke 
bezetting af, terwijl ook de vreeselijke berri-berri meerdere slacht- 
oflfers maakte, zoodat nog hoogstens dertig man eenigszins valide 
waren; de andere sleepten zich als het ware naar de wallen. 

Dit duurde zoo voort van 28 Maart tot 14 April 1896; zeven- 
tien dagen en nachten van strijd en inspanning, doorgebradit 
in aanhoudend gevecht, bijna zonder rust en onder voortdu- 
renden arbeid, door een dapper garnizoen dat veel te klein 
was voor de uitgestrekte verdedigingslijn; de vijand had echter 
geen enkel voordeel behaald. 

£r waren gewonden, twee man waren gesneuveld, twee over- 
leden aan berri-berri, velen door ziekte aangetast en sommigen 
de moedeloosheid nabij. De toestand werd onhoudbaaar. Wel 
dreunde dagelijks het kanon in de verte als bewijs dat de s^ijd 
daar woedde, doch niets naderde dezen afgelegen post 

Eindelijk in den morgen van den 14^ April i896 klonken 
de salvo's en het geschutvuur van de zijde waarvan de bevrij- 
ders moesten komen en alles wat kon snelde vol hoop naar 
de wallen, zich gereed houdende, hoe zwak zij ook waren, 
om die poging zooveel mogelijk te steunen. 



VAN DBW LUIT. DER IKP. C. J. BOON — 1896-1898 113 

Een verwoede strijd werd er in den omtrek van Tjot Rang 
gevoerd, talrijk waren de verliezen, doch de insluiting werd 
verbroken en het garnizoen bevrijd. 

Afgetobd en sommigen strompelend verliet de heldhaftige 
schaar de versterking, waar zij zich zoo moedig staande had 
gehouden en zij werd met een luid hoera! door de bevrijders 
ontvangen. 

Kapitein S. A. Drijber, de man wiens naam als een zegekreet 
klinkt, wiens onverschrokkenheid spreekwoordelijk was, nam het 
kommando der versterking op zich en bezette haar met eene geheele, 
versche kompagnie. 

Boon en de zijnen gingen met de bevrijdende kolonne terug, 
terwijl zich achter hen de kring der vijanden weder sloot en 
Tjot Rang nogmaals van alle gemeenschap afzonderde. 

Hoe dapper en onversaagd de verdediging van Luitenant Boon 
met zijn zwak garnizoen geweest en hoe onhoudbaar de toestand 
van Tjot Rang nog was, blijkt uit de omstandigheid, dat eem'ge 
dagen later weder met groote verliezen onzerzijds de vijand 
door eene sterke troepenmacht uit den omtrek moest worden 
verjaagd, waarna het noodig geoordeeld werd dat de nieuwe 
voltallige bezetting de versterking met medevoering van geschut 
en munitie verliet en haar daarna met alles wat achtergelaten 
moest worden aan de vlammen prijs gaf, zoodat daarmede Tjot 
Rang uit de rij der Atjehsche versterkingen werd gewischt. 

De werkkring van sommige daartoe bij uitstek geschikte Offi- 
cieren bepaalde zich te Atjeh niet alleen tot hunne militaire 
betrekking, maar zij deden daarbij ook den dienst van Civiel 
ambtenaar , en het zij hier dadelijk gezegd , met schitterend succes. 

De Luitenant Boon , die zich gedurende zijn verblijf op Atjeh *) 
ijverig had toegelegd op de kennis der taal, zeden, gewoonten 
en van den politieken toestand der bevolking, werd een paar 



*) Hg was in Mei 1893 voor de tweede maal te Atjeh teruggekomen na 
eene afwezigheid van drie maanden. 



114 DRIE DAPPERE EN BELEIDVOLLE DADEN TE ATJSH 

maanden na de roemrijke verdediging van Tjot Rang, den 
30^ Juli 1896, belast met het Civiel gezag in de XXII Moekims, 
standplaats Lambaroe, en kort daarna diezelfde betrekking op- 
gedragen te Indrapoeri, toen dit definitief bezet was, met het 
doel de politieke aanrakingen te onderhouden met de boven 
Indrapoeri gelegen Moekims. 

Hij was hier in eene degelijke en uitmuntende leerschool bij den 
toenmaligen Luitenant Kolonel J. B. van Heutsz , de man van vasten 
wil en beslist optreden, de roemrijke Offider met de gave van 
het gezag en den helderen blik op den militairen en poli- 
tieken toestand van het gewest, maar ook als mensch de 
kostbare eigenschap bezittende om zijne ondergeschikten grondig 
te beoordeelen en zoo steeds €the right man on the right piaee» 
te doen zetelen, steeds hoewel vriendelijk en voorkomend, streng 
wakende tegen plichtverzuim , zich zelf de hoogste eischen stel- 
lende en hen die zich werkelijk verdienstelijk maakten, den w^ 
bereidende en efifenende tot bevordering en belooning. 

Met deze door allen beminden en hoog vereerden Chef 
maakte hij vele zegevierende tochten en volbracht hij de ge- 
vaarlijkste nachtelijke ondernemingen, waarbij het hem gelukte 
zich door ijver, geschiktheid en dapperheid zoodanig te onder- 
scheiden , dat van hoogerhand het volste vertrouwen werd gesteld 
in zijne kunde en zijn doorzicht. 

Naast de begrijpelijke begeerte om zich van den hoofdver- 
rader Toekoe Oemar meester te maken, koesterde het Gouver- 
nement den wensch Toekoe Tjoet Lam Tenga gevangen te 
nemen of onschadelijk te maken , daar deze vriend en bondgenoot 
van Toekoj Oemar de bevolking van het nieuw onderworpen 
terrein steeds in beroering hield, en voortdurend onze posten en 
transporten bestookte , om daarna even snel te verdwijnen als hij 
gekomen was, zonder dat het mogelijk was om zijne schuilplaats 
te ontdekken, van waaruit hij zijn grooten politieken invloed 
deed gelden. 

Boon, die voortdurend met de Atjehsche spionnen in aan- 
raking kwam, deed herhaaldelijk vergeefische moeite om van 



VAN DKN LUIT. DKR INF. C. J. BOON — 1896—1898 115 

hen de schuilplaats van dat hoogst gevaarlijke en energieke 
Hoofd te weten te komen, daar hij dan in de gelegenheid 
zou zijn geweest om hem onschadelijk te maken en persoonlijk 
met zijn tegenstander in zoo menigen strijd af te rekenen. 

Wat hun ook geboden werd, geen der spionnen deelde iets 
mede, hetzij omdat zij werkelijk niets wisten, dan wel omdat 
zij niets durfden verraden, wijl zij beducht waren voor de bloe- 
dige wraak van den Toekoe en die zijner medestanders. 

Na maanden lang ijverig en volhardend onderzoeken en ge- 
duldig en behendig vragen, waarbij hem zijne grondige kennis 
van taal, zeden en gewoonten zeer te stade kwam, gelukte het 
Luitenant Boon eindelijk in het laatst van 1896 met zekerheid 
te wet^i te komen, dat Toekoe Tjoet Lam Tenga zich te Lam 
Thoesoen schuil hield, en daarbij tevens eene teekening vsin 
die nederzetting op papier te brengen. 

Ook den weg die daarheen leidde was hem nu bekend , doch al 
die gegevens baatten weinig, daar aan een rechtstreekschen 
aanval nooit gedacht kon worden, want de nederzetting en den 
weg derwaarts werden naar onze zijde door talrijke en goed 
bezette posten bewaakt, zoodat men daarop het eerst zou stuiten 
en dan die posten wel kon vermeesteren, doch dan was ook de 
Toekoe gewaarschuwd en de vogel, waarom 't ons te doen was, 
zou gevlogen zijn; wel kon men dan de schuilplaats vernielen, 
maar dat was niet het doel dat in het oog gehouden moest 
worden; Toekoe Tjoet Lam Tengah moest dood of levend in 
onze handen vallen. 

Daar, voor zoover bekend was, de achterzijde van de neder- 
zetting onbewaakt was, zou de onderneming alleen dan mogelijk 
zijn, als een goed betrouwbaren gids, die alle sluipw^en kende, 
onze troepen heimelijk en onbemerkt in den rug van Lam 
Thoesoen kon brengen, om op die wijze het Hoofd onverwacht 
te overvallen. 

Maar zoo^n gids was nergens te vinden! .... 

Boon moest dus geduld oefenen en niet voorbarig handelen, 
terwijl hij bovendien uiterst voorzichtig moest zijn in zijn spreken 



116 DBH DAPPSBB en BKLEmyOLLS DADKN Tl ATJKH 

met de personen die hij aanzocht, want al hadden wij onze 
goed betaalde spionnen, ook Toekoe Tjoet Lam Tengah had 
de zijne en die waren trouw aan hun Hoofd en werkten niet 
voor geld, doch uit toewijding of vrees. De grootste omzichtigheid 
was noodig om den Toekoe niet ontijdig met onze plannen in 
kennis te stellen, daar hij dan hoogstwaarschijnlijk eene nieuwe 
schuilplaats zou zoeken, wat weder maanden en maanden tijd 
zou vorderen om die zoo nauwkeurig te kennen als de tegen» 
woordige. Hij moest in slaap worden gewiegd en zich achter 
zijne voorposten volkomen veilig achten. 

Was reeds bij tahijke gelegenheden gebleken, dat Luitenant 
Boon, zoowel uitnemend en verdienstelijk Controleur als dapper 
Officier was, in de maanden die met al die onderhandelingen ver- 
liepen blonk zijn doorzicht en zijne geschiktheid als Civiel gezag- 
hebber helder uit en de onstuimige, moedige Luitenant wist als 
een wijs staatsman zijn ongeduld te beteugelen; ofschoon hij menig- 
maal aan den uitslag begon te twijfelen, zoo hoopte hij toch nog 
altijd, dat de eene of andere toevalligheid hem gimstig zou zijn» 

En het was juist Toekoe Tjoet Lam Tengah zelf, die dat 
toeval in de hand werkte! .... 

Te Tjot Bah Pineung, aan den bovenloop der Kroeng Loethoe , 
bevond zich eene wacht van Toekoe Ali Bait en Boon vatte 
het voornemen op die wacht te overvallen. 

Geleid door den gids Si-Oesin gelukte die overvalling volkomen 
in den nacht van 27 Januari 1897, en daarbij vielen 7 Atjehers, 
2 achterlaad- en 9 vóórlaadgeweren benevens veel munitie in 
onze handen. 

Li het begin der maand Maart kreeg de waarnemende Contro- 
leur bericht, dat de gids Si-Oesin, omdat hij onze troepen als 
gids geleid had, op last van Toekoe Tjoet Lam Tengah den 
18^ Februari te Mamprèh was afgemaakt 

Van deze omstandigheid maakte Boon, de Atjesche adat der 
bloedwraak kennende, gebruik, om den vader van den vermoorden 
gids op te sporen en zijn wensch naar wraak tot ons voordeel 
aan te wenden. 



VAN DBN LUIT. DBB DïF. C. J. BOON — 1896-1898 117 

Si-Oesoef, zoo heette de vader van Si-Oesin, was als her- 
tenjager met al de paden en schuilhoeken in de bosschen en in 
het gebergte van den omtrek bekend, en een beteren gids zou 
zeker niet te vinden zijn. Hij weigerde echter ! . . . Hij durfde 
niet ! . . . Hij gevoelde zich te klein en te nietig om mede te 
werken tot den val van een Hoofd zoo Hooggeplaatst als de 
Toekoe, die bovendien talrijke en machtige vrienden had, die 
zeker diens dood op den schuldige zouden wreken. 

Geduld en nogmaals geduld bracht Boon zoover, dat Si-Oesoef 
hem nader inlichtte, dat een zoo goed als onbegaanbaar, zelden 
gebruikt voetpad van den voet van het gebergte tot in den rug 
der schuilplaats te Lam Thoesoen voerde; toen hij dat wist 
drong hij nog sterker aan en gebruikte hij alle overredingskracht 
ten einde den man over te halen om hem daar langs te geleiden* 

Eindelijk bezweek Si-Oesoef voor de redenen die twee der ons 
getrouwe Hoofden op verzoek van Boon deden gelden en de 
vader van den vermoorden gids beloofde eindelijk, den 14®'^ 
Maart, onze troepen als gids te zullen dienen. 

Boon zegevierde en had eindelijk de gegevens in handen om 
een grooten, een voor ons zoo gewichtigen slag te slaan. 

Nadat hij den Gouverneur van Atjeh het geheele plan nauw- 
keurig en omstandig had medegedeeld, werd hem de toestemming 
tot dien belangrijken tocht gegeven en tevens bepaald, dat de 
nacht van 20 Maart 1897 voor de uitvoering zou bestemd zijn, 
een nacht waarvan te verwachten was , dat alleen het sterrenlicht 
onze onderneming zou beschijnen en Boon hoopte zelfs, dat eene 
bewolkte lucht ook dat licht zoude onderscheppen. 

Alles werd uiterst geheim behandeld en de gids niet meer uit 
het oog verloren, om alle mogelijke kans van waarschuwing des 
vijands buiten te sluiten. 

Voor den tocht, die geheel onder de leiding van Luitenant 
Boon zou staan, werden zes brigades Maréchausée aangewezen 
onder twee Officieren. Daar dit troepje zich echter in een geheel 
onbekend terrein te midden van een goed versterkten en dapperen 
vijand zou begeven, om een der belangrijkste, maar tevens ook 



118 DBQE DAPPKBB SN BKLBIDVOLLK DADKM TB ATJKH 

een der moeilijkste en meest gewaagde overvallingen te doen , werd 
bepaald , dat van uit Samaghani een sterke troep naar 't gebeigte 
zou oprukken, met last om even na het aanbreken van den dag aan 
den voet der heuvelrij te zijn ten einde zoo noodig den overvalüngs- 
troep, als die in 't nauw gebracht werd, te ondersteunen enaach 
in geen geval vóór dien tijd in de nabijheid daarvan te ver- 
toonen. Boon berekende, begunstigd door de duisternis, de over* 
valling tegen den morgen te volbrengen en vreesde dat, als de tro^ 
uit Samaghani, die zeker op de vijandelijke voorposten zou stuiten, 
zich te vroeg vertoonde, die voorposten alarm zouden maken en 
de onderneming doen mislukken ; mocht hij ingesloten en in 't nauw 
gebracht worden, dan rekende hij wel zoolang met zijne dappere 
Maréchausées stand te kunnnen houden, tot de ondersteunings- 
troep uit Samaghani hen bereikt had. Hij wilde liever iets meer 
wagen , dan de kans te loopen door overhaasting de onderneming 
te doen mislukken. 

Nog bijna op het laatste oogenblik weifelde de gids om den 
troep te geleiden, toen hij vernam dat Boon van plan was de 
groote omtrekkende beweging te maken en het sedert lang niet 
meer gebruikte voetpad te volgen, want de gids meende dat 
die tocht bijna onmogelijk was, zelfs voor een Atjeher; hij be- 
weerde dat het bestijgen van het gebergte aan die zijde met 
tallooze bezwaren gepaard ging, want het pad voerde berg op 
en berg af, langs diepe ravijnen, door bijna ondoordringbare 
boschachtige gedeelten en langs hellingen begroeid met doorn- 
struiken, alang-alang en glagah*), terwijl bovendien op vele 
plaatsen het pad verdwenen was en dan den weg in het duister 
moeielijk te vinden zoude zijn, zoodat een gewapende troep dien 
weg onmogelijk kon volgen. Hij stelde voor om de kolonne 
heimelijk, tusschen twee voorposten door, naar 't doel te voeren* 



*) Alang-alang is een ruw scherp gras en glagah , eene rietachtige grassoort 
met scherpe bladeren en b^zonder harde stengels. Beide soorten bereiken 
soms eene hoogte van twee meter, zgn bgzonder moeilgk te passeeren 
en de preferente schuilplaats van tygers en slangen. Men bedenke dat de 
Inlandsche soldaat op bloote voeten loopt. 



VAN DKN LUrr. DKR INF. C. J. BOON — 1896—1898 119 

Boon weigerde dit en bewees hem, dat daar waar 't mogelijk 
was dat een of twee man tusschen twee posten doorsluipen, dit 
aan een zeventigtal soldaten niet gelukken zal en de tocht dan 
zou mislukken; hij verzekerde den gids dat de kranige Mare- 
chaussees overal konden komen waar een Atjeher kwam en 
dat dus de door hem gekozen weg, hoe bezwarend te begaan 
ook, de eenigst mogelijke was. 

Ten slotte bezwijkende voor de redeneeringen van den Con- 
troleur en den invloed der beide ons getrouwe Hoofden , stemde 
de gids eindelijk toe. 

Even voor den afmarsch van Lambaroe, die om S^ uur des 
avonds plaats had , werd aan de kolonne het doel van den tocht 
en de richting van den te volgen weg medegedeeld en werden 
tevens de noodige inlichtingen gegeven betreflfende de inrichting 
der schuilplaats, die overvallen moest worden. 

In de grootste stilte werd de marsch naar het gebergte gedaan, 
zoodanig zelfs, dat op zeker oogenblik de geheele troep on- 
gemerkt onder eene Atjehsche woning doorsloop, zonder dat 
de zich daarin bevindende bewoners het gesprek staakten. 

Tegen middernacht, dus na een afinattenden marsch in vol- 
slagen duisternis van bijna 4 uur, werd de voet van het gebergte, 
daar waar het voetpad naar boven voerde, bereikt en een kort 
oogenblik rust genoten. 

Daarna begon het moeielijkste deel der onderneming en het 
bleek dat de gids waarlijk niet had overdreven; maar het doel 
lag vooruit en vooruit ging het, hoe de bezwaren zich ook 
opeenstapelden. Boon met den gids vooraan, de anderen vol- 
gende man voor man, en langzaam zwoegde het troepje de 
steile hoogte op. 

Het was zoo duister, dat men soms slechts drie pas om zich 
heen iets kon waarnemen; dit, gevoegd bij den hoogst moeielijken 
toestand van den weg, was oorzaak dat men slechts uitermate 
langzaam vorderde en ook nu en dan halt moest houden, ten 
einde niemand te doen afdwalen , of aan de achterblijvers gelegen- 
heid te geven zich weder aan te sluiten. 



120 DUS DAPPERS SN BELBIDTOLLS DADEN TE ATJEH 

Alle orders en berichten werden fluisterend van man tot man 
overgebracht. 

Van een voetpad was dikwijls geen sprake, zoodat dan door de 
doomachtige struiken met de klewang in de vuist een pad ge- 
baand moest worden en het alleen aan een uitstekenden gids als 
Si-Oesoef mogelijk was om niet te verdwalen en de goede richting te 
behouden. Meermalen voerde de weg den troep [langs diepe af- 
gronden en ravijnen, waar de grond zóó los was en het pad tusschen 
de rots en den afgrond zóó smal, dat de troep slechts voor- 
zichtig kruipend kon vorderen, zich daarbij aan de wortels en 
takken der struiken vasthoudende om niet naar beneden te storten. 

Het ongeduld van den leider werd op eene zware proef ge- 
steld, want de tijd snelde voort en de troep geraakte geheel 
uitgeput; slechts de hoop op een gunstigen uitslag en den vasten 
wil der Officieren hield de manschappen op de been. 

Eindelijk, tegen half vier in den morgen, gaf de gids een 
teeken, ten bewijze dat zij het punt waar gehandeld moest wor- 
den, op korten afstand genaderd waren. 

Zwijgend hield de volhardende troep halt en de manschappen 
wierpen zich uitgeput op den grond, om van dat korte oogenblik 
rust te genieten en ook als bij instinct, om zich zoo veel mogelijk 
onzichtbaar te maken. Boon echter rustte niet ! . . . Zoo nabij 
den uitslag, aan welker voorbereiding hij maanden lang gearbeid 
had, voelde hij geene vermoeienis en zijn hart klopte als het 
ware hoorbaar van verwachting. 

Alleen door den gids vergezeld kroop hij behoedzaam voor- 
waarts, tot hij den rand eener kloof bereikte en daar, op eene 
diepte van vijftig meter beneden zich, zag hij een paar lichtjes» 
die de ligging der hoofdgebouwen aanduidden, terwijl tevens het 
geluid van eenige stemmen tot hem doordrong, een bewijs dat 
de vijand onbezorgd was en geen gevaar duchtte. 

Daar beneden bevond zich de gevaarlijke en invloedrijke 
vijand ! . . . Slechts een korten afistand scheidde hem van Toekoe 
Tjoet Lam Tengahl. .. Het volgende oogenblik zoude beslissend 
zijn ! • . . Wat zou dat brengen ? . . . 



YAN DKN LUIT. DEB INF. C. J. BOON — 1896—1898 121 

Zijn aan de diiisternis gewend oog ontwaarde schemerachtig 
eene hoefvormige kloof, waarin verschillende woningen verspr^d 
lagen. Fluisterend, de woorden als het ware slechts uitademende 
en hoofdzakelijk teekens bezigende, wees de gids aan den 
ingang der kloof de woning van den Toekoe aan; de andere 
huizen waren bewoond door volgelingen en een Hoofd van min- 
deren rang, den Iman van Lam Leuë. Vlak naast hen voerde 
een pad rechtstreeks in de diepte en op de hoófdwoning van 
den Toekoe aan en iets verder zijwaarts een ander pad naar het 
huis van den Iman. 

De kolonne was dus, zoo als de leider gewenscht had, juist 
in den rug der stelling en aan de andere zijde stonden de 
wachtposten des vijands, wier waakzaamheid nu nutteloos was 
en die het noodlot niet konden afweren, dat hun hoofdman van 
zoo nabij bedreigde. 

De helft van den troep werd aangewezen om de woning van 
Toekoe Tjoet Lam Tengah te omsingelen en zich levend ot 
dood van eiken bewoner van dat huis meester te maken ^ maar 
vooral de bij allen bekende Toekoe tot geen prijs te laten ont- 
snappen. De andere helft zou afdalen naar de woning van den 
Iman en dezen met zijn gevolg gevangen nemen, of bij verzet 
neerleggen, doch om het ontsnappen van den hoofdaanvoerd^ 
door ontijdig alarm te voorkomen, zou deze laatste helft de af- 
daling eerst beginnen, als de eerste in het dal was aangekomen. 

Geruischloos als schimmen en zwijgend, doch dreigend als 
het noodlot, daalden de drie brigades Marechaussee door Boon 
en hun Offider voorafgegaan langs het voetpad dat rechtstreeks 
naar de bedreigde woning voerde in de kloof af, en naarmate 
zij daar vasten voet kregen, schaarden zij zich als automaten 
zoodanig om die woning, dat niemand daaruit kon ontsnappen. 

Hoe stil alles ook in zijn werk was gegaan, toch scheen men 
daar binnen onraad te bemerken, want eensklaps vielen er eenige 
schoten uit de woning om alarm te maken en de vooruitgeschoven 
posten te waarschuwen dat hun Hoofd in gevaar verkeerde. 

Onmiddellijk daarop donderde een salvo van den aanvaUeoden 



122 DUS DAPPKBB SN BSLSIDTOLLS DADSN TE ATJSH 

troep, waarvan de kogels de wanden doorboorden en het geluid door 
de rotswanden werd weerkaatst, zoodat het luid in 't ronde klonk 
en dit salvo terstond werd gevolgd door een aanval met de bajonet 

Een deel van den troep drong het verblijf van den Toekoe 
binnen; een kort gevecht volgde binnen de wanden van het huis 
en al wat weerstand bood werd met de bajonet afgemaakt 

Toekoe Tjoet Lam Tenga was niet meer! . . . Hij was gevallen 
met zeven zijner volgelingen, die zijne woning deelden. 

De Iman ontkwam echter, omdat de tweede* patrouille diens 
verblijfplaats nog niet had kunnen omsingelen, toen de eerste 
schoten vielen. De vrouwen en kinderen liet men ongedeerd 
hun heil in de vlucht zoeken. 

De geheele neerzetting werd verbrand en de buit, zijnde acht 
achterlaad-, zes voorlaadgeweren en een jachtbuks benevens veet 
achterlaadmunitie werd medegevoerd, terwijl eene groote voor» 
raad kruit in de woningen achtergebleven, bij den brand de 
vernieling der gebouwen bespoedigde, een indruk te weeg bren» 
gende als het slot-efifect van een vuurwerk. 

Het doel van dezen nachtelijken en hoogst moeilijken tocht 
was glansrijk bereikt en zonder eenig verlies van onze zijde. 

Tegen vijf uur werd de terugmarsch aangenomen, maar nu 
langs het meer gemakkelijke voetpad; wel werd de troep door 
den vijand beschoten, doch vond toch geen emstigen tegenstand 
en om half zeven stond men weder aan den voet van het 
gebergte, waar de uit Samaghani gezondene ondersteuning in 
stelling stond. 

Een gevaarlijk en invloedrijk tegenstander was onschadelijk 
gemaakt; het geduld, de volharding en het beleid van den 
jongen Officier vond loffelijke goedkeuring , en voegde weder een 
lauwer bij de vele die hij zich reeds had verworven. 

Ofschoon het bestuur in Atjeh het voorbeeld van onzen kra-- 
nigen Karel van der Heijden, den populairen een-oogigen Atjeh- 
Generaal, volgde en door voortdurend patrouilleeren de rust 
handhaafde, kon dit toch niet beletten dat telkens kleine benden. 



YAN DEN LUIT. DBB IKF. O. J. BOON — 1896—1898 123 

onze forten en transporten verontrustten, en nadeel toebrachten. 

Wel waren dit meer zoogenaamde rooversbenden , die er op 
uit waren om te leven van den roof, verkregen door vreedzame 
goedgezinde kampongbewoners schrik aan te jagen, en die zich 
voltallig hielden door alle slechte sujetten in zich op te nemen, 
doch zij werden gesteund en dikwijls aangevoerd door ons vijan- 
dige Hoofden, die het meeste belang hadden bij een voort- 
durend onrustigen toestand. 

Als deze benden niet op plunderen of brandschatten uit 
waren, vermaakten zij zich met het beschieten onzer bezettingen, 
wat dan ^main passang blanda» *) werd genoemd. Zij handelden 
daarbij in den regel wel niet naar een vast plan, en de benden 
die dat spelletje bedreven waren gewoonlijk niet zeer talrijk, doch 
zij brachten onrust teweeg, maakten de omgeving onveilig en 
menige in den wilde a%eschoten kogel trof somtijds ongelukkig 
doel en maakte een slachtoffer. 

Het was onmogelijk tegen dergelijke strooptochten openlijk op 
te treden , want de benden vermeden eiken strijd met onze troepen ; 
zoodra deze uitrukten om de onruststokers aan te vallen, ver- 
dwenen de vijanden zonder eenig spoor achter te laten en ver- 
zamelden zich weder in hunne goed verborgene schuilplaatsen^ 
waarvan de nadering voor elkeen, die aan de bende vreemd was 
of niet tot haar behoorde, hoogst gevaarlijk was. 

Het een^e wat dus tegen deze roovers ondemomeir kon wor- 
den, was het nachtelijk overvallen hunner schuilhoeken , nadat 
men zich door middel van spionnen goed van de ligging op de 
hoogte had gesteld en een gids bereid was den troep den weg 
te wijzen , als wij dien niet reeds kenden ; gidsen waren moeielijk 
en gewoonlijk alleen tegen hooge belooning te vinden, want de 
wraak die de vijand nam, al vermoedde hij slechts wie de dader 
was, was verschrikkelijk en strekte zich dikwijls uit over de ge- 
heele familie van den gids, zonder dat het ons mogelijk was 
onzen dienaar te beschermen. 



*) Schietspelletje op de Hollanders. 



124 DRIE DAPPKRB KM BSLKDTOLLl DADEN TB ATJKH 

Een dergelijke overvaliing bleef altijd een waagstuk en e&ie 
uiterst moeielijke taak die niet van gevaar ontbloot was, getuige 
het laatste groote verlies dat wij leden in den peisoon' van 
Luitenant H. M. Vis, die als waarnemend Controleur bij eene 
dier overrompelingen nog onlangs zijn kostbaar leven liet en 
zoowel tot diepe smart zijner ouders en vrienden, als tot schade 
van het Vaderland, aan zijn belangrijken werkkring werd ont- 
rukt, waarin hij nog met zooveel nut werkzaam had kunnen zijn. 

Herhaalde malen rukte Boon voor dergelijke verrassingen uit, 
hetzij hij zelf den troep aanvoerde , of dat hij een ouder of hooger 
in rang staand Officier vergezelde, om met den gids den weg te 
wijzen en met zijne kennis van terrein, volk en taal den aan- 
voerder ter zijde te staan. Bijna altijd mocht het hem gelukken 
de overvalling der schuilplaats tot een goed einde te brengen 
en door zoo menigen vijand in het zand te doen bijten, vele 
benden tijdelijk onschadelijk te maken. 

Onder alle benden van die soort was er echter ééui die de 
andere in geheim zinnigheid en brutaliteit overtrof en welke po- 
gingen Boon ook in 't werk stelde om met zekerheid de sdiufl- 
plaats te weten te komen, scheen alles vruchteloos. Die bende 
scheen onvindbaar en ongenaakbaar, doch Boon, volhardend als 
altijd, gaf den moed niet op en bleef de in zijnen dienst 
staande spionnen tot onvermoeid zoeken aansporen. 

Ten einde dat zoeken gemakkelijk te maken , werd op zijn ver- 
zoek door onze patrouilles in de vermoedelijke richting dier schuil- 
plaatsen niet meer geageerd, ten einde den vijand te doen gelooven 
dat men het opgaf, zoodat hij zich veiliger zoude gaan ge- 
voelen, waardoor zijne brutaliteit zoude toenemen en hij zich, 
zij het ook slechts een oogenblik, zou bloot geven. 

Die bende werd hoofdzakelijk aangevoerd door Toekoe Moeda 
Latif , een lid der aanzienlijke Polim-familie , en door Teungkoe di 
Boesoek, beiden voorname Hoofden, die door hunne ongdioorde 
brutaliteit en geslepenheid, en gesteund als zij werden door 
Toekoe Oemar en andere aanzienlijke leiders, ongehoord lastig 
en gevaarlijk waren. 



VAN DKN LUIT. DER INF. O. J. BOON — 1896—1898 125 

Eindelijk gelukt het den Iman van Sihom, eene kampong die dik- 
wijls overlast van die bende had , door zijne spionnen de schuilplaats 
te ontdekken en met zekerheid den weg derwaarts te kennen. 

Ofischoon zoowel Boon als de troepen den 19®° October 1897 
een uiterst yermoeienden dag hadden gehad, schroomde noch 
de Controleur, noch de Kommandant van het bivak Indrapoeri 
om de goede gelegenheid te benutten en met den Iman als 
gids, nog dienzelfden nacht de overvalling te beproeven. 

Daartoe werden twee kompagniën Infanterie aangewezen , omdat 
volgens gerucht de bende zeer sterk was en het even goed 
mogelijk kon zijn dat slechts een deel , als dat de gehede troep in 
de schuilplaats aanwezig was, in welk geval op sterk verzet gerekend 
moest worden. 

In den avond van den 19®*^ October werd om 10 uur in alle stilte 
uitgerukt en door den gids geleid, bereikte men, na een moeielijken 
marsch van twee uren door het geacddenteerde bergterrein , een 
heuveltop, van waar de schuilplaats waargenomen kon worden. 

De kolonne bleef, even stil als zij gekomen was en gedekt door 
den heuveltop, ongezien staan en Boon kroop met den gids 
vQoruit om het terrein te verkennen. Met een enkelen blik had 
hij, aan dergelijke waarnemingen gewend, het terrein overzien. 

Vóór hem, aan den voet der volgende heuvelreeks, lag eene 
kleine open vlakte met alang-alang begroeid, waartusschen, bij 
het zwakke schijnsel der maan, eene groote hut was waar te 
nemen. Duidelijk hoorde hij in de nachtelijke stilte talrijke stemmen, 
die zingende hun gebed deden. Kronkelend door de alang-alang , 
liep een voetpad van den heuvel, waar de waarnemer zich 
bevond, rechtstreeks op de hut aan. 

Nadat de kolonne-Kommandant omtrent den toestand op de 
hoogte was gebracht, bepaalde hij de noodige maatregelen in 
overeenstemming met den waamemenden Controleur. De kolonne 
zou blijven waar zij was en de eerste sectie onder haren Officier 
zou met den Luitenant Boon, waarnemende Controleur, eene 
•omtrekkende beweging maken en zoo den vijand .tusschen 
^ee vuren brengen, daar een rechtstreekschen aanval langs het 
U 9 



126 DBDB DAPPXBX IM BBLBIDYOLLB DADKN TB ATJKH 

voetpad, de geheele onderneming in duigen zou doen vallen. 

De omtrekkende beweging was uiterst moeielijk, want zij 
moest zoo dicht nabij mogelijk geschieden, om de schuilplaats 
niet uit het oog te verliezen, en toch ongezien en zonder 
gehoord te zijn voltrokken worden. 

Voorzichtig en zwijgend door de struiken voortsluipende , zoodat 
geen tak kraakte en bijna geen blad zich bewoog, werd de om-> 
trekking volbracht en stond Boon met zijne kleine macht weldra, 
gedekt door het struikgewas, op eenige passen van de woning, slechts 
door een smal riviertje daarvan gescheiden, zoodat hij de stemmen 
duidelijk kon onderscheiden. 

Ten einde na te gaan op welke wijze de soldaten het best het 
riviertje ongezien konden oversteken, begafhij zich even buiten de 
struiken en werd toen eerst opgemerkt door een Atjeher, die 
een bad in de rivier nam. 

Een rauwe waarschuwenden kreet slakende vluchtte de Atjeher, 
waarop Luitenant Boon zonder dralen in den stroom sprong en 
vooruitstormende, met donderende stem in de nachtelijke stilte 
het kommando €attakeeren» deed hooren. 

Wat toen gebeurde is moeielijk te beschrijven. Alles gebeurde 
zoo snel en zoo verrassend, dat de overvalling in een oogwenk 
was afgeloopen. 

Zoodra de badende Atjeher in zijne vlucht zijne luide waar- 
schuwing deed hooren, zwegen de stemmen in het huis, om 
in een ontzettenden angstkreet over te gaan, toen in hunne 
onmiddelijke nabijheid het wel bekende commando <attakeeren» 
klonk, terstond gevolgd door een luid hoera der den Luitenant 
nastormende sectie. 

Eene talrijke halfgekleede troep Atjehers trachtte uit alle 
openingen het huis te ontvluchten en het beschermende bosch 
te bereiken, gillende en schreeuwende, elkaar verdringende en 
overhoop loopende. 

Onmiddellijk liet Boon halt maken en op de vluchtende vijanden 
een repeteervuur openen, ten einde ook de kolonne daaroe in 
de gelegenheid te stellen, zonder zijn omtrekkenden troep door 



YAN DSN LUIT. DXB IMF. C. J. BOON — 1896—1898 127 

haar vuur in gevaar te brengen. De uitslag was, dat negen 
vijanden in de nabijheid der schuilplaats bleven liggen. 

Toen de overigen in het bosch verdwenen waren, snelde Boon 
met een Officier en zeven ftiseliers den vijand na en doorzocht 
het terrein nog circa 1200 meter in de richting waarheen de 
Atjehers gevlucht waren, zoodat na korten wederstand nog drie 
vijanden werden nedergelegd. 

De overrompeling bleek zoo verrassend te hebben plaats gehad, 
dat van den vijand velen gevlucht waren zonder hunne wapens 
te kunnen medenemen. Behalve de twaalf gesneuvelden vielen 
nog negentien achterlaad geweren, zes voorlaad geweren, veer- 
tien klewangs, acht rentjongs, een revolver, zes patroontasschen 
en een grooten vooraad achterlaad munitie in onze handen, en 
dat alles zonder eenig verlies aan onze zijde. Latere berichten 
meldden nog dat velen gewond werden, waaronder ook Toekoe 
Moeda Latif, wiens vertrouwde Teungkoe Amat tot de gesneu- 
velden behoorde *). 

Deze met bijna voUedigen uitslag volvoerde handeling zette de 
kroon op het werk, want de vijand bemerkte dat hij voor Luitenant 
Boon en zijne troepen nergens veilig was en zonder genade werd 
vervolgd en schadeloos gemaakt, zoodat deze en andere benden 
uit de streek verdwenen, of althans zich voorloopig stil hielden. 

Ziedaar enkele feiten uit den grooten aanwezigen voorraad 
vermeld; zij leveren het bewijs dat de i® Luitenant C. J. Boon 
èn als Officier, èn als Civiel gezaghebber onvermoeid en onver- 
saagd zijn plicht, ja meer dan zijn plicht deed , en dat elke taak, 
hoe moeielijk en gevaarlijk ook, aan zijne handen toevertrouwd, 
tot een goed einde zal worden gebracht, in zooverre dat van 
zijne leiding en zijnen moed afhankelijk kan zijn. 

Een Eeresaluut aan den braven krijger!! 

*) Teungkoe di Boesoek ontkwam en behoort nog tot onze felste tegen- 
standers. Toekoe Moeda Latif heeft zich sedert onderworpen ; deze is nu 
de vermoedelgke opvolger als hoofd der Polim-familie , als Panglima Polim 
komt te overiyden. 



De Sergeant der Marechaussees H. M. H. den RooUen 

Ridder Militaire Willemsorde 3* Idasse bU het gevecht te 

Qlé TJoet (Aljeh) — 1900 

Marchez-au canon 
Napoueon L 

Het MM^marchez^au canon !»» van Napoleon is eene stelling die 
voor minder zelfetandige en niet volkomen besluitvaardige aanvoer- 
ders dikwijls groote bezwaren in heeft 

Niet altijd kan men beslist oordeelen of de eigene afdeelingj 
die in een gevecht gewikkeld is, hulp noodig heeft en de afwijking 
der zelf ontvangene imperative opdracht noodzakelijk maakt en 
wettigt, zoodat het meer gebeurt dat dergelijke bevelhebbers, 
zich gedekt voelende door den hen gegeven last, zonder meer 
eenvoudig de hun opgedragene taak volbrengen. 

De krijgsgescheidenis geeft daarvan voorbeelden genoeg en 
menige veldslag zou een ander verloop hebben gehad, als die 
nuttige stelling in praktijk gebracht was, want een tijdig ingrijpen, 
zel& van eene kleine macht, heeft soms vérstrekkende gevolgen. 

Een direct verwijt van plichtverzuim kan die minder zelfstandige 
aanvoerders dan wel niet gemaakt worden, maar toch kan met 
grond worden gezegd, dat zij gebrek aan doorzicht en beleid 
toonden, de meest onmisbare eigenschappen in de aanvoerders 
van op zich zelve ageerende afdeelingen. 

De verantwoordelijkheid van den bevelhebber is dan ook zeer 
groot en alleen personen met veel zelfstandigheid en groot zelf- 
vertrouwen, begaafd met een helder inzicht in oorlogshandelingen 
die niet zoozeer door studie als wel door ondervinding verkregen 
kan worden, en die als bij ingeving gevoelen, dat het juiste oogen- 
blik van handelen gekomen is, zullen eene dergelijke verant- 
woordelijkheid op zich durven nemen, want als ooit het succes 



DB SBReKANT DER IIARÉCHAUSÉBS H. M. H. DKN ROOUEN 129 

eene eigenmachtige handeling rechtvaardigt, dan is dat in deze 
omstandigheden zeer zeker het geval , waar dikwerf niet veel tijd tot 
nadenken is, want wil men handelen, dan moet dat spoedig en 
beslist geschieden, anders kan de uitslag zoowel voor den helper , 
als voor den geholpene noodlottig zijn. 

Groot is dan ook de eer die de aanvoerder geniet die eene 
dergelijke afwijking op eigen verantwoordelijkheid durfde onder- 
nemen, want door zijne moedige handeling bracht hij in het 
gevecht de beslissing ten voordeele aan, die zonder hem wellicht 
niet mogelijk was geweest 

Ons Indisch Leger kan gelukkig tal van dergelijke zelfetandige 
degelijke aanvoerders, zelfs in de inferieure rangen aanwijzen, 
mannen die, al zijn zij zwak in wetenschappelijke kennis , sterk zijn 
in alles wat den krijgsman vooral in den kleinen oorlog, in 
den guerilla krijg, groot maakt, namelijk ««moed, beleid en 
trouw !»» 

De Kommandant van het bivak te Meureudoe (Atjeh) had 
middels spionnen het bericht ontvangen , dat de vijand zich in de 
kampong Glé Tjoet ophield en zich daar goed verschanste, 
voortdurend versterkt wordende door afdeelingen uit de in de 
nabij gelegene heuvelreeks verblijf houdende vijandelijke benden. 

De kampong Glé Tjoet was gelegen aan den voet der hoogten 
die een talrijken overmoedigen vijand tot schiiilplaats strekten 
en waarheen hij telkens zijne toevlucht zocht als onze troepen 
hem in de vlakte eene nederlaag hadden toegebracht; omringd 
door eene bijna onafidenbare sawahvlakte, die een ruim uitzicht 
naar alle zijden toeliet, was die kampong onmogelijk bij verrassing 
te nemen, terwijl de nabijheid der heuvels den Atjehers de gele- 
genheid aanbood, om zich spoedig, door zich daarin te verspreiden, 
aan onze vervolging te onttrekken, want wel konden onze dap- 
peren hen ook daar volgen, doch de vijand was dan als met too ver- 
slag in het zwaar begroeide terrein verdwenen. 

Een volkomen succes onzer wapenen zou alleen te verkrijgen 
zijn, door langs een grooten omw^ en wel buiten om de open 



190 DK SKaaEANT DER MABÉGHAUSSÉBS 

sawahvlakte langs den linkeroever der Olim-rivier de aanval der 
hoofdkolonne te doen plaats hebben en te gelijkertijd aan de 
tegenovergestelde zijde eene andere afdeeling zoo geheim mogelijk 
stelling te doen nemen in een suikerriettuin waar langs de 
terugtochtsweg des vijands liep als hij zijne schuilplaats in 't ge- 
bergte wilde bereiken, en hem dan van uit die gedekte stelling 
den terugtocht zoo goed als onmogelijk te maken, waardoor de 
nederlaag meer volkomen en indrukwekkender zoude zijn. 

Met de noodige voortvarendheid besloot de bivak-komman- 
dant tot de uitvoering en den 5®° Mei 1900 rukte een troep 
van het 12® Bataljon Infanterie sterk 100 bajonetten iiit, onder 
aanvoering van den Kapitein Jhr. A. W. van Holthe, om 
den hoofdaanval op Glé Tjoet te doen en den vijand uit z^'ne 
positie te verdrijven. 

De taak om den vijand den terugtocht af te snijden werd op- 
gedragen aan twee brigades Marechaussees , onder kommando van 
den Sergeant van dat korps H. M. H. den Rooijen , ter sterkte 
van een Amboineesch sergeant en 34 minderen; de sergeant 
den Rooijen was voorzien van een iiitmuntenden veldkijker, om 
eene groote iiitgestrektheid terrein met de meeste nauwkeurigheid 
te kunnen waarnemen. 

De taak van dien kleinen troep kon uiterst moeielijk worden, 
want niet alleen dat de vluchtelingen zich met de woede der 
wanhoop zouden verdedigen, maar de vijanden uit het gebergte 
zouden hoogst waarschijnlijk de vluchtende makkers te hulp 
snellen en de kleine kolonne aan twee zijden bestoken, of wel 
de vijand had het gewicht der positie in den suikerriettuin be- 
grepen en tijdig zijne maatregelen genomen. 

Voor die vereerende en moeielijke taak werden dan ook de kra- 
nige en dappere Marechaussees aangewezen , omdat die niet alleen 
met den vijand in sluwheid en snelheid van beweging konden wed- 
ijveren, doch hem in roekeloosheid en onverschokkenheid over- 
trojQfen, waarom zij dan ook door de Atjehersten zeerste gehaat 
en nog meer gevreesd waren, want bijna niets was dat dappere keur- 
korps onmogelijk, een korps dat zich nooit lang met vuren ophield , 



H. M. H. DSN BOOUIBN BIJ HET GBYBOHT TB OLÊ TJOBT — 1900 181 

doch er de voorkeur aan gaf zoo spoedig mogelijk onweerstaanbaar 
op den vijand in te stormen en door een bloedig handgemeen 
het pleit te beslechten. 

De aanvoerder, de sergeant den Rooijen was reeds geruimen 
tijd een waardig lid van dat dappere keurkorps en had al menig 
bewijs van dapperheid, beleid en doortastendheid gegeven, wat 
dan ook den Chef aanleiding gaf om hem dat bevel toe te ver- 
trouwen, want hij was toen reeds voor eene Koninklijke belooning 
voorgedragen, die hem bij koninklijk besliiit van den 13®° Juli 
1900 verleend werd , door zijne benoeming tot Ridder der Militaire 
Willemsorde 4® klasse en die reeds den 10^ October daaraan- 
volgende gevolgd zou worden door eene bevordering tot Ridder 
der 3<' klasse dier orde, voor zijn moedig en beleidvol optreden 
op den 5 Mei 1900 bij de verovering van Glé Tjoet. 

Niet alleen genoot hij het volle vertrouwen zijner Chefs , maar 
ook dat zijner ondergeschikten, die op dat punt dikwijls de beste 
beoordeelaars zijn en die alles met zoo'n aanvoerder durfden wagen , 
want zij wisten bij ondervinding dat hij hen wel den eervolsten tevens 
den gevaarUjksten weg wees, den weg ter zegepraal , maar ook dat 
hij niets zou nalaten als hij zijne dapperen sparen kon en de zijnen 
zou voorgaan en leiden als een onovertroffen guerilla-aanvoerder. 

Na gedurende ongeveer vier uren met de meeste omzichtigheid 
en zoo bedekt mogelijk gemarcheerd te hebben, zonder de 
sawah en den voet der heuvelreeks uit het oog te verliezen, 
maar ook zonder iets van de hoofdkolonne te hebben bespeurd 
of een vijand te hebben ontmoet, bereikte het kleine troepje het 
doel dat hun was aangewezen en nam de sergeant eene prachtige 
positie in het hooge hem voor aller oogen verbergende suiker- 
riet in. 

Zoover hij zijn oog liet wijden was niets te bespeuren; geen 
schot werd gehoord en allen voelden zich wel eenigzins teleur- 
gesteld, daar zij gehoopt hadden op een schitterend gevecht. 

Eindelijk t^en vijf uur bemerkte den Rooijen de voorste 
tirailleurs van de kolonne van Holthe, die in gevechtsformatie 
over de strook open sawah rechtstreeks op de kampong Glè 



132 DB BEBBRAXn DER lUBÉCHAUSSiBS 

Tjoel aanrukten, vertrouwende dat de Marechaussees als gewoonlijk 
op hun post zouden zijn, maar tegelijkertijd heeft ook de be* 
zetting der kampong de naderende aanvalskolonne waargenomen 
en opent nu onder uitdagend krijgsgeschreeuw een levendig , 
goed onderhouden vuur, daardoor 't bewijs gevende dat hij van 
plan was moedig stand te houden , wellicht hopende dat de 
naderende duisternis het den aanvaller onmogelijk zoude maken 
om de overwinning te behalen. 

Het gevecht was dus eensklaps met felle woede ontbrand,, 
want de aanvalskolonne liet niet na het vijandelijke vuur te be- 
antwoorden en zoowel de dappere Marechaussee-aanvoerder 
als zijne manschappen blaakten van lust om bij dat feest een 
handje te helpen, want dat gaf meer bevrediging voor hvn 
ontembaren moed, dan om uit eene goed gedekte stelling de 
vluchtelingen neer te schieten. 

Hoezeer het den Rooijen ook hinderde om zoo werkeloos te 
blijven en den strijd lijdelijk aan te zien, toch wilde hij gehoor- 
zamen aan de gegevene bevelen, wat het hem ook kostte om. 
de eigen strijdlust en die der zijnen in toom te houden. 

Weldra wordt *t vuur heviger en aanhoudend ratelt en knettert 
van beide zijden het geweervuur, waaruit de in oorlogshandelingen 
zoo ondervindingrijke sergeant opmaakt, dat de tegenstand heviger 
is dan verwacht werd en de aanvalskolonne het zeer hard te 
verantwoorden heeft, vooral daar zij niet anders dan over 
een geheel open terrein de achter wallen en struikgewas goed 
bedekt opgestelden en uitmuntend gewapenden vijand kan nade* 
ren en aanvallen. 

Hoewel zijn troepje slechts eene geringe sterkte heeft, zou 
het toch door een onverschrokken en onverhoedschen aanval aan 
de andere zijde des vijands, de taak der hoofdkolonne aan* 
merkelijk kunnen verlichten, doch hoezeer allen dat wenschen en 
hoe gewichtig dat ook zou zijn, kan en mag hij niet han- 
delen, want zijne taak is afgebakend; hij moet wachten tot de 
vijand vlucht en dan eerst in de handeling ingrijpen. 

Orders kan hij niet vragen en de in de ijzeren discipline groot 



H. M. H. DKN BOOUXN BU EBT OBVBBHT TE OLÉ TJOKT — 1900 IdB 

gebrachte aanvoerder weet dat gehoorzamen en stipt gehoorzamen 
een wel harden, doch een eersten plicht is. 

Hij beseft echter dat hier een buitengewoon geval plaats he^,. 
waartoe ook buitengewone maatregelen noodig en gewettigd zijn; 
hij weet dat hij als zelfstandig aanvoerder op eigen gezag in 
verband met de omstandigheden moet weten te handelen en hijt 
heeft de overtuiging dat de stand van het gevecht van dien 
aard is, dat zijn aanval van het grootste belang kan zijn; dat 
gebiedt hem ook zijn plicht tot het behoud der aanvallende 
kolonne, dat eischt de noodzakelijkheid en het succes van den 
dag, want de tijd verloopt, spoedig zal 't geheel duister zijn en 
als dan de vijand niet verslagen en de sterkte genomen is, dan 
kan de toestand hachelijk worden. 

Het vuur van den vijand neemt zoo mogelijk nog in hevigheid 
toe en hij heeft bemerkt dat de aanvallende troep in de laatste 
oogenblikken bijna niet vooruit komt 

WeJnu, hij zal handelen op eigene verantwoordelijkheid! Hi} 
begeert niet werkeloos te blijven, al is hij tegen mogelijk ver- 
keerde opvatting door zijne las^eving gedekt. 

De eenvoudige onderofficier, alleen gedreven door ondervin- 
ding en eene hooge ridderlijke opvatting van plichtbesef, zal 
Napoleon's principe in praktijk brengen , het gewichtige ^^tnarchez-- 
au canon»*. 

Zoodra zijn besluit genomen is, heeft hij ook reeds, gewoon aan be* 
slist taktisch handelen, de meest doeltrefifende maatregelen genomen. 

De aanval op de vijandelijke stelling zal zoodanig geschieden , 
dat hij zoo noodig tevens aan zijne opdracht zal blijven vol- 
doen en toch de versterking tusschen twee vuren kan brengen. Wel 
zal hij geheel op zich zelven staan met zijn kleinen dapperen 
troep, omdat de hoofdkolonne hem zelfs niet zal kunnen zien, 
maar het gevaar is 't minste waaraan hij denkt, het succes is 
de hoofdzaak. 

Kort, kalm en duidelijk geeft hij zijne bevelen en voorwaarts 
stormt de kloeke, beleidvolle aanvoerder, gevolgd door de zijnen» 
klein in aantal maar groot in moed, strijdlust en wilskracht 



134 DB SnteEANT DBB XARÉCHAUSSÉSS 

Dat plotselinge verschijnen van een nieuwen troep soldaten uit 
het hen tot nu toe verbergende hooge suikerriet, blijft een oogen- 
blik door den vijand onopgemerkt , maar weldra toonen de kogels 
die naast hen met dof geluid in den harden sawahgrond inala^ n 
en hen dreigend en onheilspellend om de ooren fluiten en sissen, 
zoomede het verhoogde krijgsgeschreeuw des vijands, zoowel uit 
de kampong als van de naburige hoogten, dat de gehate en ge- 
vreesde Marechaussees ontdekt zijn. 

Gehoorzaam aan de bevelen lost de troep geen enkel schot 
en snelt vooruit het krijgsgeschreeuw der Atjehers beantwoordende 
met het zoo bekende schetterende signaal ^^Marechaussees attakeerenT>* 
dat veelbelovend en uitdagend den vijand te gemoet klinkt, om hem 
goed te laten weten, wie daar als een wervelwind komt aanstormen. 

Allen grijpen de vreeselijke klewang vaster in de vuist om in 
het handgemeen des te zekerder en krachtiger te kunnen treffen. 

Hoera ! juicht den Rooijen van strijdlust blakende en de zijnen 
volgen hem zoo opgewekt als gingen zij naar een feest. 

Daar stuit eene breede greppel hunne vaart. 

Spoedig is de Sergeant met een paar man aan de overzijde 
en houdt door zijn vuur den vijand in bedwang, tot zijne sol» 
daten zich allen bij hem verzameld hebben en dan klinkt weer 
overmoedig zijn opgeruimd €€attakeeren /»» , trots het verschrikkelijke 
vuur des vijands, die begrijpt dat hij nu ook aan die zijde alle 
krachten moet inspannen. 

De kampong gelijkt wel een vulkaan, waarboven de zware 
wolk hangt van den tot strijd opwekkenden kruitdamp, en tus- 
schen het aanhoudende geknetter der schoten klinkt 's vijands 
strijdlustig gegil en aanmoedigend krijgsgeschreeuw, terwijl aan 
de andere zijde der kampong de nijdig knetterende regelmatig 
a%eschoten salvo's nu en dan het geraas overtreffen. 

Tot op lo pas van de vijandelijke sterkte naderen de moedige 
Marechaussees, maar hier worden zij gestuit, want het vijan- 
delijke vuur wordt nu zoo hevig en zoo nabij afgegeven, dat 
zij eenigzins op verhaal moeten komen alvorens de gevaarlijke 
bestorming voort te zetten. 



H. M. H. DKN aOOUSK BU HST aSVBOHT TI GLÉ TJOIT — 1900 135 

Hoe warm 't daar echter ook is, de troep wijkt niet, maar 
werpt zich op den grond , nu onmiddelijk het vuur beantwoordende, 
terwijl alleen een zestal gewonden naar de greppel terug gaan 
of teruggebracht worden, om daar beter gedekt te zijn t^en 
'svijands overstelpend vuur. 

Als goed aanvoerder geeft den Rooijen op alles acht en meent 
eensklaps, tusschen het oorverdoovend krijgsrumoer , geschreeuw 
bij de hoofdkolonne te hooren, waaruit hij opmaakt dat deze 
tot den aanval overgaat 

Terstond richt hij zich in zijne volle lengte op en voegt de strijd- 
lustige Marechaussees toe ^tvoorutt Jongens , we moeten er 't eerst 
in, 'n Mare'chausse'e laat zich niet afslaan/,, Attakeeren ! , ,** en 
vooruit stormt weder 't dappere troepje , zijn aanvoerder na. 

Wel nadert die handvol dapperen den voet der versterking, 
maar deze is daar stormvrij door de aangebrachte hindernissen 
en onder het hevige vuur van den gedekt staanden vijand is de 
opruiming onmogelijk. 

Weder gaan zij terug , een viertal gewonden aan den voet der 
borstwering achterlatende, maar zij retireeren slechts een paar 
passen , om liggende den verdediger onder vuur te kimnen nemen , 
terwijl eenigen vooruit kruipen om de gewonde makkers van 
hunne gevaarlijke plaats weg te voeren en bij de zes andere 
gewonden in de greppel te brengen. 

Zij werden alle vier met bovenmenschelijke inspanning gered, 
zonder de wapens achter te laten. 

Het dappere hoopje is nu tot op 25 man geslonken, die den vijand 
in ontzag moeten houden en tegelijk 10 gewonden beschermen, want 
de duisternis valt meer en meer en de vijand zou wel eens een 
uitval kunnen doen, nu hij het geringe aantal der aanvallers kent 

Daar valt ook de dappere Sergeant den Rooijen, die alléén 
overeind stond om goed na te kunnen gaan wat nu gedaan moest 
worden, maar oogenblikkelijk richt hij zich weer zittende over- 
eind, want staan kan hij niet meer; de beide beenen zijn hem 
doorschoten en het bloed stroomt uit de wonden. 

Een oogenblik blijft hij nog zijn troepje kalm aanvoeren, doch 



196 DB SS&eKAHT DIB MABÉGHAUSSABS 

spoedig voelt hij, dat, als hij zich niet verbindt en het bloed 
tracht te stelpen, zijne krachten hem zullen begeven. Daarom geeft 
hij tijdelijk het kommando aan den Amboineeschen sergeant over 
en kruipt naar de greppel. 

Daar ziet hij de vroeger gewonden allen hulpeloos liggen en 
vóór dat hij iets voor zich zelven doet, roept hij twee Marechaussees 
om hen te verbinden en eerst toen hij de noodige aanwijzingen 
gedaan heeft, helpt hij zich zelf. 

£n ondertusschen houdt aan alle zijden 't moorddadige vuur 
aan en klinkt het heesche krijgsgeschrei des vijands. 

Ook de Amboineesche sergeant komt naar de| greppel ge- 
kropen , ook hij is gewond en de troep op het oogenblik zonder 
aanvoerder. 

Hoe moeielijk en pijnlijk hem elke beweging ook is, wil den 
Rooijen de zijnen niet alleen laten en kruipende voegt hij zich 
weer in die hagelbui van kogels bij de zijnen en voert hen zit- 
tende aan. 

£n daartoe behoort meer dan gewonen moed, daartoe be- 
hoort men met een heldengeest bezield te zijn. Gevaarlijk ge- 
wond zooals h^ zelf is, slechts in staat om zich met moeite 
voort te slepen , acht hij pijn noch gevaar , denkt niet aan zich 
zelven, maar 't allereerst aan de zijnen, die zonder aanvoering in 
eene hoogst gevaarlijke positie zijn, waaruit slechts kalm beleid 
hen kan redden. 

De toestand is zeer gevaarlijk voor het kleine geïsoleerde on- 
versaagde troepje; de beide aanvoerders zijn buiten staat de 
hunnen voor te gaan, zoodat van aanval geen sprake meer kan zijn» 
't Geldt hier alleen de ingenomene positie te behouden, de gewonden 
te beschermen en den vijand aan deze zijde bezig te houden 
om de taak der hoofdkolonne te verlichten, waarvan hij echter 
alleen de aanwezigheid kent, door 't hevige vuur aan die^zijde. 

Daar klinkt boven 't gewoel van den strijd het stormsignaal 
der hoofdkolonne en het donderend gejuich der in het half duister 
op de versterking aanstormende Infanterie. 

Hoewel hij niet mede stormen kan en wegens de vele gewonden 



H. M. H. OEN BOOUBN BU EBT aBVBCHT TB GLÉ TJOBT — 1900 137 

ook niet mag, laat den Rooijen om den vijand te misleiden , ook door 
zijn hoomblazer ^Marechaussees attakeerem blazen, maar neemt te 
gelijkertijd zijne maatregelen om aan zijne hoofdopdracht te voldoen 
en den mogelijk vluchtenden vijand nadeel toe te brengen. 

Weldra ontsnapt de vijand langs de achterzijde der versterking 
en nu vervolgt den vluchtende Atjehers het vuur der nog beschik- 
bare Marechaussees. 

Eindelijk is de duisternis zoo groot geworden, dat hij zelfde 
personen niet kan onderscheiden die zijne braven van de borstwering 
toejuichen. De hoofdkolonne heeft de versterking genomen en 
een donderend €€hoerah* vermengd met het geliefde Wilhelmus 
verkondigd de behaalde zege. 

De vijand liet 51 dooden in de versterking achter en het ver- 
lies der hoofdkolonne bedroeg 2 dooden en 29 gewonden , maar 
het kleine dappere troepje verloor alleen meer dan \ zijner sterkte. 

Het succes was groot en aan den vijand eene gevoelige les gege- 
ven, maar de eer van den dag kwam voornamelijk toe aan den 
Sergeant den Rooijen en zijne dapperen, want zonder hun 
krachtig en moedig ingrijpen, zou misschien de taak voor de 
hoofdkolonne te zwaar zijn geweest. 

Den Rooijen toonde zich niet alleen een moedig, maar vooral 
een hoogst beleidvol aanvoerder. Het Kruis der Militaire Willems- 
orde 3* klasse was de belooning voor die daad, die hij had 
kunnen nalaten zonder zich eenig verwijt op den hals te halen. 

Zulke mannen kan het Indische Leger moeielijk missen. 



Kameraadschappeiyke Trouw ! 

Trouw tot in den dood ! 

mmIh den nood Uert men zijne ware vrienden kennen h> z^^ 
het spreekwoord zeer te recht, doch te velde, te midden der 
gevaren, terwijl de vijandelijke kogelregen de gelederen dunt, of 
de vreesselijke klewang en de scherpe lans door dolzinnige 
vijanden gezwaaid hunne slachtoffers kiezen en vellen, leert men 
den waren trouwen krijgsmakker kennen, die, trots gevaar voor 
eigen leven, den medestrijder tot zelfe in den dood niet verlaat, 
maar onwrikbaar stand houdt 

Die trouwe kameraadschappelijke band, die het leger aaneen- 
hecht,- is zoo schoon, zoo grootsch en zoo verheven dat hij 
alles beheerscht en overtreft, maar men moet hem van nabij 
gezien hebben te midden van den verwoeden strijd, te midden 
van den kamp om leven en dood zooals die in Insulinde ge- 
streden wordt, om die verhevene en schitterende eigenschap van 
ons roemrijk Hollandsch volk op hare juiste waarde te kunnen 
schatten. 

Gelukkig is de geschiedenis van ons dapper Indisch Leger 
rijk aan zulke voorbeelden van onwankelbare trouw, van trouw 
tot in den dood. 

Vol vertrouwen gaan onze brave Officieren en soldaten den 
vijand te gemoet, want dapperheid is hun aangeboren , maar hoe 
dapper ook, zoo zouden toch de groote gevaren die eene kleine 
macht tegenover een talrijken vijand te doorstaan heeft niet te 
overwinnen zijn, als zij niet wisten en ondervonden hadden dat 
trouw hen volgt, dat hunne medestrijders onvervaard aan hunne 
zijde zullen blijven en liever met den krijgsmakker zullen sterven, 
dan hem te verlaten. 

Men kan moedig zijn zonder trouw te bezitten, maar trouw 



KAMSBAADSOHAPPBLUXB TBOUW 139 

zonder moed kan niet bestaan, omdat die edele grootsche eigen- 
schap alle werkelijke mannelijke militaire deugden omvat 

£n trouw tot in den dood zijn de krijgslieden van ons Indisch 
Leger van welken rang of welken graad ook, hetzij hunne 
huidkleur blank of bruin of zwart is, dat leert ons de geschie» 
denis van die roemrijke krijgsmacht. 

De geheele vernietiging van de kolonne van den Majoor der 
Genie P. J. Beetjes, ter sterkte van 12 Officieren en 364 min* 
deren, op de 22^ Mei 181 7 bij den tocht naar Saparoea is daar- 
van een schitterend bewijs, want trouw bleven de krijgsmakkers 
elkaar ter zijde, tot ook de laatste den heldendood onderging 
(zie pag. 27 j I® deel). 

De heldhaftige terugtocht van den Overste Vermeulen Elri^er 
met zijn handvol Jagers, op den 12^ Januari 1833 ^^^ Pisang 
naar Boekit Koriri in Agam , levert tal van bewijzen op van echte 
kameraadschappelijke trouw (zie pag. 87, i® deel). 

De dappere houding van den Kapitein der Artillerie R. J. Kei- 
lermann, op den 25^ April 1849 en later bij Kasoemba gedurende 
de 3® Balische expeditie , is een der heerlijkste en schitterendste 
bewijzen van onvergelijkelijke krijgsmanstrouw (zie pag. 201 en 
volgende, !• deel). 

De Kapitein J. H. Huijer gaf den i6*° Aril 1873 een groot 
bewijs van edele soldatentrouw, toen hij een gewond soldaat, die 
bij den terugtocht vergeten was van het slagveld droeg onder 
's vijands hevig vuur. 

£n om niet te veel in herhalingen te vervallen en bij de 
jongste groote gebeurtenis te blijven, gedurende den overval op 
den 25 Aug. 1894 te Tjakra Negara op Lombok, toonde de 
krijgsmanstrouw zich in al hare grootheid. 

Zoo spreekt bijna elke bladzijde van Insulindes roemrijke. 



140 DB BÜB0PSS8CHS FUSBUXB J. MIIBIS — 1878 

krijgsgeschiedenis , waarop zeker elk Nederlander met récht trotsch 
is, en waaruit hieronder nog enkele schitterende voorbeelden 
worden aangehaald. 

De Europeesche Fuseller J. Mieris 

1873 

Na de verkenning die op den 6^ April 1873 aan den wal 
gedaan was, ontscheepte op den 8^ April d. a.v., onder de be- 
scherming van het vuur van de oorlogsschepen, de Sumatra, 
<de Coehoom, de Citadel en de Mamix, die met hunne kanonnen 
het strand schoonveegden, het eerste debarkementsgedeelte , en 
wel het allereerst de 6^ kompagnie van het 12® Bataljon In- 
fanterie, bestaande uit flinke, dappere HoUandsche jongens, om 
op het strand positie te nemen en zoo het debarkeeren van de 
overige troepen en het oorlogsmaterieel mogelijk te maken. 

Deze kompagnie, die vóór allen reeds op den 6^ April bij 
de verkenning de vuurproef had doorstaan, stond onder de 
bevelen van den van het HoUandsche Leger gedetacheerden 
Kapitein A. A. F. Lanzing, die reeds in 1868 bij de Balische 
expeditie onder het opperbevel van den ridderlijken Kolonel der 
Infanterie D. L. de Brabant, het Kruis der Militaire Willemsorde 
had verdiend. 

Niet zoodra was die kompagnie voor een deel en tirailleur 
verspreid en in die formatie voortgerukt, of van achter eene op 
ih 100 pas vóór het front der linie gelegene aard-ophooging, werd 
<le troep eensklaps door een krachtig vijandelijk vuur begroet, 
afgegeven door gedekt staande Atjehers. 

Onmiddellijk daarop sprongen ongeveer een hondertal vijanden 
achter die dekking te voorschijn, wierpen himne vuurwapens weg 
en gedekt door hun kort rond schild, waarvan het koperbeslag, 
in den zonneschijn schitterde, stormden zij, de scherp gewette 
klewangs zwaaiende en hun oorlogskreet uitgillende , op de eenigs- 
zins verraste tiralleur-linie los , die daardoor een zeer kort oogen* 
.blik weifelde. 



DB SUB0PBI8CHX FUSELUEB J. MIXBIS — 1873 141 

Doch dé dappere krijgshaftige Kapitein Lanzing verloor in 
dat gevaarlijke oogenblik niets van zijne bedaardheid en tegen- 
woordigheid van geest, hoe werkelijk schrikinboezemend de 
woeste aanval van zoo eene ten doode gewijde horde ook is, 
en zijne soldaten gehoorzaamden aan zijn krachtig en duidelijk 
bevel als op een exertitieveld. 

De troepen sloten snel aaneen om den schok van dien on- 
stuimigen aanloop des te beter te kunnen doorstaan , en openden 
een moorddadig snelvuur op die als eene lawine aanstormende 
bende uit de voor de Atjehers toen nog onbekende achterladers. 

In een oogwenk was alles afgeloopen. De lijken van 85 aan- 
vallers bedekten het bloedige slagveld en aan onze zijde betreurden 
wij een verlies van twee dooden en negen gewonden , onder welke 
laatsten de Luitenant P. D. W. Wilken. 

Alle den onzen toegebrachte wonden waren veroorzaakt door 
klewanghouwen, want trots ons overstelpend en goed gericht vuur 
stormden de Atjehers moedig voort en sommigen hunner bereikten , 
zelfs door twee schoten gewond nog de gelederen onzer Euro- 
peanen , waarop een kort en uiterst bloedig handgemeen volgde. 

De Luitenant Wilken die met een soutien achter de tirailleur 
linie stond, snelde vooruit om zich daarin te plaatsen , ten einde 
overvleugeling door den aanstormenden vijand te voorkomen en 
het aantal in linie zijnde geweren te vergrooten. 

Niet zoodra had hij positie genomen of een Atjeesch priester die 
met een vervaarlijken klewang om zich heen hieuw, bracht dien 
Officier een houw over het voorhoofd en dwars over het aange- 
zicht toe, een slag die deze wel gedeeltelijk pareerde, doch die hem 
toch ter neder wierp , terwijl hij zich nu niet meer kon verdedigen , 
omdat het overvloedig stroomende bloed hem de oogen verblindde. 

Dit ziet de dappere fuselier J. Mieris, die zelf reeds door een 
vreesselijken klewanghouw gewond is; terstond springt hij tus- 
schen den aanvallenden priester en zijn ter aarde liggenden 
Officier, dekt hem met zijn lichaam en weet nog tijdig den 
voor dezen bestemden tweeden houw te pareeeren, waarop hij 
den aanvaller met de kolf van zijn geweer den schedel verplet- 
II 10 



142 Dl wamonEacEE fubbjbi c jèm afOMKiiwi — 1873 



teity en imzelfandeniiaal gewond, door bk>edveriies en inapgoimii^ 
venwakt, naast z^n Officier, die h^ zon trouw verdedigde , neervalt 
Het was een der eerste hddendaden van tronwe zelfi^raffering 
op A^ehschen grond, waar het bloed van Nêeriand's braven 
met stroomen zonde vloeien, waar een dapper l^;er trots den 
langdm%en en bloedigen worstelstrijd onvervaard stand houdt, waar 
tal van schitterende en moedige daden de gesdiiedenis van dat 
kranige Leger verheerlijken, en waar echte soldatentrouw zoo 
dikwerf de zwaarste proef glansrijk doorstond , want die troaw be- 
hoort tot Neerland's traditie. 



De Europeesche Fuseiier C. van Overmeiren 

1873 

Lere de ITnntny t 

Het was den lo^ April 1873 en de krijgsmacht van de i* 
expeditie naar Atjeh was reeds begonnen met het inleidende ge* 
vecht voor de eerste verovering der groote Missigit, eene be- 
storming die later nog tweemaal herhaald zoude worden. 

De Kommandant der voorhoede, waarvan een deel gaande- 
w^ in verspreide orde overgaande de vijandelijke stelling naderde, 
oordeelde het noodig in het belang van de veiligheid zijner 
flanken, een op de rechterflank op een kleinen heuvel gelegen 
boschje te doen verkennen, waartoe het i* peloton der i^kom- 
pagnie van het 3® Bataljon Infanterie aangewezen werd, terwijl 
het 2® peloton onder den Luitenant J. H. de Bordes op de linker- 
flank eene verkenning zoude doen. 

Het I® peloton, waarbij de i® Luitenant B. L. R. de Sturler 
was ingedeeld , marcheerde uit de flank op twee gelederen recht 
op dat boschje aan, en was dat punt reeds tot op eenige passen 
genaderd , toen er plotseling van achter het dicht ineengegroeide 
struikgewas een zwaar schot klonk en daarop onder luid gegil en 
het aanroepen van €^AliahT>T> een vijftien- è twintigtal Atjehers 
uit het boschje naar buiten stormden, den scherp gewetten 
vreeselijken Atjehschen klewang zwaaiende en als eene lawine 



DB KUB0PBB80HB FUSKLDEB C. VAN OVSRMXIBKN — 1878 143 

de daarop niet verdachte en nog uit de flank marcheerende afdeeling 
overvallende. 

Het onstuimig woeste en het verrassende van dien aanval, 
het toen nog onvoldoende vertrouwen op de zoo machtige bajonet 
en de reeds bekende omstandigheid dat de Atjehers,diezichaan 
een dergelijken aanval wagen, ten doode gewijd zijn en zulke 
vreeselijke slagen met den zwaren klewang kunnen toebrengen 
dat het zelfs voorgekomen was, dat bij het afweren van een 
houw de loop van het geweer werd doorgeslagen, dat alles te 
samen genomen was oorzaak, dat in dat gewichtige oogenbUk 
iets plaats had, dat gelukkig eenig is in den Atjeh oorlog. 

Nauwelijks stormde de vijand aan of het grootste deel van 
het peloton maakte halt, werd bevangen door eene paniek en 
vluchtte naar het gros der voorhoede terug. 

Slechts de Luitenant de Sturler en lo Europeesche fuseliers 
bleven staan , waaronder ook Overmeiren , welk troepje weldra door 
den vijand was omsingeld, zoodat de voorsten reeds neergehouwen 
waren voor dat een hunner nog het geweer tot verdediging ge- 
reed had. 

Toen had er eene hoogst bloedige worsteling plaats , die echter 
veel korter tijd eischte dan noodig is om dit te beschrijven en in 
een oogwenk waren 4 fuseliers gesneuveld en de Luitenant met 
de overigen zwaar gewond, terwijl vier Atjehers dood op het 
slagveld bleven liggen en de nu voor het vuur der onzen wijkenden 
vijand, hunne gewonde makkers medesleepten. 

De ooggetuigen hadden slechts een hoop mannen gezien , ver- 
ward door elkaar houwende en stekende, en nu en dan het glin- 
steren van het staal in 't zonlicht, of de opgehevene kolf vaneen 
geweer, die als knods in de mêlee dienst deed en een schedel 
verpletterde, doch geen durfde toen schieten uit vrees om dan 
ook wellicht de eigene makkers te trefien. 

Gedurende dat korte doch ontzettend bloedige handgemeen, 
zag Overmeiren dat de Luitenant de Sturler struikelde en viel 
en daarop terstond door een paar Atjehers besprongen een 
vreeselijk gapende wond aan de zijde ontving, die zeker door 



144 Dl suBOPnaomi fusxlieb c. yan ovsrmxibkn — iSTS 

meerdere verwondingen gevolgd zoude zijn, als niet O vermeiren, 
alles vergetende en slechts aan zijn Officier denkende toege- 
sprongen was, een der Atjehers door een forschen bajonetstoot 
velde, zich voor zijn Officier plaatste en de slagen afweerde. 

Doch nu wendde de vijand zich tot den dapperen trouwen 
fiiselier en deze viel terstond met tallooze diepe wonden over- 
dekt als slachtoffer zijner trouw. 

De dappere ziekenvader A. Gerzner was terstond gereed om 
met eenige dwangarbeiders de dooden en gewonden op die 
bloedige plek der worsteling te gaan halen en werd ook de bijna 
vormlooze bloedige vleeschklomp, die eenmaal de ffinke en 
forsche Overmeiren was, bij de ambulance gebracht; overal waar 
hij voorbij gedragen werd, zag de troep, die den wanhopigen 
strijd gevolgd en Overmeiren's heldendaad gezien had, vol eerbied 
neer op den held, die trouw bleef tot het laatste oogenblik. 

Trots zijn smartelijk lijden en zijne vreeselijke wonden liet 
deze kranige soldaat niet alleen geen enkele klacht hooren, maar 
riep hij, de bebloede handen en armen ten hemel heffende, 
zoo luid als het ontzettende bloedverlies hem toeliet •^dLeve de 
Koning !»» 

£n vol bewondering en deelneming staarden allen naar dien 
held, die noch smart noch leven telde, maar wiens eerste en 
eenige gedachte was aan HoUand's beminden Vorst 

Tegen aller verwachting in genas de dappere Overmeiren, 
hoewel hij vreeselijk verminkt bleef, doch die verminking is het 
glorierijk bewijs zijner onwrikbre trouw en is hem een eereteeken 
waarvoor elk rechtgeaard Nederlander met eerbied het hoofd ont- 
bloot, en naast den kreet van Overmeiren van dLeve de Koning» 
zeker dien zal voegen van ^Leve OvermeirenW 

De Luitenant der Infanterie J. M. Le Bron de Vexela 

1876 

Bij de eerste expeditie naar Samalangan was op den 9^ 
Augustus 1876 het 8® Bataljon Infianterie, onder de orders van 



DK LÜITSNAMT DBB IMFANTBBIB J. M. LB BBON DK YBXXLA — 1876 145 

den Majoor F. Meijer, gedebarkeerd en nog dienzelfden dag onder 
een hevigen strijd, die ons 3 dooden en 9 gewonden kostte, door* 
gedrongen tot de kampong Pengilit Toenong. 

Reeds waren de noodige dispositie's genomen om ook die 
door den vijand bezette kampong te veroveren, toen van den 
Chef van den Staf der expeditie de order ontvangen werd, om 
de voorwaartsche beweging voorloopig te staken en het bivak 
te betrekken. 

De Majoor Meijer koos daartoe een boschje uit, gelegen te 
midden eener vlakte, dat voldoende ruimte aanbood om den 
troep te bergen en een ruim uitzicht naar alle zijden toeliet. 

Daar het bivak omringd was door tegalvelden waarop veel struik- 
gewas voorkwam , het gras zeer hoog stond en men wist dat men 
als 't ware te midden van den vijand bivakkeerde, die zeker 
niet zoude nalaten, begunstigd door die struiken en het hooge 
gras, om eene poging tot aanval te wagen, werd zoo spoedig 
mogelijk, voor dat de duisternis inviel, om den buitenrand van het 
boschje eene versperring van omgekapte boomen daargesteld, 
die echter wegens gebrek aan tijd niet op volledigheid kon 
bogen en in geen geval stormvrij was. 

Achter deze versperring werden de schildwachten om het bivak 
op I Meter afstand van elkaar geplaatst en voordurend door één 
Officier van elke kompagnie tot waakzaamheid aangespoord, opdat 
hen geen enkele beweging in het bedekte terrein zoude ontgaan. 

De ruimte in het bivak was zoo beperkt, dat de rustende 
troepen vlak achter de schildwachten lagen. 

Tot 3^ uur ging de nacht kalm voorbij en genoten zij die 
rusten mochten een vasten versterkenden slaap na de groote 
vermoeienissen van den afgeloopen dag, wetende dat himne 
makkers waakzaam waren. 

Op dat oogenblik meende een der schildwachten eenig geritsel 
te hooren en maakte zijne nevenposten daarop opmerkzaam, 
doch voor dat zij eenige zekerheid hadden of zij zich al of niet 
vergisten, verhieven zich eenklaps, op circa 50 pas van de 
schildwachten, talrijke getulbande koppen van Atjehers boven 



146 Dl LÜITEMAMT DBB IKFAMTERIE J. M. LI BBON Dl YIXBLiL — 1B76 

het Struikgewas en het hooge gras en schoten hunne geweren af; 
luid gillend zwaaiden zij den geduchten klewang en stortten zich 
toen ten getale van ongeveer 500 over de versperring tusschen 
de slapende soldaten in het dicht bevolkte bivak. 

In den slaap verrast, werden sommigen reeds door de vree-» 
selijke klewanghouwen neergeveld, voor zij nog goed ontwaakt 
waren en eenig bewustzijn hadden van wat er eigenlijk gebeurde ; 
anderen het gevaar beseffende sprongen op, doch vielen ge- 
troffen neder voor dat zij hun geweer ter hand hadden genomen. 

De Boegineezen lieten hunne geweren liggen, doch gingen den 
vijand dapper met het kapmes te lijf. 

In de grootste verwarring ontstond er in de duisternis eene 
ontzettende worsteling , een uiterst bloedig handgemeen , waaraan, 
elke leiding ontbrak Allen vochten om hun leven, man tegen 
man, vreeselijke slagen toebrengende, terwijl de Atjehers onder 
gillende moordkreten als razenden rondhakten en doodelijke 
wonden toebrachten, door hun groot aantal talrijke slacht- 
offers makende. 

Het was een vreeselijk oogenblik vol ontzetting, een a%rij- 
selijk moordtooneel in de duisternis, waarin met woede en 
wanhoop geworsteld werd om elkaar te vernietigen en waarin tal 
van dappere feiten en grootsche daden van kameraadschappen 
lijke trouw werden volbracht, al duurde de strijd ook niet lang. 

Een groot deel der verwoede aanvallers wierp zich, vooraf- 
gegaan door een reusachtig gebouwden priester, op de Officieren, 
geleid door het licht van de eenige lantaarn waaronder deze 
grootendeels bijeenlagen. 

De Luitenant Adjudant N. H. J. Richelle was de eerste die 
den aanloop weerstond en van den reusachtigen priester een 
klewanghouw over het hoofd kreeg die geluiddg gebroken werd door 
den helmhoed; voor dat de vijand echter een tweeden slag kon toe-* 
brengen had deze kranige Officier hem den kop gekloofd , doch hoe 
zwaar gewond hij ook was sprong toch de Atjeher weder op , velde 
een paar soldaten die zich voor hunnen Officier hadden geplaatst en 



DB LÜITBNAMT DXE INFAMTKBIB J. M. LB BBON DB YBZBLA — 1876 147 

werd daarop voor goed met een dolk afgemaakt door den 
dwangarbeider Geppink, die bij den Luitenant Richelle als 
paardenoppasser dienst deed. 

De Luitenant J. M. Le Bron de Vexeia zag op korten 
afetand van zich, zoo goed als hem de duisternis dat toeliet, 
zijn kompagnies-Kommandant, de Elapitein A. Lojinga, meteen 
vijftal woedend houwende Atjehers handgemeen en snelde hem 
dadelijk te hulp, doch werd zelf door een der vijanden aange- 
vallen, die gillende op hem toesprong, maar voor dat de aan- 
valler zijne slagen kon toebrengen, had de Luitenant hem door 
een forschen sabelhouw neergeveld. 

Nu ijlde hij weder naar zijn Kapitein , die wel reeds eenige won- 
den bekomen had, doch nog stand hield, doorsteekt een der aan- 
vallers en grijpt een tweeden met de hand bij de keel; onder 
die worsteling viel hij en verloor zijne sabel; reeds maakte de 
op hem liggenden Atjeher zich gereed hem den dolk door de 
borst te boren, reeds is hij door de punt van dit wapen gewond, 
toen de Luitenant W. Aufifmorth toespringt en den Atjeher afoiaakt 

Zich geen tijd gunnende om zijne sabel op te rapen, snelde 
Le Bron de Vexeia weder onverschrokken zijn Elapitein te hulp , 
die helaas echter reeds onder de slagen der vijanden gevallen 
was, en geraakte daarbij weder slaags met drie aanvallers , waarvan 
hij den voorsten, een stevig gebouwden A^'ehermet deeenehand 
bij de keel greep terwijl hij,daarhijzelf ongewapend was, met de 
andere diens klewang trachtte te bemachtigen. 

De Atjeher wist zich los te wringen en bracht den Luitenant 
met zijn klewang een houw over het voorhoofd toe, zoodat het 
neerstroomende bloed hem bijna het gezicht beneemt, doch 
onvervaard grijpt hij zijn tegenstander weder aan en worgt hem, 
terwijl Luitenant G. P. Wijnmalen met de beide anderen afrekent 

Na zijn vijand geworgd te hebben, spoedt Le Bron de Vexeia 
zich weder naar zijn Elapitein, het doel zijner worsteling, en 
ziet deze met talrijke wonden overdekt, bijna onkenbaar in een 
grooten plas bloed liggen, naast een paar door hem gevelde aan- 



148 Dl LÜITB9AXT DER DirAlfmiB J. M. IA BBOV DB ▼XEBL4 — 1878 



vallen; tegelijkertijd vallen echter weder twee A^eheis hem 
verwoed aan. 

Zonder zijne t^enwoordigheid van geest in die venchrikke- 
lijke oogenblikken te verliezen, grijpt hij, zonder wapen x^nde, 
een geweer van den grond , zwaait dit met krachtige hand boven 
zijn hoofd en verpletterd den eersten aanvaller den kop, terw^l 
de trouwe dappere Luitenant Auffmorth mede tegenwoordig is, 
om den tweeden vijand onschadelijk te maken. 

Op een door een hunner gegeven teeken, verdwenen de 
Atjehers in de duisternis, hunne dooden en gewonden zooveel 
dit mogelijk was mede slepende. 

Overal waar de militairen zich in het bivak bewogen trapten 
zij in de duisternis op bebloede lijken of kermende gewonden. 

Eerst bij het aanbreken van den dag was het mogelijk het 
ontzettend bloedige slagveld te overzien. 

In die betrekkelijk kleine ruimte lagen op de met zooveel 
kostbaar bloed gedrenkten bodem 12 onzer dood, tot onkenbaar 
wordens toe verminkt, waaronder de Elapiteins L. A. Jonker en 
Lojinga , benevens 80 zwaar gewonden , terwijl de vijand 58 lijken 
had achtergelaten. 

Bij de ter aarde bestelling der gevallene makkers was ook de 
dappere, zwaar gewonde Luitenant Le Bron de Vexela tegen- 
woordig, die hen en vooral zijn Elapitein met een bedroefd hart 
de laatste eer bewees. 

Zijne heldhaftige onwankelbare kameraadschappelijke trouw had 
hem de kracht gegeven alle gevaren te doorstaan om zijn 
makker en Chef te helpen, en hoewel hij hem niet vermocht te 
redden, had hij hem bloedig gewroken, doch bij die edele taak 
zoude hij zeker het onderspit gedolven hebben, als niet de 
dappere en trouwe makkers, de Luitenants Auffmorth en Wijnmalen, 
hem tijdig ter hulpe waren gesneld. 

De vijand moge ons als een tijger kimnen bekruipen, verrassen 
en verliezen toebrengen, de onzen staan echter pal in 't gevaar 



DB LUITSNANT DSR IKFAKTBRIB J. J. G. SCHUIT — 1879 149 

en sterk door de zich nooit verloochenende kameraadschappelijke 
trouw, weten zij moedig te strijden en den aanvaller te doen 
afdeinzen. 

De Luitenant der Infanterie J. J. Q. Schuit 

1879 

Den 8^ April 1879 ^^ ^^ Kapitein H. Haaksma aan het 
hoofd eener kolonne, ter sterkte van 2 kompagniën en 2 mor- 
tieren, van Missigit Montassik uitgerukt, om doorPantehKarang 
de kolonne Scharp te gemoet te trekken, doch met den last om, 
indien deze niet op een bepaald uur opdaagde, op Missigit Mon- 
tassik terug te gaan. 

Daar Panteh Karang door den vijand bezet was, liet de 
Kapitein Haaksma, na eenig voorbereidend artillerievuur die 
stelling stormenderhand innemen en hield zich daar trots 's vijands 
hevig vuur kranig staande, totdat hij de zekerheid had dat de kolonne 
Scharp zich niet meer bij hem zoude voegen, waarna hij volgens den 
gegeven last terugtrok, voortdurend door de vijanden achtervolgd. 

Den 6^ Mei daaraanvolgende moest diezelfde stelling te Panteh 
Karang andermaal genomen worden door eene kolonne onder 
den Majoor A. J. H. Lubeck, tot volvoering zijner opdracht in 
verband met de operatie's van de kolonnes onder de Majoors W. F. 
van Vugt en W. H. van de Pol , ten doel hebbende om de tot de V 
Moekims Montassik behoorende kampongs van vijanden te zui- 
veren. De kolonne Lubeck was ongeveer 100 man sterker dan 
die onder den Kapitein Haaksma op 8 April, en bovendien was 
daarbij nog eene sectie artillerie ingedeeld. 

De vijand had de hem gelaten tijd uitstekend benut om zijne 
toch reeds sterke stelling aanmerkelijk uit te breiden en te 
bevestigen, door onder meer de geheele positie met eene 7 Meter 
breede bamboe-doerie versperring te omringen. 

Reeds dadelijk werd de voorhoede van de kolonne Lubeck 
met een zeer overstelpend geweer- en lillavuur des vijands ont- 



150 DE LÜITXHAMT DIR IMFAMTERIE J» J. 6. SOHÜIT — 1879 

^vangen, dat zel& door ons In£anterievuur en een twintigtal 
•granaatschoten der Artillerie niet tot zwijgen te brengen was, 
waarom de kompagnie die de voorhoede vormde en onder dat 
vuur onmogelijk langer stand kon houden, maar terstond onver- 
schrokken tot den bajonet-aanval overging. 

Weldra stuitten onze dappere soldaten, voora^egaan door 
hunne Officieren, tegen de breede ondoordringbare bamboe-doerie 
versperring, die door het struikgewas niet opgemerkt was , zoodat 
zij nu op korten afstand van den vijandelijken wal ongedekt aan 
'svijands moorddadig geweervuur blootgesteld bleven. 

Daar onder dat vreeselijke vuur de versperring niet op te ruimen 
was , zonder de kompagnie aan geheele vernietiging bloot te stellen 
en de Officieren reeds allen buiten gevecht gesteld waren, klonk 
het signaal retireeren, waaraan de troep wel haastig, doch toch 
zoo ordelijk mogelijk voldeed. 

Reeds in het hoogere meer dekking gevende struikgewas terug- 
gekomen, blijkt het den Luitenant J. J. G. Schuit dat eenige 
onzer gewonden voor de versperring onder 'svijands bereik zijn 
achtergelaten en terstond besluit hij, gedreven door kameraad- 
schappelijke trouw, ten koste van alles terug te gaan, om de 
geblesseerde makkers uit de handen der wreede vijanden te redden. 

Trots 'svijands helsche vuur en trots zijne eigene verwonding 
gelast hij zijne sectie rechts-om-keert te maken en hem te volgen. 

Wel grijnst de dood hen aan in die hagelbui van kogels die 
de vijand voortdurend afzendt, doch gehoorzaam aan het bevel 
van hun dapperen Officier, die hen reeds vooruit is gesneld, 
keert de sectie moedig op hare schreden terug en stormde op 
nieuw het gevaar te gemoet om de makkers te redden. 

Deze werden gered, doch de dappere sectie verloor bij die 
edelmoedige daad niet alleen zes minderen aan dooden, maar 
ook hun kranigen energieken aanvoerder, die aan het hoofd der 
zijnen zijne bewonderenswaardige kameraadschappelijke trouw 
met den dood betaalde en in de bamboe-doerie versperring onder 
den vijandelijken wal bleef liggen , daar de soldaten door het in 
kracht nog toegenomen vijandelijke vuur onmogelijk zoover konden 



J. J. &. SCHUIT, LÜITBNANT DEB IMFAKTERIS — 1879 151 

doordringen en dus het lijk van hun braven aanvoerder in 
^svijands handen moesten achter laten. 

De kolonne verloor dien dag i Officier en 7 minderen ge- 
sneuveld, 4 Officieren en 30 minderen gewond. 

Den volgenden dag dreef het geheel ontkleedde, doch ge-^ 
lukkig niet geschonden lijk van den dapperen Luitenant de rivier 
af en waren de troepen in de gelegenheid den trouwen Offider 
de laatste eer te bewijzen. 

De brave Luitenant J. J. G. Schuit en zijne sectie volbrachten 
hier eene dier schoone daden van kameraadschappelijke trouw, 
die, al is de geschiedenis van het Indische Leger daaraan nog 
zoo rijk, toch altijd in hooge mate bewonderenswaard blijven, 
door de edele aandrift die daaruit spreekt en die daardoor on- 
betwist de vereering van tijdgenoot en nageslacht verdienen. 

Oe Kapitein der Infanterie A. H. W. Scheuer en 
de Luitenant der Infanterie S. A. Dryber 

1883 

Den 20^ Maart 1883 nam van uit Anagaloéng eene kolonne 
ter sterkte van 100 bajonetten deel aan de operatién in de 
XXII Moekims , en was aan dien kleinen troep speciaal opgedragen 
om zich van kampong Temboh meester te maken , die door den 
vijand versterkt en ten Noorden van Tjot Basatoel gelegen was. 

De aanvoerder van die kleine macht was de alom wegens zijne 
onverschrokkenheid bekende Kapitein A. H. W. Scheuer, die 
later als Luitenant Kolonel te Lombok aan het hoofd der rechter- 
kolonne Tjakra Negara binnendrong, en die te midden van den 
bloedigen strijd en het hevige vuur der vijandelijke repeteer- 
geweren, altijd kalm en bedaard als was hij op eene wande- 
ling, steeds de melodie neuriede of floot van het bekende volks- 
deuntje €€all€s kost 'ff dubhelijei^'u , welke bijna ongeëvenaarde rustige 
gemoedsstenuning van groote uitwerking was op de volhardende 
dapperheid zijner soldaten; thans als Kolonel is hij versierd met 
het Kruis der Militaire Willemsorde 3® klasse en de Gouden Krooa 



152 Dl KAPimM DSE IMFAMTKRIS A. H. W. SOHBUSR SN 

voor twi€ Eervolle vermeldingen, terwijl hij tevens de Eeresabel 
draagt met opschrift , ^^^Komnkl^k eerebifk voor betoonde defperkeulji* 
Bij die kolonne was, behalve de Luitenants W. C Schreiner 
en D. F. Romijn, ook ingedeeld de Luitenant S. A. Drijber, 
een hoogst verdienstelijk Officier, die zich herhaaldelijk door de 
meest koene, onverschrokkene en gewaagde heldendaden onder* 
scheidde en die thans eveneens het Kruis der Militaire Willems- 
orde 3* klasse draagt, zoomede de Eeresabel met eervol opschrift. 

Na een hevig vuurgevecht en een onverschrokken stormaanval 
met de bajonet, waarbij de Europeesche füselier Kribbe onder 
een juichend ^L^Oranje hoven h-» het eerst in de sterkte sprong, 
werd de Elampong Temboh onder een luid €€hoezee*i^ en een 
schetterend Wilhelmus genomen. Op schitterende wijze was aan 
de opdracht voldaan. 

Onder de eersten die bij den aanval door 's vijands kogels gewond 
werden waren de Kapitein Scheuer , die een schampschot aan den 
arm ontving, dat hij echter niet telde en de Luitenant Drijber die 
een vrij zware hoofdwonde bekwam , doch even als zijn Kapitein 
met de grootste bedaardheid en zelfbeheersching zijn troep bleef 
aanvoeren. 

Onder de vijf minderen, die gelijktijdig geblesseerd werden , was 
ook de Europeesche füselier M. Frankowack, die zeer zwaar gewond 
nederstortte en kermende in de tirailleurlinie bleef liggen, daar het 
hem wegens de hevige pijnen onmogelijk was zijne smartkreten 
te bedwingen, hoeveel pogingen hij daartoe ook aanwendde. 

Daar de zwaar gewonde soldaat geholpen moest worden, en 
dit wegens het overstelpende vijandelijke vuur in de tirailleurlinie 
niet mogelijk was, terwijl hij zich zelf niet naar de ambulance 
kon begeven, ging de Kapitein Scheuer, kommandant der kolonne, 
naar hem toe, gelastte dien soldaat, die weigerde zich dooradjn 
Kapitein te laten dragen , om hem te gehoorzamen, nam, hoewd zelf 
gewond, den geblesseerden hulpbehoevenden makker op den rug en 
dro^ hem onder eene hagelbui van kogels buiten de vuurlinie, 
waar hq hem aan de inmiddels to^eschoten dragers overgaf. 



DE LUITENANT DER INFANTERIE 8. A. DBUBEB *— 1888 158 

Die edele daad van kameraadschappelijke trouw vervulde den 
troep met eene onuitsprekelijke geestdrift en allen wedijverden om 
onder de oogen van zoo'n Chef als helden te strijden. 

Bij den terugtocht naar Tjot Basatoel gaf ook de Luitenant 
Drijber een verheven voorbeeld van kameraadschappelijke trouw en 
toewijding. 

Deze Officier, die hevige smarten leed aan zijne zeer ernstige 
hoofdwond, doch zoo lang de strijd duurde de pijn wist te 
beheerschen, was bij den terugtocht genoodzaakt zich te laten 
dragen, daar bij het marcheeren elke beweging hem uiterst 
smartelijk was. 

Wijl geen voldoend aantal tandoe's voor alle gewonden voor- 
radig was, moesten sommigen, zoo goed mogelijk door de kame- 
raden gesteund, de kolonne te voet trachten volgen. 

Daar ziet Drijber een der geblesseerde soldaten, voor wie 
geen tandoe beschikbaar was, uiterst moeielijk en pijnlijk voort- 
strompelen, wijl hij zeer ernstig op sommige plaatsen en vooral 
aan het been gewond was. 

Oogenblikkelijk laat Drijber zijne dragers halt maken, springt 
uit de tandoe, legt den meer hulpbehoevenden makker, die deze 
gunst weigerde en edelmoedig tegenstreefde, zelf in de tandoe, 
en hoe pijnlijk 't ook was en hoe moeielijk 't hem ook viel, 
vervolgde hij te voet zijn weg. 

Waar onze edele en kranige Officieren zoo handelen t^enover 
himne minderen, is het geen wonder dat de minderen zich laten 
dooden om himne Officieren te redden. 

Het is de wedstrijd van kameraadschappelijke trouw, die in het 
grootste gevaar het schijnbaar onmogelijke nog mogelijk maakt. 

De Korporaal der Infanterie F. H. W. Schordell 

1887—1889 

Ach hier waren er te yeel ! . . . te yeel ! . . . 

Dit waren de laatste woorden van een braaf, dapper en trouw 
soldaat, toen hij den dag na het gevecht, in t^enwoordigheid 



154 Dl KOBPOBAAL DSE IMF. F. H. W. SOHQEDKLL — 1887—1889 

van talrijke chefe, makkers en vrienden, die vol eerbied om 
zijne sponde vergaderd waren, aan zijne tallooze vreeselijke won- 
den bezweek, door allen bewonderd en hoog vereerd. 

Nooit had hij het aantal zijner tegenstanders geteld, maar 
ongeacht dat aantal gestreden zooals een braaf, dapper en trouw 
Hollandsch soldaat strijdt, moedig, volhardend en onversaagd, doch 
bij het laatste handgemeen was hij, zijn Officier met onwankel- 
bare trouw ter zijde staande, door het aantal overmanden even 
voor zijn laatsten snik fluisterde die held nog stamelend de aan- 
gehaalde woorden, alsof hij eene verschooning zocht voor de 
nederlaag die hij, zoo dapper en zelfopofferend strijdende, ge- 
leden had. 

Dit was de Korporaal der Infanterie F. H. W. Schordell, die 
toen reeds voor zijn moedig gedrag op den i^ October 1887 met 
het Kruis der Militaire Willemsorde 4® klasse versierd was. 

Dien dag zou onder de algemeene leiding van den Luitenant 
Kolonel J. A. Vetter de vijand uit zijne positie verdreven worden, 
die hij in de nabijheid van Moesapi versterkt had, en wel door 
de kolonnes van den Luitenant Kolonel S. L £. J. V. Barthélêmil 
en den Majoor I. A. Vink. 

Na van des morgens 7 tot ruim 8 uur onder hevigen strijd te 
zijn voortgedrongen, den vijand overal terugdrijvende, stond een 
onderdeel van een der aanvalskolonnes tegenover 'svijands ver- 
sterking te Kwalla Noord, en wel de 3® kompagnie van het 3* 
Bataljon Infanterie onder den Elapitein D. R. F. van Haeiten, 
waarbij Schordell behoorde, welke kompagnie den frontaanval 
zoude doen, terwijl eene andere afdeeling onder den Kapitein 
C. K. J. van den Bussche de rechterflank der vijandelijke positie 
aan de Zuidzijde zoude omtrekken. 

Sprongsgewijze ging de kompagnie onder 's vijands hevige vuur 
voorwaarts, tot men emdelijk zoo nabij genaderd was dat tot 
den rechtstreekschen aanval met de bajonet kon worden over» 
gegaan en dan ook weldra het stormsignaal klonk. 

De tegenstand was kort, maar hevig. 

Schordell is bij den stormloop de makkers zijner sectie ver 



DK KOBPORAAL DER IMF. F. E. W. SCHOBDELL — 1887—1889 15&. 

vooruit Met onweerstaanbaar élan springt hij voorwaarts, werkt 
zich tusschen de hinderlijke bamboe-doerie door, beklimt het eerst 
de vijandelijke borstwering en zonder het getal zijner tegenstan- 
ders te tellen, springt hij binnen de vijandelijke sterkte. 

Een Atjeher poogt zich daartegen te verzetten, doch Schordell • 
schiet hem neer en staat nu tegenover eene meer dan tienvoudige 
overmacht, terwijl van alle zijden nog verdedigers toeijlen ; onge-- 
acht dat steeds vermeerderende aantal vijanden houdt hij moedig 
stand, wetende dat zijne makkers hem niet alleen zullen laten, 
en met schitterende oogen en sterke vuist weert hij tot 's vijands- 
schade alle aanvallen af, tot de kameraden, den door Schordell. 
gebaanden weg volgende en aangevuurd door diens schitterend 
voorbeeld, hem bijspringen en na een kort doch bloedig gevecht 
de sterkte vermeesteren. 

Al was de overmacht ook nog zoo groot, toen meende hijy 
toch niet dat er «/^ veel* waren. 

In de maand Mei 1889 was Schordell ingedeeld bij de 4® 
kompagnie van het 3® Bataljon Infanterie, welk Bataljon den 
tocht naar Edi mede maakte. 

Op den 8«° Mei vormde de !• sectie, waarbij korporaal r 
Schordell behoorde, onder de orders van den Luitenant J. J. A. 
Gaade den uitersten linkervleugel der gevechtslinie, toen deze 
sectie plotseling uit de hooge alang-alang, op nog geen vijftig 
pas afstand, door eene bende van twee honderd Atjehers met 
den klewang in de vuist woest werd besprongen. 

Zoo onstuimig en verrassend was de aanval dier twee hon- 
derd brullende en gillende vijanden, wier scherpe klewangs bij 
het dolzinnig zwaaien in het zonlicht schitterden, dat reeds de - 
eerste soldaten vielen voor dat zij aan verdediging konden denken 
en velen in een oogenblik van ontzetting terugdeinsden. 

Maar de onverschrokken Luitenant Gaade geeft het voor- 
beeld en blijft staan, en naast hem de korporaal Schordell, die 
evenmin als zijn Luitenant wil wijken en hem zeker niet ver- - 
laten wil. 



156 DK KOBPOBAAL DKR INF. F. H. W. SGHOBDXEiL 1887—1809 

Een oog^enblik, een kort oog;enblik sledits kampen die twee 
dapperen t^;en die talrijke woeste en bloeddorstige horde, als 
twee helden der oudheid, of liever als twee dappere Hofland- 
sche soldaten die van geen wijken willen weten en hun leven 
duur zullen verkoopen. 

Hoewel naast elkander strijdende, tracht toch SchordeQ zqn 
Luitenant met zijn lichaam te dekken. 

De 3^ compagnie Aboineezen van den Kapitein G. A. Hansen 
snelt terstond te hulp en heeft weldra de aanvallers verdreven, 
waarbij zij achttien man aan dooden verloren, doch hunne Emo- 
peesche makkers waren ontzet 

Daar lagen de Luitenant Gaade en de korporaal SchordeQ 
naast elkaar ter aarde zooals zij gestreden hadden, zonder eea 
duim te wijken, de korporaal nog met zijn lichaan dat van den 
Officier dekkende, omringd door talrijke ontzielde lichamen van 
vijanden, als een bewijs hoe duur zij hun leven verkodit 
hadden en hoe moedig zij met zwaard en bajonet hadden 
gekampt 

Gaade was als een held gesneuveld, doch Schordell ademde 
nog, ofschoon hij zeven klewanghouwen over het hoofd had, 
de linkerhand geheel en drie vingers der rechterhand warea 
afgekapt, terwijl de borst, die zoo fier het kruis dro^, 14 gapende 
wonden telde, waarboven het bebloede en verbrijzelde kruis 
der Militaire Willemsorde schitterde. 

Voorzichtig werd de dappere opgenomen en verpleegd, en 
groot was de belangstelling in zijn behoud. 

Toen den volgenden dag de geneesheer aan de belangstellende 
makkers meldde dat Schordell's loopbaan weldra afgeloopen zoude 
zijn, haastten allen, zoowel Officieren als minderen , zich naar het 
sterfbed van dien trouwen held , om hem voor 't laatst de hand 
te drukken. 

Nog eenmaal opent Schordell de oogen, ziet de bedroefde 
kameraden met een laatsten wakkeren blik aan en fluistert als eene 
verschooning van zijne roemrijke nederiaag *<Aeh, hier waren 
er te veel! . ,. te veelhi^ 



DB KORPORAAL DKR INF. F. H« W. SCHORDBLL — 1887—1889 167 

£n de held was niet meer! Dat trouwe ridderlijke hart had 
opgehouden te kloppen! Maar zijne herinnering blijft in eere 
en Z. M. onze Koning bepaalde , dat den naam van den korporaal 
F. H. W. Schordell in de registers der Militaire Willemsorde 
zoude worden ingeschreven onder de Ridders der 3® klasse. 

Hij heeft eene eereplaats in dat Gulden gedenkboek van het 
Legioen van dapperen, maar ook eene in de harten der kame- 
raden die hem gekend hebben en getuigen waren zijner onwan- 
kelbare trouw en laat ons hopen ook in de herinnering van hen, 
die dit lezende zijne trouw zullen bewonderen en navolgen. 

Toen na afloop van dien uiterst bloedigen strijd de kolonne 
overwinnend in het bivak te £di terugkeerde, had er in de 
edele opwelling van bewondering voor den door de Amboineezen 
onder den Kapitein G. A. Kansen betoonden moed en krijgs- 
manstrouw eene grootsche roerende plechtigheid plaats, eene 
oprecht gemeende kameraadschappelijke hulde van de Europeanen 
der 4® kompagnie aan hunne overschrokkene redders de Amboi- 
neezen der 3^ kompagnie van het 3® Bataljon, die zoo zonder 
dralen in dat verschrikkelijk handgemeen met de bajonet hunne 
blanke broeders te hulp snelden. 

Hoe vermoeid en uitgeput ook door hitte en strijd, stddede 
4® kompagnie Europeanen zich, nog zwart van kruitdamp, ge- 
havend als zij waren door de worsteling en sommigen zelfs met 
bloedende wonden, zoodra zij binnen gerukt waren in orde van 
parade op, en toen die brave trouwe makkers, die donkerkleurige 
Amboineezen voorbij trokken, presenteerden allen als één man 
het geweer, een hoog eerebewijs, grootsch en verheven in zijü 
eenvoud en diep roerende beteekenis, een eerebewijs dat zoo- 
wel hen die het brachten, als de onverschrokken Amboineezeii 
eer aan deed. 

Dat is roerende militaire poëzie die het hart aangrijpt en sneller 
doet kloppen, die door zijne eenvoudige uiting helden maakt die 
elkaar broederlijk bijstaan in dreigend gevaar en^en kameraad-^ 
schappelijken band als met bloemen tooit 

n Vl 



168 



De Eupopeesche Fuselier F. C. A. BuUs 

1889 

Onze posten te A^eh, Pakan Kroeng Tjoet en KotaPohama, 
werden in de maand Juli 1889 telkens geteisterd door het ge- 
schutvuur der A^ehers; die vuurmonden waren opgesteld in eene 
versterking, Kota Toewankoe geheeten, gelegen tusschen die 
beide posten aan den oever eener kreek, die met de lagune in 
verbinding stond; dit geschutvuur was erg lastig, al bracht het 
den onzen ook niet veel verliezen toe. 

Hoewel onze artillerie telkens poogde om dat vuur tot zwijgen 
te brengen, gelukte dit toch niet, omdat door het zeer begroeide 
terrein de positie des vijands niet nauwkeurig bekend was en 
de juiste ligging uit de spionnenberichten niet kon worden op- 
gemaakt. 

In den nacht van 24 op 25 Julij 1889 hadden de bezettingen 
onzer beide posten weder een hevig vijandelijk geschutvuur te 
verduren gehad, waarom dan ook de Civiele en Militaire Gouver- 
neer van Atjeh, de Generaal H. K. F. van Teijn besloot, om 
de vuurmonden van Kota Toewankoe onbruikbaar te doen maken; 

Het beste en meest afdoende middel , ten einde dat doel het spoe- 
digst te bereiken, was naar het oordeel van den Opperbevelhebber 
om te beproeven 's vijands stelling bij verassing binnen te dringen 
en dan van een gunstig oogenblik gebruik te maken om de 
kanonnen middels d3aiamiet te vernielen; daartoe werd door 
hem] niemand geschikter geoordeeld dan de dappere kommandant 
van Pakan Kroeng Tjoet, de algemeen om zijn d^elijk kame- 
raadschappelijk karakter, zijne groote onversaagdheid en do) 
koenen ondernemingsgeest bekenden en beminden Luitenant F. 
Veerman, door zijne minderen ten hoogste vereerd en door de 
makkers in den r^el vertrouwelijk Frans genoemd. 

Daar een dusdanig waagstuk slechts door eene kleine uitge- 
lezen troep uitgevoerd kon worden, aangevoerd door een 
Officier wien .de minderen zelfs in het grootste gevaar vol ver- 
trouwen i;onverschrokken zullen volgen, die met zijne braven 



DZ BÜB0PEB8CBB FUBXIJEB F. O. A. BUUS — 1889 159 

alles durft en alles kan ondernemen, omdat zij weten dat hij 
hen ten beste leidt, zoo kon de Generaal zeker geen betere 
keus doen, maar ook was Veerman eenigzins als van zelf de aange- 
wezene persoon om den gewaagden aanslag te leiden en die koene 
onderneming tot een goeden uitslag te brengen, omdat hij door 
persoonlijke waarneming, die hij altijd sluipender wijs zoover 
mogelijk uitstrekte, en door voortdurend ondervragen der spionnen 
het meest en het best op de hoogte was van den toestand 
van het terrein, en dus zeker in dien warboel van struiken en 
moeras het zekerst zou kunnen handelen om de verrassing te 
doen gelukken. 

Ten einde die verrassing nog meer kans van slagen te geven, 
zoude, geheel aan de andere zijde van het punt waar de te 
bekruipen vijandelijke sterkte moest liggen , door het 14® Bataljon 
Infanterie met Kavallerie en Artillerie eene demonstratie worden 
gedaan om den vijand naar zich toe te lokken en om, ingeval 
van mislukking van den overval , het kleine detachement te steu- 
nen en den terugtocht mogelijk te maken. 

Nadat het 14^ Bataljon blijk had gegeven dat het in de aan- 
geduide positie was aangekomen, rukte de Luitenant Veerman 
met zijne keurbende uit, sterk 35 bajonetten, benevens de Lui- 
tenant der Genie N. Hageman met 10 geniewerklieden, voorzien 
van de noodige d3aiamiet en ontstekingsmiddelen. 

Het was een kranig troepje dat om 6^ uur des morgens van 
Pakan Kroeng Tjoet voor die hoogst gewaagde en koene onder- 
neming op marsch ging, doch op Veermans flink kommando 
^Voorzvaafis» gingen zij vol vertrouwen de kwade kansen tegemoet, 
wetende dat een dapper en onverschrokken, doch tevens be- 
leidvol Officier de aanvoerder en de leider was. 

Het zij hier dadelijk gezegd dat, trots den betoonden moed en 
doodsverachting dier braven, de gewaagde onderneming onaf- 
hankelijk van het beleid en de doortastendheid van den aanvoerder, 
totaal mislukte; van den geheelen dapperen troep die uitrukte, 
keerden slechts een tiental minderen, waarvan de meesten gekwekst, 
terug, en waren al de lichamen der gesneuvelden met hunne 



160 DE SUB0PIB9CHB FÜ8SLIXR F. C. ▲. BUUS — 1889 

wapens op de plaats des gevechts in handen van den vijand 
achtergebleven, uitgenomen dat van den aanvoerder; om 6^ uur 
rukte de troep uit, om y\ was men voor Kota Toeankoeenom 
9 uur waren de treurige overblijfselen van dien kranigen troep te 
Pakan Kroeng Tjoet terug, zoodat het eigenlijke gevecht zeker 
geen kwartier geduurd heeft, in welk kort tijdsverloop dat 
smartelijke verlies geleden werd. 

Talloos waren de bewijzen van moed en trouw in die benarde 
oogenblikken g^even, maar schitterend blinkt boven alles uit de 
ridderlijke daad van onwankelbare trouw van den Europeeschen 
fuselier F. C. A. Buijs en naast hem die van den Europeeschen 
fuselier W. R. Schirmer die beiden voor die gelegenheid het 
kruis van de 4® klasse der Militaire Willemsorde als belooning voor 
hunne heldendaad mochten verwerven, eene daad die een schoon 
en helder licht werpt op de trouwe kameraadschap die in de ge- 
lederen van het Indische Leger heerscht 

Behoedzaam ging de kleine kolonne dapperen, voorafgegaan 
door den aanvoerder, langs een smal pad voorwaarts in de rich- 
ting van Kota Toewankoe, steeds verborgen door hoog op- 
gaand houtgewas. 

Plotseling echter stond die heldenschaar, daaruit debouchee- 
rende, op ongeveer 10 pas van de vijandelijke sterkte die men 
dacht te bekruipen en waaruit zij dadelijk met een krachtig ge- 
weervuur werd begroet. 

Van de voorgenomene verrassing kon dus geen sprake meer 
zijn, doch zoo nabij den vijand wilde niemand de onderneming 
opgeven en het aller minst de dappere Veerman, die er op 
rekende door een stout bestaan de opdracht toch te kunnen ver- 
vullen, daar de sterkte wellicht slechts zwak bezet en door een 
snel en krachtig optreden de taak der genie zeker afgeloopen kon 
zijn, alvorens de vijand versterking ontving. 

Daarom stormen allen, voorafgegaan door Veerman, onder een 
luid MÜoera h vooruit. 

Buijs heeft echter het eerst van allen den vijandelijken wal bereikt, 



DK SUB0PBBSCH8 FDSlCLISB F. C. A. BÜUS — 1889 161 

werkt zich door dé bamboe-doerie versperring heen en legt met 
een wélgemikt schot den eersten Atjeher die zich vertoont neer. 

Hij staat nu echter alleen op den wal, want bij de vijandelijke 
sterkte gekomen is de Luitenant Veerman van plan veranderd 
en is met den geheelen troep een der facen van de vijandelijke 
redoute gevolgd, om zoo te trachten door de poort aan de 
achterzijde de sterkte binnen te dringen. 

Aan alle zijden door den vijand bedreigd trachtte Buijs, zich 
verdedigende, terug te gaan, doch hij werd daarin verhinderd 
door de bamboe-doerie waarin hij verward geraakte en de terug- 
tocht zou hem zeker niet gelukt zijn, als de korporaal Lange 
hem niet ter hulp was gesneld en den vijand een oogenblik door 
zijn vuur in bedwang had gehouden. 

Nu haasten zich beiden, om zich onder hevig vijandelijk vuur 
langs den voet der versterking bij het detachement te voegen, 
doch reeds op dien korten tocht zagen zij vele hunner makkers 
levenloos uitgestrekt liggen , gevallen door 's vijands lood. 

Veerman heeft intusschen met Hageman en de rest der kleine 
kolonne de achterzijde der vijandelijke sterkte bereikt, en tracht 
de zich daar bevindende poort open te hakken , doch tegelijkertijd 
worden de dapperen niet alleen uit Kota Toewankoe , doch tevens 
uit twee andere nabij geldene versterkingen met een kruisvuur 
overstelpt, zoodat het kogels regent en herhaaldelijk mannen 
doodelijk getroffen neêrzijgen. 

Ook Veerman is gevallen met den glimlach op het fiere gelaat , 
dat zijne verhevene strijdlustige uitdrukking behouden had, terwijl 
Hageman aan een sappeur de bijl heeft ontrukt en met forsche 
slagen de poort beukt 

Nog slechts Buijs, Schirmer, korporaal Lange en een paar 
anderen zijn in staat 's vijands overstelpende vuur te beantwoor- 
den, dat de A^ehers zoo in ontzag houdt, dat zij den gewonen 
woesten klewangaanvsd op dat kleine hoopje dapperen niet wagen. 

Nu wendt Buijs zich tot den Luitenant Hageman en meldt 
dezen dat Veerman gevallen is. 

Hageman , ziende dat niet alleen alle kans op succes verkeken is , 



162 OK SUBOPKBSOHB FÜ8SLIBR F. O. ▲. BÜUS — 1889 

maar dat de toestand van dat troepje zeer hachelijk wordt, ge- 
last den terugtocht, doch op datzelfde oogenblik stort ook hij 
neder, doodelijk getroffen door enkele der tallooze kogels, die 
de vijand op de aanvallers afzendt 

Niet zoodra heeft Hageman het bevel tot teruggaan uitge- 
sproken of de overblijvenden hebben zich dadelijk teruggetrokken , 
om zich eenigszins t^en 's vijands vuur te dekken. 

Alleen Buijs staat nog te midden van den kogelregen naast het 
lijk van zijn beminden aanvoerder, den Luitenant Veerman. 

Hij wil dat laatste overblijfsel van dien dapperen Officier niet 
bloot stellen aan de beleedigende en schendende behandeling 
der Atjehsche benden en mogelijk, zoo dacht hij een oogenklik , 
kan er nog leven in zijn. 

Daarom schiet hij voor de laatste maal, rechtop staande, zijn 
geweer af, terwijl de vijandelijke kogels aan alle zijden hem om 
de ooren fluiten en sissen, bukt zich, grijpt het roerloos lichaam 
van zijn Luitenant bij de kraag der jas en sleept het met zich 
voort in de richting der reeds teruggetrokken makkers. 

Eensklaps echter raakt hem een der honderde a%ezonden 
kogels van achteren in de dij en hij zijgt daardoor, nu machteloos 
geworden in dat been, op eene knie neder, maar zijn Luitenant 
laat hij niet los, hoe moeielijk 't hem ook is het lichaam krui- 
pende voort te slepen, terwijl hij zqn wapen nog met de andere 
hand torscht 

In zijne vertwijfeling roept hij zijn makker Schirmer ter hulp, 
die juist naar den achterblijvenden Buijs uitziet Deze kruipt ter- 
stond , trots het aanhoudende moorddadige geweervuur , naar Buijs 
toe en met vereende krachten slepen zij nu het lichaam van 
Veerman mede, waarbij ook Schirmer door een kogel gewond wordt 

Eindelijk vinden die beide braven in de bedding vaneendaax 
stroomend riviertje dekking tegen het verschrikkelijke vijandelijke 
vuur, dat steeds zonder ophouden doorratelt en op bandenen voeten 
over den bodem van den waterloop kruipende , waarbij Buijs ontzet- 
tende smarten lijdt , brengen zij de vereerde overblijfselen van hun 
beminden Luitenant in veiligheid bij een troep, die onder den 



OK SXBeKAMT ZIBKBNYADKR H. H. H. LOONTJES — 1894 16S 

Luitenant J. H. H. Dommers ter ondersteuning was uitgerukt 
Een ieder was vol lof over het brave en trouwe gedrag vanden 
dapperen Buijs, waaraan ook de kranige Schirmer zijn deelhad* 
Voor den dienst afgekeurd tengevolge zijner ernstige verwon* 
ding, keerde Buijs naar Nederland terug, waar zijne heldendaad , 
die zooveel ware aanhankelijkheid en trouw toonde, reeds alge- 
meen bekend was en waar hem zoowel te Amsterdam als te 
Gouda eene schitterende waardeerende ontvangst was bereid. 

Die hulde was welverdiend en schonk een zalig oogenblik aan de 
ouders van den held , die met recht trotsch waren op dezen zoon , 
die zich als een echten Hollandschen jongen in die bange vree- 
selijke ure des gevaars zoo wakker en trouw gedragen had. 

De Sergeant Ziekenvader H. H. H. Loon^es 

1894 

Den 27^ Augustus 1894 rukte, ten gevolge van den van het 
hoofdkwartier ontvangen schriftelijken last, de kolonne onder 
den Overste P. van Lawick van Pabst van Batoe Rlian op, om 
naar het bivak te Ampenan terug te keeren en nam haren weg 
over Tjakra N^ara, daar het den aanvoerder onbekend was, 
dat daar in den nacht van 25 op 26 Augustus de treurige over- 
valling en nederlaag onzer troepen had plaats gehad. 

Bij het binnenrukken van Tjakra Negara, waar men dacht het 
hoofdkwartier te zullen vinden en de kolonne dan ook vol vertrou- 
wen als in eene door ons bezette plaats binnen marcheerde, viel zij 
in de haar gelegde hinderlaag en werd op den grooten weg geheel 
uit elkaar geslagen door 's vijands moorddadig vuur , dat plotseling 
aan alle zijden werd a%egeven door de achter de van schie^ten 
voorziene muren geplaatste Balineesche schutters, zoodat ten ge- 
volge daarvan tal van dapperen a hout portant werden doodge- 
schoten zonder een vijand te zien, en daaronder ook de dappere 
beleidvolle Overste F. van Lawick van Pabst 

Een deel der kolonne kon zich door den vijand heenslaan, al 
was het ook met talrijke verliezen, en de achterhoede, eene In- 



164 DK 8SB0SAMT ZIXKXNVADKB H. H. H. LOOMTJSS — 189é 

landsche kompagnie onder den Kapitein lindgreen, vond met 
de Ambulance eene toevlucht in eene Poene, verdedigde zich 
daar eenige dagen tegen tallooze aanvallers, geraakte eindelijk 
in krijgsgevangenschap en keerde eerst den 6^ September in ons 
bivak te Ralé terug, waar toen de bekende Overste A. H. W. 
Scheuer het bevel voerde. 

Bij den afinarsch van Batoe Klian had de geneesheer der 
kolonne, de Officier van Gezondheid i* klasse Dr. S. Uj!aki,de 
zorg voor den doodelijk zieken sergeant A. H. W. Becker, die 
gedragen moest worden, in het bijzonder opgedragen aan den 
Sergeant zieken vader H. H. H. Loon^es, met den uitdrukkelijken 
last steeds in de onmiddelijke nabijheid van den zieke te blijven 
en deze onder geen voorwendsel hoegenaamd te verlaten. 

En trouw tot in den dood vervulde hij dien plicht 

Zoodra het verschrikkelijke geweervuur der Balineezen onze 
troepen teisterde, en menschen en paarden bij tientallen tegelijk 
op den weg neervielen onder die hagelbui van kogels , wierpen in 
hunnen angst de dragers van den draagstoel waarin de zieke sergeant 
Bedcer vervoerd werd, dezen neder en zochten een goed heenko- 
men in de verwarring die door dien plotselingen aanval ontstond en 
nog vermeerderd werd door de als razend rondrennende trekdieren. 

Doch niet alzoo Loontjes, die trouw bij den aan zijne zorg 
toevertrouwden zieke bleef, hoewel hij zich bij den troep van den 
Kapitein Lindgreen, waarbij de ambulance behoorde, had kunnen 
vo^en, maar dat wilde hij niet, wanneer niet tevens de zieke 
overgebracht werd. 

Wat er verder met die twee makkers in het gevaar gebeurd is, 
zal wel nooit bekend worden, doch toen den i^'^ September 
Dr. Ujlaki met het treurige overblijfsel der kompagnie Lindgreen 
over het slagveld trok om in krijgsgevangenschap voor den 
vorst van Lombok gebracht te worden, zag hij tusschen de 
talrijke lijken, die onb^;raven op ;dien noodlottigen weg Is^en, 
ook het lichaam van den Seigeant Becker nog in de neergeworpen 
tandoe liggende, door een kogel in het hoofid getroffen en daar 



DK SXBeBANT ZIBKENVADKR H. H. H. LOONTJES — 1894 165 

naast, den draagstoel nog krampachtig omklemd houdende, het 
door tal van kogels doorboorde lijk van den braven ziekenvader 
Loontjes, als wilde hij toonen, dat hij ten koste van zijn leven 
alles gedaan had om den aan zijne zorg aanbevolen makker 
trouw ter zijde te staan. 

Hoe weerloos ook, toch bleef hij trouw op zijn post, tot de 
dood hem van dien plicht onthief. 

Zoo trouw zijn de makkers van het Indisch Leger en zoo 
weten zij te sterven. 

Eere en hulde aan zijne nagedachtenis ! . . • 



Plichtbesef 

On étonne par Taudace et on anime son propre courage. 

Db Wbiss. 

Plichtgevoel is den Hollandschen krijgsman van nature eigen 
en wordt gedurende zijn verblijf in de gelederen met zorg aan- 
gekweekt, veredeld en onderhouden als de hechtste steunpilaar 
der discipline, waardoor ons dapper Indisch Leger zoo oneindig 
veel met grooten moed en met bewonderenswaardige volharding 
en trouw mocht volbrengen en met roem en eer in stand houden. 

Maar vele edde en roemrijke daden in Indiê spruiten voort 
uit eene bijzondere onbegrensde opvatting van plicht, uit een 
gevoel van hooggedreven plichtbesef, waarbij de krijgsman op- 
treedt geheel volgens de ingeving van hart en verstand op het 
oogenblik van handelen, zonder zich daarbij bewust te zijn hoe 
grootsch en verheven zijne daad is, zonder zich daarop iets te 
laten voorstaan en zonder daarvoor eenige belooning te ver- 
wachten, eenvoudig omdat hij het zijn plicht acht zóó te doen 
en niet anders. 

De meeste van dergelijke schijnbaar eenvoudige, doch in wer- 
kelijkheid grootsche, indrukwekkende, soms roerende daden van 
heldenmoed blijven voor tijdgenoot en nageslacht verborgen, 
omdat de getuigen ontbreken en de heldhaftige bedrijver 6f zelf 
bij de uitvoering sneefde, óf, in den eenvoud zijner opvatting 
van plicht, die als van geen belang beschouwde. 

De Mi^oor der Infanterie Leclercq 

1824 

Na het vertrek van den Gouverneur Baron van der Capellen 
op den 13*^ September 1824, brak op Celebes den opstand met 
vernieuwde kracht uit, en vielen de opstandelingen ons fort te 



DE MAJOOR DRR INFAMTSaiS UBCLBRCQ — 1824 167 

Pakadjene met groote overmacht aan, waar de Luitenant Grin- 
wald met het kleine garnizoen zoo lang stand hield , tot het 
buskruit magazijn in brand geraakte en de sterkte met vriend en 
vijand in de lucht vloog. 

Ook onze post te Maros had veel van de aanvallende op- 
standelingen te lijden en was ten slotte van elke gemeenschap 
over land met de hoofdplaats Makassar afgesneden, daar de 
overtalrijke, dappere, stoutmoedige en behendige Bo^piieesche 
ruiterbenden de geheele streek in hunne macht hadden. 

Eindelijk besloot de Majoor Leclercq, die alle overblijvende 
troepen in die afdeeling onder zijn bevel te Maros vereenigd had , 
den te sterk en te onbeschaamd optredenden vijand aan te vallen 
en uit den omtrek te verdrijven. 

Met 200 man Amboineesche Infanterie en een troep Inlandsche 
Barissan, aangevoerd door Ejaeng Tello, deed hij een uitval 
onder zijne persoonlijke leiding. 

Aanvankelijk werd het voortrukken onzer troepen met succes 
bekroond, vooral zoolang zij ondersteud werden door het ge- 
schutvuur onzer sterkte, doch de krijgskans keerde toen men den 
wijkenden vijand te sterk vervolgde en in open terrein kwam , waar 
ons geschut uit het fort geen steun meer kon aanbrengen en de 
talrijke goed bereden Boegineezen beter in staat waren zich te 
ontwikkelen en hunne onstuimige charges uit te voeren. 

De Boegineesche ruiterbende bestormde nu op vreeselijk 
woeste wijze van alle zijden de Amboineesche tirailleurs die, 
hoewel door de laffe hulptroepen verlaten en talqjke verliezen 
lijdende, moedig stand hielden. 

De Majoor Leclercq begreep dat die wederstand niet lang kon 
duren; om zijn troep voor geheelen ondergang te behoeden besloot 
hij zijne verspreide soldaten te verzamelen en op het fort terug 
te trekken, en liet daarom het signaal €verzamelen» hi^ea. 

De Amboineezen voldeden terstond aan dat bevel , doch de vijan- 
den, daarin eene vlucht ziende, werden des te overmoediger en 
vielen nu in tallooze zwermen met de grootste onstuimigheid op de 
in terugtrekkende bew^;ing zijnde tirailleurs aan, die wel een 



I 



168 DZ MAJOOR DKR IMFAliTBRIB LXOLEBCQ — 1824 

wanhopigen wederstand boden, doch daarbij helaas allen wetden 
a^emaakt 

De Majoor Ledercq, die zijne troepen te voet aanvoerde , zag 
met sombere blikken den gang van zaken waaraan hij niets ver- 
anderoi kon en begreep dat zijne dappere Amboineezen tot den 
laatsten man zouden vallen. 

Nog kon de Majoor zich door de vlucht aan de slachting ont- 
trekken en de onverschrokken wachtmeester der huzaren Lahure, die 
in zijne nabijheid was en begreep dat de Chef ook te Maros 
noodig was om de overgeblevene bezetting aan te voeren en te 
leiden, bood hem zijn paard aan, om daarmede naar het fort 
te rijden en zoo spoedig mogelijk versterking te halen. 

Maar de edele en onverschrokkene Hoofdofficier wees dit aanbod 
met stolcijnsche kalmte af, zond Lahure in zijne plaats terug, 
zeggende , ^^daar ivaar mifru dappere Infanterie strydende sterft, 
daar sterf ik ook met haarhi^ 

Zonder dralen voegde hij zich nu bij zijne met den moed der 
wanhoop strijdende soldaten en vond met de zijnen strijdende 
den dood op het slagveld. 

In zijne eenvoudige grootsche opvatting van plichtbesef, deed 
hij eene bewonderenswaardige heldendaad en ging zonder dralen, 
en zonder eenige hoop op succes als een held den dood te 
gemoet, waardoor hij we! de zijnen niet redde, maar zich een 
onverwelkbre lauwer vlocht en zijn naam vereeuwigde door dien 
te schrijven naast die van zoovele helden, die den dood op het 
slagveld verkozoi tegen den terugtocht of de vlucht. 

De Europeesche Tamboer Jacobus de Vannes 

1825 

Onze op een kleinen , eenzaam uit de vlakte oprijzenden heuvel , 
ter Sumatra's Westkust, gelegen sterkte Soeroasso, was bezet door een 
troep van 40 man Infanterie onder den Luitenant T. B. Veltman en 
beheerschte zoowel die omringende vlakte als de bergengte Ajer 
Batomba, ten einde de voortdurende invallen van de krijgshaftige 
Padrie's van Lintau in het landschap Tanah Datar t^en te gaan. 



DB SUEOPKBSCHB TAMBOER JA0OBÜ8 DK VANNIS -<- 1825 169 

Het bevel over dezen kiemen, maar gewichtigen en geva$u:lijkai 
post kon zeker aan geen meer ervaren, dapperder en doortas- 
tender Officier worden toevertrouwd, want reeds herhaaldelijk 
had hij de meest doorslaande bewijzen gegeven, dat zijne onver- 
schrokkenheid geene grenzen kende; daarvoor was hem reeds 
bij de verovering van de vijandelijke sterkten van Gombora en 
Pladjoe, bij de 2^® Expeditie naar Palembang in 1821, den 
Officiersrang en het Kruis der Militaire Willemsorde ten deel 
gevallen. 

Was de kommandeerende Officier van dat echte krijgsmans- 
gehalte, de minderen, die in hem het volle vertrouwen stelden 
omdat zij hem elders te midden van kogelregen en kruitdamp aan 
het werk hadden gezien en met hem gestreden hadden, waren 
allen gebronsde en in den krijg geharde soldaten, die den strijd 
als hun element beschouwden en in hunne ruwheid daarin de 
grootste emotie vonden; door de voortdurend voorkomende expe- 
ditiên waren zij uitstekend met alle listen en lagen van den Inland- 
schen vijand bekend en deden in slimheid voor den tegenstander 
niet onder, doch overtroffen hem verrew^ in roekelooze vermetel- 
heid en doodsverachting. 

Onder de hoede van zulk eene bezetting rekende de Opper- 
bevelhebber dat fort in die gevaarlijke positie volkomen veilig, 
maar toch was het den 23^ Juni 1825 den ondergang zeer nabij , 
want eene kolossale overmachtige bende der Padries, ten getale 
van ongeveer 20cx> man , trachtte de sterkte te overvallen en bij 
verrassing te nemen. 

Verschillende seinen met ontstoken vuren en het slaan op 
vèrklinkende gongs gedurende de voorafgaande dagen op de 
toppen der heuvels in den omtrek, had het waakzame garnizoen 
reeds aangespoord meer dan gewoonlijk op zijne hoede te zijn, 
daar de vijand blijkbaar het een of ander plannetje aan zijn 
adres op het oog had, toen in den vroegen morgen van den 
23^° Juni 1825 de op de wallen geplaatsten schildwacht met zijn 
door gewoonte verscherpt gehoor in de moigenstilte eenige vreemde 
geluiden waarnam, die hem onraad deden vermoeden, want de 



170 BB KUB0PSB8CHE TAKBOKB JAOOBÜS DB VANKBS — 1825 

dikke mist die over het landschap beneden hem hii^, belette hem 
met het oog iets in de vlakte waar te nemen. 

Eindelijk na lang én aandachtig turen kon hij en de makkers 
der wacht, die hij gewaarschuwd had en die naderbij gekomen 
waren, beweging zien in het struikgewas en hooge gras in de 
nabijheid, waartusschen eene enkele witte gedaante reeds onheil- 
speUend dicht bij de sterkte als eene slang voortsloop; dat was 
hem genoeg om alarm te maken. 

Het was een verschrikkelijk ontwaken ! . . . 

In stede van de gewone reveille riep het ai^twekkend alarm- 
signaal van den tamboer Jacobus de Vannes de bezetting te 
wapen en dadelijk donderde de losbranding van een der vuur- 
monden als vervolg daarop, honderdvoudig door de omringende 
bergen weerkaatst, eene gereed gehouden lading schroot op de 
daarbuiten bewegende massa afzendende. 

De kreten van woede die buiten de sterkte uit den naderslui- 
penden hoop opstegen, bewezen dat het schot eene afdoende 
vreeselijke uitwerking had gehad, doch als een echo daarvan 
klonken eensklaps van alle zijden de wraak- en aanvalskreten der 
Padrie's, die himne list ontdekt ziende, overal in den omtrek 
van het fort uit het hen omringende struikgewas opsprongen , met 
hunne talrijke drommen de vlakte bedekkende en hun ««/a ilaha 
iUa 'llah»i^ met stijgende opwinding uitgalmende. 

Op hetzelfde oogenblik stormden ook de vijanden op de verster- 
king aan onder het aanmoedigende ^t.^maêjoe^'b (voorwaarts) der aan- 
voerders en voorafgegaan door de zich onkwetsbaar achtende 
voorvechters, die, in roode met koran-spreuken bedekte baadjes 
gekleed, al tandakkende voorwaarts gingen, terwijl zij die met 
geweren gewapend waren, een goed onderhouden vuur op de 
sterkte openden. 

De voor geen klein gerucht vervaarde Veltman en zijne geharde 
soldaten schrokken toch een oogenblik , toen eensklaps overal die 
talrijke als razenden aanstormende krijgshaftige Padrie's uit het 
beschermende struikgewas en hooge gras oprezen en de optrek- 
kende mist hun overmachtig aantal niet langer verborg. Het zou 



DB EDBOPSBSCHX TAXBOSB JA00BÜ8 DB TARHISB — 1826 171 

een strijd worden van i tegen 50, doch reeds het volgende 
oogenblüc gaf Veltman weder kahn zijne bevelen, die door zijne 
dapperen met moed en zelfvertrouwen werden opgevolgd. 

Bij dien eersten aanval maakte de vijand zich wel meester van 
eenige op een a&tand van de sterkte in de vlakte staande ge- 
bouwtjes, doch zijn aanval op de sterkte zelf werd doordevast» 
beradene houding der bezetting, hun krachtig vuur en bijna nooit 
missend schot, met voor den vijand uiterst bloedige gevolgen 
afgeslagen, zoodat deze zich weder op een a&tand terugtrok. 

Het was echter slechts een ^t.reculef pour mieux sauterhn^ 

De dikke mist was nu geheel opgetrokken en schitterend scheen 
de morgenzon het geheele landschap in helder licht hullende en 
een fraaien doch warmen dag voorspellende. 

De vlakte wemelde van goed gewapende strijdlustige Padries^ 
en nog daalden talrijke dronmien van de naburige hoogten af; 
na een oogenblik rust drong de geheele massa die het fortje 
omringde, weder gillende en schreeuwende voorwaarts, onder 
bedekking van het vuur hunner geweerdragenden, welk vuur de 
bezetting echter slechts spaarzaam beantwoordde , niet schietende 
dan wanneer men zeker was te raken , waardoor dan ook menigen 
aanvaller in het gras beet 

Eerst nu bemerkte Veltman, dat door het onverwachte van 
dien aanval nog vergeten was, om als naar gewoonte de vlag 
te hijschen. Spoedig echter had de Vannes dat verzuim hersteld 
en weldra wapperde onze heerlijke Driekleur in den van de bergen 
komenden verMsschenden morgenwind onder het gejuich der be- 
zetting den vijand uitdagend te gemoet, terwijl de tamboer als 
een antwoord op 'svijands dreigkreten, de verschijning dier vlag 
met een opwekkend Wilhelmus begroette. 

Weder naderden de Padrie's, de voorvechters voorop, maar 
nu behoedzamer dan de eerste maal de door het kleine dappere 
garnizoen goed verdedigde wallen, maar bij herhaling werd de 
aanvaller met bebloede koppen teruggeslagen. 

Doch nu dreigden de bezetting twee onheilen binnen de sterkte ^ 
tegelijk met de verwoede aanvallen daarbuiten. 



172 DB EUBOPBSSCHX TAXBOBR JACOBÜS DB YAIINBS — 1825 

De as van het afiuit van een der vuurmonden, de driepondert 
brak, zoodat het een oogenblik onbruikbaar was, doch gelukkig 
wist Veltman op praktische wijze spoedig daarin te voorzien. 

Nauwelijks donderde echter die vuurmond weder en braakte 
zijne doodaanbrengende lading over den vijand uit, of, aange- 
stoken door een der brandpijlen des vijands, brak er brand uit 
ia het licht brandbare dak van de kommandantswoning en 
weldra stegen zware rookwolken ten hemel, vermengd met 
overal heenvliegende vonken, waardoor ook de andere gebouwen 
in brand konden geraken. 

Het gevaar was ontzettend, want naast de woning van den 
Kommandant, vlak bij het bastion stond het, even als de andere 
gebouwen van licht brandbare matrialen opgetrokken buskruid- 
magazijn, dat eveneens met atap gedekt was, hoewel eene daar- 
onder op de zoldering uitgespreide dikke aardlaag, het gevaar 
eenigzins verminderde. 

De vijanden juichten van vreugde, doch juichten te vroeg. 

Veltman had reeds zijne maatregelen genomen en de soldaten, 
die niet dadelijk op de wallen noodig waren, hadden reeds de 
met water gevulde bamboekokers ter hand genomen en den 
beginnenden brand met natte dekens gedoofd. 

Tamboer de Vannes was echter terstond als eene kat op het 
dak van het kruitmagazijn geklommen en rukte daar de gevaarlijke 
dakbedekking zoo spoedig mogelijk af, zonder zich ook maar 
eenigzins te storen aan het in 't bijzonder op hem gerichte 
vijandelijke vuur. 

Toen de brand gebluscht en hij met zijn arbeid gereed was, 
keek hij van zijne hooge standplaats op de zoldering van het 
van dak beroofde kruitmagazijn op de van vijanden krioelende 
vlakte neer en zag tot zijne ontzetting, dat een aanvoerder en 
voorvechter met zijne bende bezig was om de randjoe's in de 
gracht, die de sterkte stormvrij maakten, op te ruimen, ten einde 
zich zoo een weg naar de wallen te banen, waarna het dan den 
aanvaller door zijne kolossale overmacht spoedig gelukken zoude 
om de kleine bezetting te overmeesteren. 



DE EÜBOPXSSOHX TAMBOIB JA00BU8 DB YANMBS — 1835 173 

Wat hij van zijne verhevene standplaats waarnam , konden de 
zich op het banket en in de versterking bevindende soldaten niet 
zien en zij beseften dus niets van het groote gevaar, dat hen 
gaandeweg doch zeker naderde. 

In zijn begrip van plichtbesef was het de Vannes helder dat hij 
met aanwijzen en uitleggen te veel tijd zoude verliezen en alleen 
zijn handelen, dadelijk en beslist handelen, nog redding kon 
aanbrengen en 's vijands plannen verijdelen. 

Snel als de gedachte is zijn plan opgevat en uitgevoerd. 

£en bamboe stijl van het gebouw grijpende, glijdt hij vlug 
als een aal naar beneden, snelt naar de borstwering, rukt een 
der verdedigers het geladen geweer uit de hand, roept de anderen 
toe hem te volgen, springt op het plongée en met een goed 
gericht schot legt hij den voorvechter en aanvoerder der nader 
sluipende bende neer. 

De verschijning van den beslist handelenden, onverschrokken 
tamboer, weldra door anderen gevolgd en het sneuvelen van 
hun aanvoerder, deed de bende hun heil in de vlucht zoeken, 
waarbij echter nog menig Padrie valt onder het nooit missende 
lood der verdedigers. 

Nog tweemaal beproefde de vijand een verwoeden aanval, 
doch de tweede maal was het niet alleen het dappere garnizoen 
dat de aanvallers op de vlucht dreef, maar ook het tromgeroffel 
in de verte, dat de nadering van Hollandsche troepen aankondigde. 

Het fort was gered, doch 't was ook hoog tijd! . . . 

Vroolijk en zegevierend wapperde nu onze Driekleur boven de 
dappere verdedigers de ontzetkolonne tegemoet, t^elijk met 
de toonen van het hartverheffend Wilhelmus. 

De bezetting verloor in dat korte tijdsverloop zeven man aan 
dooden en gewonden, doch de vijand liet voor de wallen der 
sterkte 20 gesneuvelden achter, daar hij die op zijne vlucht niet 
meer mede kon voeren. Volgens berichten bedroeg ^s vijands ver- 
lies aan dooden in 't geheel 150 man, waaronder verscheidene 
Hoofden, benevens tal van gekwetsten. 

Wel was de verdediging kloekmoedig en beleidvol gevoerd» 
II \^ 



174 DB LÜITKNAMT DSB IM7ANTBRIB DUSLBÜ r— 1828 

doch zonder de kordate en besliste handeling van den tamboer 
de Vannes zoude vermoedelijk het garnizoen het onderspit ge- 
dolven hebben vóór de komst der ontzet-kolonne. 

Zijne dappere handeling, voorspruitende uit edel plichtbesef 
redde het fort van den ondergang, want ware de vijand binnen- 
gedrongen, dan zou Veltman den brand in 't kruit gestoken hebben 
en met vriend en vijand in de lucht gevlogen zijn. 

De Luitenant der Infanterie Durteu 

1828 

De Luitenant Kolonel J. Ledel, een der onverschrokkene en 
doortastende aanvoerders der mobiele kolonnes in den Java* 
oorlog, had in het Grogolsche, dat de meest fanatieke aanhanr 
gers van den hoofdopstandeling Diepo Negoro telde, met 
zijne uiterst beweegbare en strijdvaardige troepen een versterkt 
kampement betrokken, van waar hij, als uit een domineerend 
centrum, alle verdachte vijandelijke bewegingen met den meesten 
spoed en kracht kon tegengaan. 

Daar hij onmiddelijk na zijne vestiging in de maand Augustus 
1828 herhaaldelijk en onverwachts door talrijke benden van Diepo 
Negoro's troepen, soms ter sterkte van 2000 man, werd aange- 
grepen, had hij eene in de nabijheid gelegen hoogte do<^ 
eene veldwacht van een Officier en 20 minderen doen bezetten» 
die nu, daar die hooge rots zich eenzaaam in de vlakte verhief ^^ 
alle bewegingen des vijands in den omtrek kon waarnemen en 
daarvan tijdig bericht zenden. 

Wijl die hoogte als 't ware uit één kolossaal massief rotsblok 
bestond, dat zich eenzaam, steil en ontoegankelijk uit de groe- 
nende vlakte verhief, had hij, om den top te kunnen bereiken » 
met ongekend geduld een pad naar boven laten kappen, dat wil 
zeggen, eene ruwe trap in de rots doen uitbouwen, waarlangs 
dagelijks de veldwacht met moeite hare positie innam, doch 
dan ook tegen eiken aanval gevrijwaard was, omdat de keg^> 
overal elders onbeklimbaar bleek en de slechts met gevaar te 
beklimmen rotstrap, zeer gemakkelijk zelÊs door een enkel soldaat 



DE LUITKNAMT DIB INTAMTBRIB DUBLKü — 1828 175 

tegen elke aanrukkende vijandelijke bende te verdedigen was. 

Te laat zag de vijand in hoe belangrijk dit punt was, en 
hoeveel nadeel hij onze troepen had kunnen toebrengen, als 
hij dat bij tijds bezet had; daarom poogde hij dan ook zich 
door allerlei listen en lagen daarvan meester te maken, doch 
alles stuitte af op de waakzaamheid onzer dapperen. 

Op zekeren dag in de maand Augustus 1828 had de Luite- 
nant Durleu , vergezeld van den sergeant Ramon en zijne 19 
bajonetten, in den vroegen morgen den top beklommen, de 
makkers afgelost, en was zijne wacht van 24 uur begonnen. 

Het werd dien dag bijzonder warm en de troep vond weinig 
beschutting tegen de brandende, loodrecht neerschietende zonne- 
stralen onder het lichte atappen dak, dat op vier stevige stijlen 
rustende, als wachtlokaal dienst deed. 

Hoe meer de dag vorderde, hoe meer de hitte toenam, die 
ten slotte onuitstaanbaar benauwend werd, want geen blad bewoog 
zich, de trillend heete lucht der vlakte steeg tot hen op, en elk 
rotsblok van den heuvel was brandend heet, zoodat de anders wel 
tegen de hitte geharde soldaten amechtig ter nederlagen en 
naar eenige koelte aanbrengende frissche lucht snakten. 

T^en dat het duister inviel kwam er eenige verademing, daar 
zich een zuchtje deed gevoelen dat zacht over de rots heen 
streek, doch veel hielp dat niet, want die luchtstroom voerde 
de heete lucht van elders aan, maar het deed de overspannen 
krijgers eenigzins herleven en hopen op eene flinke regenbui, 
wijl zich in de verte het gerommel van den donder liet hooren 
en felle bliksemflitsen telkens voor korte oogenblikken de reeds 
in een begin van nachtelijk duister verzonken horizon verlichtten. 

Terwijl het in den aanvang zachte koeltje langzamerhand aan- 
wakkerde en frisscher werd, trok ook het donkere onweer uit 
de verte nader; dreigend pakten zich de onweerswolken boven 
het landschap te samen, de sterren aan het uitspansel verdwenen 
achter het zwarte wolkgevaarte dat alles in diepe duisternis hulde , 
zoodat, als de bezetting langs de steile rotswanden naar beneden 
blikte , het hen toescheen als staarden zij in een peilloozen afgrond, 



176 DE LÜITEMANT DKB IMFANTBRIS DÜRLSU — 1828 

en als was de rots waarop zij zich bevonden alleen en verlaten 
op het wereldrond met de onheilzwangere wolken boven zich. 

Weldra brak de storm en het onweder met volle kracht los 
en viel de regen als in een zondvloed bij stroomen neder , zonder 
dat de bezetting eenige beschutting had, want de eerste ont- 
zettende windvlaag had het lichte dak losgerukt en als een veer 
in de duistere ruimte weggeslingerd;oorverdoovende donderslagen 
die den rotskegel deden trillen , klonken heinde en ver weerkaatst 
aanhoudend door het luchtruim alsof duizende kanonnen te 
gelijk losbarstten en de vurige oogverblindende bliksemstralen 
doorkliefden voortdurend de duisternis, een tooneel van ontzettende 
verwoesting een oogenbiik verlichtende, nu krakend boomen 
splijtende of met een slag woudreuzen veilende, dan weder een 
rotsblok in splinters slaande en den rotskegel als 't ware in vuur 
en vlam zettende. 

Het was een vreeselijk ontzettend tooneel vol Majesteit Het was 
alsof alle woeste natuurkrachten losgelaten waren en samengespan- 
nen hadden om het hechte rotsgevaarte, de eengie verhevenheid in 
de vlakte, van zijne granieten grondvesten te rukken en de 
verschrikte bezetting mede te sleuren in een afrond van vuur 
en vlam, of door een watervloed van de oppervlakte der aarde 
weg te vagen. 

Reeds bij den aanvang van het onweder waren de bijgeloovige 
Inlandsche soldaten door schrik als verlamd en hadden zij zich, 
met het aangezicht naar Mekka gewend, ter aarde geworpen, God 
en den Profeet aanroepende om het onheil van hen af te wenden; 
de Europeesche soldaten hadden eerst, wel eenigszins verschrikt 
bijeen scholende, het schouwspel toch met belangstelling gade 
geslagen, doch toen de storm op verschrikkelijke wijze in kracht 
en woestheid toenam, werden ook die ruwe, minder bijgeloovige, 
geharde en dappere krijgers, die anders voor hel noch duivel be- 
vreesd waren, door ontzetting aangegrepen en staarden angstig rond 
in de zwarte duisternis die hen met al zijne geheimzinnige ver- 
schrikkingen omringde, die ontzettend schenen door de onder 
hevig ratelende donderslagen aanhoudend voortschietende blik- 



DB LÜITENAKT DIB INFAMTBBIB DÜBLKÜ — 1828 177 

semstralen» want nu voelden zij zich machteloos en klein tegen- 
over dat indrukwekkende, vreesaanjagende, woeste natuurtooneel. 

Ook de Kommandant, de Luitenant Durleu, verkeerde in dien 
toestand van ontzetting, zoodat hij alles vergat en slechts oog 
en oor had voor dat aangrijpende schouwspel, tot plotseling van 
de zijde der soldaten de kreet klonk, ^€,weg van hier/.,, nciar 
beneden !., ,T>T> en hij tevens zijne anders- zoo onverschrokkene 
manschappen in wanhopenden angst naar de eenige trap zag 
ijlen die uitw^ bood, met het gevaar om allen door de haast 
en het gedrang langs de ongelijke, ruwe en door den regen 
glibberige treden naar beneden te storten en verpletterd te worden. 

Door die paniek die tal der zijnen nutteloos het leven kon 
kosten en den zoo gewichtigen post onbewaakt laten, herstelde 
zich zijn denkvermogen en zijne geestkracht 

Door den troep kon hij niet meer heendringen want de rade- 
looze soldaten, slechts op ontkomen uit dien vuurpoel vol 
verschrikkingen bedacht, vormden een ondoordringbaar kluwen, 
waarin onder woeste kreten geworsteld werd om den voorrang. 

Zijn helder geworden plichtbesef om zijne soldaten te redden 
en daardoor den hem toevertrouwden post te behouden, deed 
hem een radeloos en roekeloos besluit nemen, want hij moest 
de voorste vluchtelingen, die reeds de trap afdaalden, vóór zijn. 

Voorgelicht door het oogverblindend schijnsel van het hemel- 
vuur en zich aan eenige uitstekende rotspunten vasthoudende, 
daalde hij, den ontblooten d^en tusschen de tanden geklemd, 
den door het stroomende water glibberigen, bijna loodrechten 
rotswand af, zich zoo goed als geen tijd gunnende om een steun 
voor zijne voeten te zoeken en half glijdende, half vallende be- 
reikt hij gelukkig de rotstrap en stelt zich met den degen in de 
vuist voor de als waanzinnigen vluchtende soldaten. 

Door een enkelen stoot hadden de vluchtelingen den weg vrij 
kunnen maken, maar de Officier die daar eensklaps te midden 
der bliksemstralen als een vuurgeest voor hen verscheen en hen 
met zijnen door het hemelvuur in het duister flikkerenden degen 
bedreigde, terwijl zijn boven het geraas van den donder uitklin-^ 



178 DB KUBOPUSCJEX MINEUB J. L. TAN TOLBDO — 1873 

kend vastberaden bevel €€terug»» hen in de ooren galmde , bracht 
hen na een oogenblik weifelens tot bezinning en gehoorzaam aan 
zijn last keerden zij vol schaamte terug tot den post die zij zoo 
lafhartig hadden willen verlaten, eene daad waartoe geen over- 
macht des vijands hen zou hebben kunnen dwingen, doch die 
zij onder den ontzettenden indruk en het woeste natuurverschijnsel 
gedachteloos bedreven. 

De Sergeant Roman stond zijn Luitenant krachtig ter zijde. 

In zijn hoog plichtbesef deed de Luitenant Durlen een levens* 
gevaarlijken sprong en afdaling waarvan hij den volgenden morgen 
bij helder daglicht rilde van afgrijzen en toen de mogelijkheid 
dier roekelooze daad niet begreep. 

Eerst veel later werd die moedige daad van den Luitenant 
bekend , want de dappere Officier, door zijn eigen gemoedstoestand 
begrijpende wat in de harten der soldaten was omgegaan, en 
beseffende dat zij, die altijd onverschrokken hun plicht deden, slechts 
onder den machtigen indruk van het oogenblik gehandeld hadden^ 
verzweeg hunne zwakheid en daardoor de eigene kordaatheid. 

De Europeesche Mineur 2e klasse J. L. van Toledo (*) 

1873. 

Wij schreven den 12®° April 1873 in het bivak nabij Atjeh's 
groote Missigit. 

Den io*<^ April van dat jaar was die Missigit ten koste van 
veel verlies door de dapperheid onzer brave soldaten in ons 
bezit gekomen, doch om gewichtige redenen onmiddelijk weder 
verlaten en op eenigen afstand daarvan een bivak betrokken* 
De vijand had daarna de op hem veroverde en door ons verlaten 
sterkte weder bezet en kon van daaruit onze bivakplaats gemak- 
kelijk beschieten. 



(*) Reeds vroeger van dezelfde hand verschenen in de „Huisvriend** 
onder den titel, „Herinneringen uit myn Indische loopbaan". 



DB BÜBOPBSSCHB MIMXUR J. L. VAN TOLBDO — 1878 17^ 

Dit bivak, gelegen op eene groote Sawahvlakte om eene 
kleine terreinsverhooging waarop zich eenige Atjesche grafino- 
numenten bevonden, was aan alle zijden geheel open. Het bood 
dus een ruim uitzicht aan over de omliggende streek, doch had 
tevens dit nadeel , dat zoowel uit de , de Sawahvlakte omringende 
kampongs, als uit de Missigit, de vijand alles duidelijk in 
onze legerplaats kon waarnemen, en zonder veel moeite in de 
gelegenheid was onze troepen te verontrusten en uit de verte 
van achter zijne dekkingen onder vuur te houden. 

Betrekkelijk rustig was den ii^ April voorbijgegaan , wat betreft 
den strijd tegen den vijand, oÊschoon deze ons toch eenig 
verlies had toegebracht. Het was echter een dag geweest van 
vermoeienis en inspannenden arbeid om de legerplaats in orde 
te brengen, onder eene verzengende tropische zon, zonder 
eenige schaduw of verkoeling en met slechts een zeer beperkte 
hoeveelheid drinkwater; bovendien was het een treurigen dag, want 
aan onze krijgsmakkers die zoo vol hoop met ons te velde togen , 
doch bij het vervullen van hun plicht op den io^<^ April hetzij ^ 
door vermoeienis, Hetzij door het lood of staal des vijands hun 
leven lieten op het slagveld, werd de laatste eer bewezen bij 
hun tocht ter laatste rustplaats. 

Zulk eene plechtigheid is aangrijpend en stemt allen treurig, 
die met hen den vorigen dag zoo vol levenslust ten strijde trok- 
ken. Te meer overweldigend was hier de indruk, daar het als 
't ware de eerste offers waren, welke vielen in den aangevangen 
strijd die nog zooveel kostbaar bloed zoude vorderen, en omdat 
die laatste rustplaats onzer krijgsmakkers spoedig óf door de schen- 
dende hand van den Atjeher, 6f door den weelderigen Indischen 
plantengroei niet meer te vinden zoude zijn en zij , die even als 
wij liefhadden, die vrienden en magen bezaten welke hun dier- 
baar waren, nu voor altijd rusten zouden in een onbekend graf. 

Met weemoed staarden allen in den kuil, waar die makkers 
bijeen lagen, zij aan zij , met eerbied neergelegd in de koele aarde» 
zonder wapens , maar overigens in vollen krijgsmansdos , en dachten 
aan de dappere daden dier braven, die evenals hunne namen bij ona 



180 DB BÜBOPBBSOHB MINEUB J. L. VAK TELEDO — 1873 

in herrinnering zullen blijven, al is de plaats waar zij rusten niet 
meer te vinden. 

Den I2*° April bleef de troep echter niet rustig in het bivak. 
Niet alleen werden er van onze zijde verkenningen gedaan , doch 
den geheelen dag liet de vijand ons geen oogenblik met rust , zoo- 
dat steeds van alle kanten aanvallen moesten worden afgeslagen, of 
wel den vijand die ons op eenigen afistand beschoot verdreven 
worden. Ook de Marine-landings-divisie, die de Noordelijke flank 
van de legerplaats bezet hield, was voortdurend met kleine af- 
deelingen in actie geweest, om den vijand, die uit den tegenover 
gelegen kampongrand het bivak bestookte, op eenigen afistand 
te houden. 

T^en twee uur des namiddags werd 's vijands vuur echter zoo 
hevig en drong hij zoo brutaal voorwaarts, dat eene sterkere afdeeling 
Marine vooruit werd gezonden om den vijand terug te drijven. Nau* 
welijks was deze meer binnen het bereik van het vuur der Atjehers 
gekomen, of zij werd van alle zijden zoo hevig beschoten dat 
zij niet bij machte was hare opdracht te vervullen, zoodat 
andermaal versterking moest oprukken. Nu gelukte het wel 
den vijand terug te drijven, doch de onzen stootten het hoofd 
tegen een ondoordringbaren boschrand, waarin de Atjehers nog 
bamboe-doerie hadden aangebracht, en daar moesten onze brave 
zeelieden onder hevig vijandelijk vuur blijven stand houden , wijl 
zij geen middelen bezaten om dien ondoordringbaren boschrand 
zooveel als noodig was open te kappen. 

De Kapitein J. Romswinckel, daarbij als Staf-offider t^en- 
woordig, zond aan den Opperbevelhebber het verzoek om de afdee- 
ling Mineurs en Sappeurs order te willen doen geven om voorwaarts 
te rukken, ten einde met hunne gereedschappen den hinderpaal 
op te ruimen. 

Onmiddelijk verzamelde Luitenant A. S. H. Booms, die de 
Mineurs bij de ageerende kolonne aanvoerde met den Luitenant 
P. J. Seibert, zijn klein doch flink en heldhaftig troepje van onge- 
veer 50 man en snelde daarmede naar het terrein van den strijd. 
By dien opmarsch verloor dit peloton reeds 3 man, waarvan een ter- 



DB KUaOPBBSOHB MIHEUB J. L. YAK TELBDO — 1878 181 

Stond sneuvelde en twee gewond werden, terwijl de mineur Van 
Teledo een schampschot langs den schouder bekwam, wat hem 
echter niet verhinderde bij den troep te blijven; opgeruimd en 
blij dat zij weder in het vuur kwamen rukten die braven vooruit 

Zoodra de Kommandant zich op de hoogte gesteld had van 
hetgeen van hem gevorderd werd, deelde hij zijne ondergeschikten 
hunne taak mede en onmiddellijk begon onder 'svijands hevig 
vuur met krachtige slagen de opruiming van den hinderpaal. 

De eerste die gedurende dien arbeid gewond werd , was weder 
de mineur van Toledo, die een kogel door den linkerarm kreeg, 
wat hem echter evenmin als de eerste wond scheen te deren, 
want met den gezonden arm bleef hij even ijverig doorwerken; 
zijn Officier zond hem echter naar achteren, ten einde zich te 
doen} verbinden, een order waaraan de brave wel voldeed, doch 
schoorvoetend en in zich zelven iets onverstaanbaars mom- 
pelend. 

Dikwijls wordt zeer licht geoordeeld over eene werkzaamheid als 
hier aan de mineurs was opgedragen, doch allen die daarover 
kunnen oordeelen, zullen moeten verklaren, dat die taak zwaar, 
zelfs zeer zwaar is. De infanterist, de artillerist en de kavallerist 
hebben een werkzaam aandeel in den strijd, worden daardoor 
opgewekt en strijdlustig en zullen eindelijk in den roes der 
opwinding geen gevaar meer kennen. Bij de Genietroepen is dat 
geheel anders; deze nemen aan den eigenlijken strijd, vuur- 
gevecht of handgemeen, zelden of liever nooit een werkzaam 
deel, doch zoodra zij op de plaats komen waar hun eene taak is 
opgedragen, leggen zij, hetzij onder 'svijands vuur of niet, de 
wapens neder, die hen bij het werk slechts zouden hinderen, en 
moeten dan kalm en beredeneerd de hun opgedragen werkzaam- 
heden uitvoeren, de tegenweer aan dekkingstroepen overlatende ; 
zij dienen dus zonder eenig verweer en geheel lijdelijk tot schijf voor 
de vijandelijke schutters, en moeten onderwijl hun arbeid voortzetten. 
Daartoe behoort moed, zel& veel moed, een zeer hoog besef 
van plicht en een onbepaalde gehoorzaamheid, vol vertrouwen, 
aan de bevelen der CheÊs, die weder in zooveel gevaar zeer 



182 DB KÜROPXSSOHB MINSUB J. L. VAK TOUBDO — 1873 

bedaard de werkzaamheden moeten leiden, ten einde die tot een 
goed einde te brengen. 

Zoo ook hier!... een verwoede, opgewonden, onafgebroken 
vurenden vijand, van achter zijne dekkingen den arbeidenden troep 
voortdurend beschietende, die, ofschoon eenigszins beschermd 
door het vuur onzer brave Mariniers, toch in de eerste plaats, 
en nog wel geheel lijdelijk, aan 'svijands vuur was blootgesteld, 
maar niettegenstaande dat, ijverig, flink en opgewekt, door- 
werkte , terwijl de gewonde mineur van Toledo met t^;enzin dat 
plekje verliet, om zijne beide wonden te laten verbinden. 

Zijne afwezigheid was echter niet van langen duur ; nauwelijks 
was hij verbonden, of met den linkerarm in een verband ontliep 
hij de Ambulance , zocht weer zijne makkers en zijn plekje bij de 
versperring op, en met den rechterarm het kapmes zwaaiende, 
was hij onmiddellijk weder als den beste aan den arbeid, onder 
het uiten van eenige vroolijke gezegden, die de naastbijzijnden 
een luiden lach ontlokten. Die vrijwillige terugkomst werkte elec- 
triseerend op den troep. 

Het duurde echter niet lang of de dappere van Toledo kre^ 
een ernstig schrampschot langs het been, zoodat hij even wan- 
kelde, doch tegelijkertijd uitriep: €*t Is niets Luitertant ! . , , Dü 
brandals hebben 't op mij voorzien /. . . 't Beduidt niets / . . . H Is scheeps^ 
recht! ... U Is driemaal! . . .» De kommandant echter liet zich daar- 
door niet van zijn stuk brengen, maar noodzaakte hem achteruit 
te gaan en liet hem zelfs naar de Ambulance geleiden, daar het 
hem bleek, dat van Toledo moeilijk kon loopen, en evenals 
de vorige maal gaf hij gehoor aan den gegeven last, doch ook 
weder eenigszins onwillig en met een spijtig gezicht. 

De gang der werkzaamheden eischte de tegenwoordigheid van 
den Officier op een ander punt, waar hij eenigen tijd vertoefde 
en waar zijne aandacht geheel werd bezig gehouden, toen hij 
bij dat gedeelte van den troep, dat hij een oogenblik te voren 
verlaten had, een ^hoera!* hoorde opgaan. Hij spoedde zich 
weder derwaarts, in de meening dat daar de doorbreking der 
versperring gelukt was, doch naderbij komende, zag hij van Toledo 



DB lUaOPUSCHB MINBUB J. L. YAN TOLBDO — 1873 18B 

den ^linkerarm in een verband, en 't rechterbeen omzwachteld 
tusschen zijne makkers staan, even ijverig werkende als te voren* 

Hij was, na voor de derde maal in hetzelfde gevecht gewond 
te zijn, voor de tweede maal de ambulance ontloopen en hin- 
kende bij zijne makkers teruggekeerd, ten einde met hen het 
gevaar te deelen, zonder zelfs te denken aan het aanhoudend 
knallen der schoten en het fluiten der kogels. 

De kameraden van Van Toledo riepen reeds van verre den 
Officier toe, ^Luitenant! Van Toledo is nu alweer terug !* wzXVdn 
Toledo beantwoorde met een, Mhoud je hek kerel en werkh t^e- 
lijkertijd den Officier met een blik aanziende, zóó biddend, zóó 
smeekend, zóó vragend, €Och laat me blijven h dat deze niets 
anders kon doen dan uitroepen, ^dappere kerel! Jongens, een 
hoera voor Van Toledo, t^ en andermaal klonk ter eere van den 
dapperen, onversaagden mineur een opgewekt levendig hoera, 
tusschen het aan alle zijden knetterende geweervuur, en met schit- 
terend oog en torsche stem klonk uit den mond van den 
gevierde, ^hoera voor de mineurs h 

Helaas, lang mocht hij de eer en het genoden niet smaken 
aan de zoo moeilijke taak mede te werken. Hij mocht de vol- 
doening niet hebben de versperring opgeruimd te zien, want 
eensklaps viel hij en moest weggedragen worden; hij was nu 
door een kogel in de zijde getroffen en deze was daarna langs 
den rug gegaan en had de ruggegraat geraakt 

Lachend en schertsend liet hij zich wegbrengen, zijne kame- 
raden toeroepende, ^Jongens, als ik kan kom ik dadelijk terug!* 
Dit was echter niet het geval, niet zoozeer omdat hij niet loopen 
kon, want dan zou hij zeker zoo mogelijk kruipende zijn terug- 
gekeerd, maar omdat hij nu op uitdrukkelijk verzoek in de ambulance 
speciaal bewaakt werd, en de taak der Mineurs een oogenblik later 
afgeloopen was, zoodat een gedeelte in het bivak terugkeerde. 

Voor dit feit beloonde Z. M., onze beminde Koning, Van 
Toledo met het Kruis der Militaire Willemsorde, eene onder- 
scheiding waarin hij zich echter niet lang mocht verheugen, want 
nimmer genas hij geheel van de laatst ontvangene wond en deze 



184 DB SÜB0PII80HB MIMXUR A. W. L00N8T1UW — 1873 

sleepte hem spoedig, nadat hem die onderscheiding ten deel 
viel, ten grave. 

En zoo was weder het verlies van een braven , dapperen , trouwen , 
echt Holiandschen borst te betreuren, weder één die zijn trouw 
aan Koning en Vaderland met den dood bezegelde, weder één 
minder in het Indische Leger, die schitterende keurb^ide van 
Neerland's Krijgsmacht 

De Mineur 1* klasse A. W. Loonsteljn 

1873 

Den 14^ April 1873 was voor de geheele kolonne, die onder 
de aanvoering van den Majoor F. P. Cavaljé tegen Atjeh's groote 
Missigit ageerde en dat bolwerk met ontzettende inspanning 
veroverde, een zeer vermoeienden dag geweest 

Ook de Mineurs, die met de zware stormladders waren opgerukt 
om de bestorming mogelijk te maken, hadden daaraan ruim- 
schoots hun deel gehad; toen de goed verdedigde sterkte eindelijk 
kon geacht worden in ons bezit te zijn, gingen de Mineurs 
dadelijk weder, onder de Luitenant P. J. Seibert, aan den arbeid 
om middels mijnen een deel van den verdedigingsmuur der 
Missigit op te ruimen, ten einde een gemakkelijken toegang te 
verkrijgen, en toen dit afgeloopen was, versterkten zij eenigzins de 
Oostelijke £ace van dien muur, die aan die zijde geheel open was, met 
de voorradige balken, daar de vijand uit de daar achter gelden 
werken de bezetting voortdurend beschoot, en onze soldaten op 
die wijze ten minste eenige dekking kr^en tegen dat hevige 
vuur des vijands. 

Geruimen tijd waren de kranige Mineurs, door dienzelfden Officier 
oordeelkundig en met de meeste bedaardheid geleid, met dat 
werk onder hevig vijandelijk kruisvuur bezig in de gloeiend bran- 
dende middagzon, waarbij zij weder eenige gewonden bekwamen. 

Eerst daarna konden zij eenige rust nemen, die waarlijk ruim- 
schoots verdiend was. 



DB BUBOPEBSqHB MINBUB ▲« W. L00N8TBIJM — 187S 185 

Daar de vemielings- en ontstekingsmidddelen der mineurs te 
midden van het sterk bevolkte bivak bewaard moesten worden, 
was het noodig dat deze, hoewel door dekkleeden beschermd, 
nog door een schildwacht bewaakt werden, ten einde mogelijke 
ongelukken te voorkomen, daar die de meest heillooze gevolgen 
na zich zouden slepen. 

Toen dien nacht de Kommandant der mineurs zich van de 
waakzaamheid van den daarbij geplaatsten schildwacht ging over- 
tuigen, vond hij dezen, den mineur i« klasse A. W. Loonsteijn , 
slapende op zijn post. 

Op de waarschuwing van den Officier vol schrik ontwakende, 
voerde de brave mineur als verschooning voor zijne overtreding 
aan, dat hij zoo uiterst vermoeid was geweest en tengevolge 
daarvan eenigzins ongesteld, zoodat hij onwillekeurig aan de 
dringende eischen van zijn ui^eput lichaam gevolg had gegeven. 

Hij begreep dat hij zich aan ernstig verzuim had schuldig 
gemaakt, maar hoopte dat de Officier dit voorloopig door de 
vingers zoude zien, belovende hij plechtig, voor den vervolge 
te zullen bewijzen dat hij plichtbesef genoeg bezat, om zich een 
dapper en trouw soldaat te betoonen. 

Daar Loonsteijn werkelijk een goed soldaat was, er zeer af- 
gemat en ui^eput uitzag en daar door zijne overtreding gelukkig 
nog geene nadeelige gevolgen waren ontstaan, besloot de Officier 
de zaak te laten rusten en zich tevreden te stellen met het op- 
rechte berouw van den schuldige. 

Den ló®*^ April daaraanvolgende had het hevige gevecht aan 
de Oostzijde der Missigit plaats, dat met een terugtocht onzer 
dapperen eindigde, die onder de aanvoering van den Majoor 
Cavaljé tot voor de poort van den Kraton des Sultans waren 
doorgedrongen en daarbij in 40 minuten, van de ongeveer 700 
man sterke kolonne, 9 Officieren en 166 minderen aan dooden 
en gewonden verloren. 

Met de In^terie die aan het hoofd der kolonne tot den 
aanval oprukte, ging tevens eene afdeeling Mineurs mede, onder 



186 DB WOMVEBSOEE MINSÜB A. W. L00N8TKUN — 1873 

aanvoering van den Luitenant H. Broese vanGroenou, ten einde 
zoo noodig hindernissen op te ruimen en de stonnladders te 
plaatsen. 

Bij dat troepje was ook de mineur Loonsteijn ingedeeld. 

Terugkeerende rapporteerde de Luitenant Broese van Groenou 
dat de mineur Loonsteijn zich uitstekend dapper gedragen en 
zich buitengewoon onderscheiden had, doch daarbij, naar hij 
meende, gevaarlijk gewond was. 

Juist werden de laatste geblesseerden van het slagveld binnen 
de Missigit gebracht en daarbij lag in eene van bloed door- 
trokken tandoe door twee man gedragen de brave Loonsteijn, 
vreeselijk bloedende, met bleeke verwrongen pijnlijke trekken, 
doch met schitterende oogen. 

De beide Officieren ziende die de draagbaar naderden, richtte 
hij zich met de uiterste inspanning even op, groette op militaire 
wijze en zich tot den Kommandant wendende, die vol mede- 
gevoel de reeds verkillende hand van den gewonden krijgsmakker 
drukte, zeide hij flink, hoewel eenigszins a%ebroken , ««Zi»]f^iia»/ 
heè ik mij nu goed gehouden!?'»'» waarna hij bezwijmd neerzeeg. 

Benige oogenblikken later was zijne heldenziel het zwaar gewonde 
lichaam ontvloden. 

Zijne laatste krachten had de brave mineur gebruikt om zijn 
Chef te zeggen, dat hij zijn woord had gehouden en zijne belofte 
gestand had gedaan en dat hij trots verwonding en dood getoond 
had eene hooge mate van plichtsbesef te hebben. 

Hij had een hoogen prijs betaald voor zijn onwillekeurig 
verzuim. 

De Kapitein der Infanterie W. J. Vervtoet 

1873 

Zoodra bijna de geheele macht van de tweede expeditie tegen 
Atjeh te Penajoeug vereenigd was (22 December 1873), meende 
de Opperbevelhebber, Generaal J. van Swieten, dat er eene 
poging gedaan moest worden, ten einde den Sultan van Atjeh 



DB KAPITBIK DBR INFANTBRDB W. J. TERYLOXT — 1873 187 

te bewegen om zich aan onze eischen te onderwerpen en door 
minlijke schikking verder bloedvergieten te voorkomen» 

Daartoe was het in de eerste plaats noodig, dat twee reeds 
voor dat doel gereedgemaakte brieven aan dat Hoofd van den 
vijandelijken staat werden ter hand gesteld; in den eersten dezer 
brieven werden de voorwaarden bekend gemaakt waarop de 
Nederlandsche regeering bereid was vrede te sluiten, terwijl de 
tweede brief het voorstel behelsde, dat als de oorlog onver-^ 
mijdelijk was en voortgezet werd, die dan gevoerd zoude worden 
naar de eischen der menschel|]kheid door alle beschaafde natiën 
aangenomen en waardoor de krijg ten minste eenigzins het ver-^ 
schrikkelijke karakter van wreedheid zoude verliezen, dat de 
oorlogen der Inlandsche natiën in het verre Oosten kenmerkt, 
die door hartstocht, woede en wraaklust verblind den krijg doen 
ontaarden in roof, moord en doodslag. 

De groote vraag was echter, hoe de Sultan de beide missives 
te doen toekomen, of liever de persoon te vinden die meer was 
dan een gewonen boodschapper, zooals de waardigheid onzer 
regeering tegenover den vreemden Vorst eischte, en die bereid 
was die gevaarlijke zending op zich te nemen. 

Die boodschapper toch, al kwam hij ook als Parlementair 
onder de gebruikelijke bescherming der witte vlag, liep zeer 
groot gevaar om op wreede wijze vermoord te worden, vooral 
als het een Europeaan en Hollandsch militair was, want de 
verbittering der Atjehers tegen de Nederlandsche Natie was 
bijzonder groot en vond reeds zijn oorsprong in lang vervlogen 
eeuwen, maar tevens zou voor dezen het gevaar dubbel ge- 
weest zijn, omdat hij in de oogen des vijands zoowel een 
Hollander als een Christenhond en een vijand was. 

£n dat het gevaar dat onze gezant liep niet denkbeeldig 
was, bewees het feit, dat noch het ons toegedane Atjehsche 
Hoofd, Toeko Nek, noch het Arabische hoofd uit kampongPe- 
najoeng, AU Bahanan, noch een Atjeeschen priester, Mohammed 
Misjoer,. zich met die gevaarlijke zending durfde belasten. 

Wel boden zij aan om te beproeven de brieven van den^ 



188 DB KAPimN DBB INTANTIBIK W. J. TSRYLOKT — 1873 

Generaal Opperbevelhebber en Regeerings Commissaris in het 
geheim te- bezorgen en den Sulan langs omwegen ongemerkt in 
handen te spelen, doch die wijze om zijne brieven aan het 
Hoofd van den vijandelijken staat over te brengen kon de Generaal 
van Swieten niet gedoogen, als niet overeenkomende met de 
waardigheid onzer Regeering. 

Toen, het gevaar ten volle kennende en wetende dat hij zoo 
goed als zeker een wreeden en smartelijken dood te gemoet 
ging, doch overtuigd zijnde dat het den plicht van elk braaf 
Vaderlander was om zelfs met het grootste gevaar voor oogen 
de waardigheid der Regeering hoog te houden, bood de Adju- 
dant van den Opperbevelhebber, de Kapitein der Infanterie 
W. J. Vervloet, die het eerst van allen de moeielijkheid kende 
waarin zijn Chef zich bevond, zich vrijwillig aan, om te trachten 
dat gevaarlijke waagstuk te volbrengen. 

Zijn edel plichtbesef deed hem elk denkbeeld van een gewis 
dreigend gevaar ter zijde schuiven en zich als een offer beschik- 
baar stellen om den ongewapenden boodschapper te zijn, die te 
midden onzer meest verbitterde, wreede en onmenschelijke vijanden 
zou trachten de Sultan te naderen. 

De Generaal van Swieten sloeg dat ridderlijke aanbod van zijn 
dapperen onversaagden Adjudant onvoorwaardelijk af, en gaf de 
voorkeur aan de diensten van een Javaansch Hoofd van adelijke 
afkomst, Mas Soemo Widikjo, die hem vergezelde, en die én als 
Mahomedaan èn als Inlander van adelijken bloede meer kans 
had om door den vijand geëerbiedigd te worden. 

De brave Javaansche edelman vertrok met de beide brieven, 
doch keerde nooit terug; hij stierf een hoogst pijnlijken en wreeden 
dood, bezwijkende onder de meest verfijnde martelingen der 
bloedgierige Atjehers. 

Het door den Kapitein W. J. Vervloet uit edel plichtbesef 
vrijwillig gedane aanbod toont schitterend aan, hoe kloekmoedig 
onze dapperen de grootste en zekerste gevaren onder de oogen 
durven zien, waar 't geldt Neerland^s eer, Neerland's groot- 
heid en Neerland's roem. 



De Europeesche füselier F. W. Schuiler 

1876 

Den 2i®° Augustus 1876 verzamelden zich in den vroegen 
morgen talrijke vijanden in de nabijheid van ons bivak te Koeala 
Toemboea (Samalangan) in de daar gelegen zoutpannen, doch 
werden door ons geschut- en geweervuur daaruit verdreven, 
waarop zij naar den naasten boschrand trokken en daar verdwenen. 

Daar de vijand van uit dien boschrand onze troepen in het bivak 
veel nadeel kon berokkenen, kreeg de Kapitein H. £. Schoggers 
den last, om die benden daaruit te verdrijven en de mogelijk reeds 
opgeworpene versterkingen op te ruimen, waartoe een peloton 
Infanterie, gekommandeerd door den Luitenant J. M. Henning, 
zoomede een detachement Mineurs onder zijne bevelen werd gesteld. 

Om 9 uur rukte de Kapitein Schoggers met zijne kleine macht 
uit, en na een half uur door het bosch gepatrouilleerd te hebben 
bespeurde hij eindelijk den gezochten vijand, die ijverig werk- 
zaam was om eenige reeds opgeworpen verschansingen te voltooien 
en in verdedigbaren toestand te brengen. 

Behendig sluipende naderde de patrouille die werkende Atjehers 
ongemerkt tot op korten aüstand, tot eindelijk een der door hen 
uitgezette schildwachten de naderende spits van den troep ont- 
dekte, en het alarmsein gaf. 

Lang draalden Schoggers en Henning niet, doch van de oogen- 
blikkelijke verwarring en verrassing des vijands gebruikmakende, 
gelastte Schoggers den stormaanval met de bajonet , waartoe onze 
brave soldaten onder luid gejuich en met élan vooruit snelden, 
voorafgegaan door de beide Officieren, die het eerst den vijan- 
delijken wal beklommen en zich terstond op de verdedigers stortten , 
die voor een groot deel den onstuimigen aanval afwachtten. 

Een woedend doch kort handgemeen volgde, waarbij de 

vijand 23 dooden en een aanzienlijken voorraad wapens en 

munitie in onze handen liet en waaraan slechts weinigen der 

standhoudende verdedigers door de vlucht ontkwamen. 

Zoodra onze soldaten, hunne Officieren trouw volgende^ de 
II \^ 



190 DB SDBOPEBSOHB FÜSBUEB F. W. SOHÜLLER — 1876 

versterking binnendrongen, zag de Europeesche fuselier F. W. 
Schuller, boven op den wal staande, dat eenige Atjehers door 
een klein afgelegen poortje trachtten te ontsnappen. 

Zonder iets te zeggen, daalde hij geheel alleen de reeds be- 
klommen wal weder af, begaf zich snel naar dat poort|e, 
plaatste zich met gevelde bajonet er voor en belette zoo aan 
een vijftal vluchtelingen om te ontkomen. 

Verwoed vallen die vijf Atjehers met hmme klewangs den een- 
zamen strijder aan, doch moedig en onversaagd houdt Schuller 
stand en weet zoo behendig van zijn vreeselijk wapen gebruik te 
maken, dat hij niet alleen hunne slagen afweert , doch in korten tijd 
vier der vijanden met de bajonet doorsteekt, waarop de vijfde» 
zoowel achter als vóór zich den dood ziende , om genade smeekt 

Schuller pakt hem vast, ontwapent hem en vat weder kalm naast 
die vier lijken en den gevangene post, om andere vluchtelingen 
den doorgang te beletten. 

Toen het gevecht a%eloopen was en hij aan den Kapitein zijn 
gevangene overgaf, voegde hij er bij, op de vier gevallenen 
wijzende, ««^« dcuir liggen er nog vier. Kapitein h-» 

Die beleidvolle en onverschrokkene handeling beschouwde de 
brave soldaat als niets bijzonders en slechts als zijn plicht, zonder 
zich daarop iets te laten voorstaan. 

In zijne eenvoudige opvatting van plichtbesef verrichtte hij eene 
heldendaad, die het Hollandsche hart goed doet en trotsch maakt 
op zulke zonen, zooals het Indische leger er gelukkig zoo* 
velen telt. 

De matroos 1* klasse Q. van den Berg. 

In de maand December 1876 lag Z. M. Schroeüstoomschip 
Aart van Nes, kommandant Luitenant ter Zee i® klasse A. J. 
Willekens, op de kust van Atjeh op brandwacht, tegenover de 
Kwalla Boerong, in het Landschap Gighen, om de blokkade te 
helpen handhaven. 

Voor een zeeman en vooral voor onze levenslustige Jantjes 



DB MATROOS 1® KLASSE G. TAN DEN BERa 191 

bestaat er geen vervelender en geen geestdoodender dienst dan 
die eener blokkade , vooral in de tropische gewesten en meer bij- 
zonder op dat deel derAtjehsche kust, waar zoo hoogst zelden de 
eene of andere ernstige gebeurtenis de drukkende eenzaamheid komt 
verbreken en eenige verandering brengen in het hoogst een- 
toonige leven eener eenzame zee, waar men niets anders ziet 
dan de verlaten zandige kust in 't verschiet , die de bemanning 
alleen dan betreden mag, als zij van top tot teen gewapend 
gezamenlijk uitrukt. 

Het was dus een waar evenement aan boord van den Oorlogs- 
stoomer, toen in den morgen van den i6®° December, gedurende 
het zoogenaamde <ii€dekspoelen»'» , een zeil zich in de monding der 
kwalla vertoonde, dat door een gunstigen wind voortgestuwd, 
de waakzaamheid trachtte te ontgaan en de blokkade te verbreken. 

Dadelijk was alle hens in de weer! Ijlings grepen de kranige 
Jantjes naar geweer en patroontasch, gunden zich geen tijd om hetzij 
de sabel-bajonet, hetzij de voor het werk afgelegde kort-jan mede 
te nemen en in een oogwenk was de Officiers-sloep bemand met 
een bootsmansmaat en 8 roeiers, onder de bevelen van den Luite- 
nant ter Zee i® klasse L. A. H. Lamie, die reeds als adelborst i® 
klasse op de kust van Guinea de Militaire Willemsorde had verdiend. 

Zonder dralen stak de sloep af om den blokkadebreker te 
veroveren en als oorlogsbuit op te brengen. Met regelmatigen 
krachtigen slag vielen de riemen onverpoosd in het water en 
pijlsnel sneed de lichte sloep het door een frisschen bries zacht 
bewogen watervlak om het vermetele vaartuig den weg af te 
snijden, dat, geen kans ziende om zijne snel naderende vervolgers 
te ontkomen, weder koers naar de beschermende monding der 
kwalla zette en ook weldra daarin verdween, waarna de vluch- 
tende bemanning aan den oever sprong en trekkende het vaar- 
tuig zoo spoedig en zoo ver mogelijk landwaarts inhaalde. 

Dit was volstrekt niet naar den zin onzer strijdlustige Jantjes, die 
zich daardoor van een genoegen beroofd zagen; even krachtig 
als vastberaden volgde de sloep het verdachte vaartuig om zich 
den zoo goed als zekeren buit niet te laten ontgaan, ofschoon 



192 DB ICATROOS 1® KLASSB O. VAN DEN BBBG 

het als een ongehoord waagstuk kon worden beschouwd , om met 
zoo'n kleine macht zoover landwaarts eene beruchte vijandelijke 
kwalla in te varen. 

Het was een stout bestaan , zooals men van onze kranige zee- 
lieden, onze echte Jan-maats die geen gevaar kennen, verwachten 
kon, want niet alleen dat het kleine troepje van lo dapperen 
slechts met het geweer zonder sabel-bajonet gewapend, dus 
ongeschikt voor een gevecht van man tegen man, de i8 Atjehers 
sterke en goed gewapende bemanning der prauw tegenover zich 
zoude hebben, die hunne bezitting met den moed der wanhoop 
zouden verdedigen, maar ook bestond de kans dat de bewoners 
der omliggende kampongs hunne benarde landslieden ter hulp 
zouden snellen, en als dat gebeurde, dan zou de zwakke beman- 
ning der sloep een gevecht moeten leveren tegen eene reusach- 
tige overmacht, die haar aan alle zijden zoude omsingelen. 

Op korten afistand van de handelsprauw gekomen, die door 
hare bemanning op het zand was gezet, vertoonde zich op het 
dek van het vaartuig een achttiental met klewang en kris gewa- 
pende forsche Aljehsche matrozen, doch de kordate Luitenant 
Lamie stoorde zich weinig aan dat machtsvertoon, en eischte den 
gezagvoerder der prauw op om zich over te geven. 

Na eenig heen en weer praten stemde de bevelhebber van 
het handelsvaartuig eindelijk toe om zich door de sloep op 
sleeptouw naar buiten te laten brengen en gelastte daartoe aan 
zijne matrozen een kleinen tros over te geven. 

De Luitenant Lamie, weinig bekend met het listige en ver- 
raderlijke karakter der Atjehers en als rond eerlijk zeeman op 
's vijands woord vertrouwende , zooals de vijand dat op het zijne kon 
doen, niet de minste achterdocht koesterende en er geen gevaar 
in ziende om die haatdragende gewapende vijanden zonder voor- 
zorg te naderen, liet de sloep achteruitzetten om zoo de toe- 
gereikten sleeptros te kunnen doen aannemen en bevestigen, 
waartoe de matroos i® klasse G. van den Berg werd aangewezen. 
De andere roeiers bleven aan de riemen zitten alsof men ia 
vollen vrede een vreedzaam vaartuig aandeed. 



DB MATROOS 1® KLASSE O. TAN DEN BERG 193 

Met de rechterhand het geweer gereed houdende stond van 
den Berg op, want hij, die reeds een veldtocht in Boni had 
medegemaakt, vertrouwde de zaak niet recht en greep met de 
linkerhand naar het hem van de hooger liggende prauw toege- 
stoken eind, daar de sloep nu met den spiegel geheel tegen 
het boord der prauw lag, toen eensklaps op het vijandelijke 
vaartuig de vreeselijk rauwe kreet ^^Amok»-» weerklonk. 

Op dat oogenblik schitterden op eens achttien scherp geslepen 
klewangs en krissen in het morgenlicht en achttien Atjehers 
stortten zich gillende en moordkreten uitstootende van het veel 
hoogere boord der prauw in en naast de sloep in het ruim 
I Meter diepe water der kwalla, allen tegelijk met razende 
klewanghouwen en krisstooten de sloep enterende. 

Het was een kort maar vreeselijk, onbeschrijfelijk ontzettend 
en woest oogenblik van moord, doodslag en bloedigen strijd 
van man tegen man, waarbij de brave Jantjes zelfs geen kort-jan 
ten dienste stond, een wapen dat zij anders zoo meesterlijk 
weten te hanteren, en allen den strijd tegen den overmachtigen 
vijand moesten voeren met een geweer dat zelfis nog niet eens 
als stootwapen te gebruiken was. 

Van den Berg, die zijn geweer gereed had, vuurde dit af en 
trof den aanvoerder bij diens sprong naar beneden , zoodat deze 
dood tusschen de sloep en het vaartuig te water vieL 

De dappere Luitenant Lamie , geen tijd hebbende zijn zwaard 
of revolver te trekken, greep den eersten aanvaller bij de keel 
en viel door de hevige beweging der sloep, veroorzaakt door 
de opspringende matrozen en de inspringende vijanden, wor- 
stelende met zijn tegenstander overboord. 

De voorste roeiers sprongen in het water en openden è bout 
portant een snelvuur op de aanvallers, het eenigste en nuttigste 
gebruik dat zij op dat oogenblik van hun geweer konden maken. 

Reeds dadelijk waren 3 roeiers gewond , doch deze gaven den 
strijd niet op, en zetten dien buiten de sloep voort 

Van den Berg meende dat j't zijn plicht was in de sloep te 
blijven en o&choon reeds uit twee hoofdwonden en een klewang- 



194 DB ICATBOOS 1® KLiLSSB O. YAM DKM BEBO 

houw over het been bloedende, stond hij alleen door woedende 
vijanden omringd achter in de sloep, zijn geweer als knods ge- 
bruikende en daarmede slagen uitdeelende, die als mokerslagen 
dof dreunende op de vijandelijke schedels en ledematen neder 
kvramen. 

Zijne makkers riepen hem toe uit de sloep te springen, maar 
van den Berg, getrouw aan wat hij zijn plicht achtte, zette den 
ongelijken strijd voort, en riep de anderen hijgende doch kort 
en krachtig op matrozen manier toe, ««i>è verdom 'thT^ 

Nadat hem reeds een klewanghouw over den linkerarm was 
toegebracht, wat hem echter nog niet verhinderde moedig op 
den vijand in te slaan, ontving hij een geduchte wond over den 
rechterarm , zoodat 't geweer , dat hij zoo flink gebruikte , aan 
zijne nu machteloos geworden hand ontviel en hij tegelijk strui- 
kelende voorover viel over den rand der sloep , waarbij de vijand 
hem nog twee klewanghouwen over den rug toebracht; de over- 
blijvende Atjehers sprongen toen te water en verdwenen. 

Van den Berg telde zeven gapende wonden en met hem 
waren nog 4 anderen ernstig gewond, waaronder een matroos 
i« klasse met een vreeselijken klewanghouw over 't hoofd, waaraan 
deze reeds den volgenden dag overleed. 

De vijand liet twee dooden in de sloep achter. 

De matroos van den Berg herstelde even als de 3 andere 
makkers van hunne wonden, doch op den ouden dag herinneren 
hem de eervolle lidteekens aan dat gevecht, waarbij hij het zijn 
plicht achtte om de sloep niet te verlaten en sterk door dat 
plichtbesef alleen in het vaartuig stand hield, al was hij ook 
door vijanden omringd en al bloedde hij uit tal van wonden. 

Een echte Hollandsche Jan-maat geeft het zoo spoedig niet 
op, al zijn de tegenstanders in aantal ook tien tegen één. 



RuiterstuKJes. 

Honnenr an plus brave et gloire au pltus Taillant. 

De groote reeks van oorlogen die het Indische Leger in de 
Negentiende eeuw in alle streken van Insulinde heeft moeten 
voeren tegen de voortdurend onrustige bevolking, gaf natuurlijk 
aan tal van dappere, ondernemende en kloeke ruiters de gele- 
genheid om zich in dikwerf voorkomende kritische oogenblikken 
en hoogst gevaarlijke soms hopelooze gevallen bijzonder te 
onderscheiden, hetzij geheel alleen, hetzij aan het hoofd van 
eenige Huzaren. 

Het zijn echte, stoutmoedige, koene ruiterstukjes waarmede 
de dapperen hoogen roem en oprechte bewondering inoogstten, 
zonder dat zij daarom allen tot het wapen der kavallerie be- 
hoorden, want al eigent zich dat ridderlijke wapen speciaal voor 
die oorlogs ondernemingen waarvan spoed en waaghalzerij de 
eerste vereischten zijn, zoo waren toch tal van bereden personen 
van andere wapens of ambtenaren, ja zelfs gewone burgers in de 
gelegenheid om te toonen, dat, geoefende ruiters als zij waren, voor 
hun moedig kloppend Hollandsch hart geen gevaar te groot was. 

Een schitterend voorbeeld van dusdanige koene en overmoe- 
dige ruiterstukjes leverde te Atjeh herhaaldelijk de koopman H. A. 
Loder, die daarvoor door Z. M. den Koning met het kruis der 
Militaire Willemsorde werd beloond. 

Het was wel ^t eenigste bekende voorbeeld in de Krijgsgeschie- 
denis onzer Kolonie, dat aan iemand die geheel buiten het Leger 
staat, geene enkele offideele betrekking bekleedt, en alleen als 
bekwaam koopman, in zijne positie als gemachtigde van de 
leveranciers der troepen, te velde is, zulk eene hooge miltaire 
onderscheiding werd verleend. 



196 DK KAPT. DBB IMF. F. L. YE&MBULSN KBISeKR — 1818 

Daarom zijn dan ook eenige zijner kranige en dol koene on- 
dernemingen afzonderlijk geboekstaafd, op pag. lo van dit Deel* 

De Kapitein der infanterie F. L. Vermeuien Krieger in Cheribon 

181& 

Na zijn kloekmoedig, beleidvol en dapper optreden, tot het 
bestraffen der opstandelingen die de kolonne Beetjes geheel in 
de pan hadden gehakt , waarbij hij zich als opvolger in het opper- 
bevel na het sneuvelen van Majoor Meijer te Saparoea met roem 
overlaadde en ernstig gewond werd, maar toch trots die ver- 
wonding de expeditie tot een goed einde bracht, werd de 
Kapitein F. L. Vermeulen Krieger *) aangewezen om op te treden 
als Militairen kommandant in de Residentie Cheribon. 

In zijne Afdeeling op inspectie zijnde , kreeg Vermeulen Krieger 
den 15®" Juli 1818 per renbode van den Resident het bericht, 
dat een deel der bevolking, onder zekeren Bagoes Serriet, in 
openbaren gewapenden opstand was gekomen. 

Hoewel hij zich geheel aan 't andere einde der Residentie 
bevond, aarzelde de dappere voortvarende Kommandant geen 
oogenblik om te paard te stijgen en naar Cheribon terug te 
keeren, waar de inwoners in doodelijken angst verkeerden, daar 
Bagoes Serriet met zijne overmoedige bloedgierige benden op 
de Hoofdplaats aanrukte ten einde zijne bedreiging, om alle 
Europeanen te zullen vermoorden, uit te voeren. 

Door het vertrouwen dat allen in den beleidvollen aanvoerderstel- 
den, bracht zijne tegenwoordigheid de gemoederen weder tot rust. 

De opstandelingen hadden den 6*° Augustus 18 18 onze ver- 
sterking te Palimanang bij verrassing genomen en zoowel de 
geheele bezetting als al de ambtenaren vermoord en tot datzelfde 
doel rukte nu die troep , door het succes gaandeweg tot ongeveer 
1200 gewapenden aangegroeid, naar Cheribon op , dat zij dan ook 



*) Dezelfde Vermeulen Krieger , later als Luitenant Kolonel de leider van 
den beroemden terugtocht van Pisang naar Korriri; zie pag. 87 Deel I. 



DB KAPT. DSR INF. F. L. VBBHEULEN KBIB6KR — 1818 197 

reeds tot op 3 i 4 palen genaderd waren, overal roovende, 
moordende en plunderende. 

Vermeulen Krieger was er de man niet naar om dien Hoofd- 
opstandeling met zijne benden af te wachten, doch trok hen 
den 9®° Augustus stoutmoedig tegemoet met eene macht van 
130 man Infanterie, 2 stukken geschut met bediening en eene 
Afdeeling van 33 huzaren. 

Door de Infanterie en de Artillerie liet hij eene zeer gunstige 
stelling innemen op den weg naar Palimanang, van waar de 
muitende benden verwacht werden, en trok zelf met zijn handje 
vol huzaren op verkenning uit. 

Na een paar palen gereden te hebben, zag hij in de verte 
den vijand naderen, luid schreeuwende overmoedig met pieken, 
zwaarden en geweren zwaaiende, die dreigend in den zonneschijn 
glinsteren, belust op de plundering der Hoofdplaats en zich zeker 
achtende van de overwinning. Voorop gingen een kleine 100 in 
't geel gekleede voorvechters, die zich ten doode gewijd hadden 
en de spits van elk gevaar zouden afbijten, zich onkwetsbaar 
en onoverwinlijk achtende. 

Maar ook de vijand had Krieger met zijne ruiters bemerkt en 
dadelijk ging een luid uitdagend gejuich uit de bende op, die 
terstond ook, al is de afstand nog wel 6 & 700 pas, uit al zijne 
geweren het vuur opende, en alzoo zonder eenig nut zijn kruit 
vermorste. 

Al dat schreeuwen en schieten in de verte was niet in staat om 
iemand als Krieger de minste vrees in te boezemen, of ook 
maar een oogenblik hem en zijne dappere huzaren , die den vijand 
gaarne van nabij in de oogen zouden zien, te doen aarzelen. 
Overtuigd dat die ordelooze troep , die schreeuwde en schoot om 
zich moed in te spreken, voor eene flinke charge geen stand 
zoude houden, achtte hij 't onnoodig de Infanterie en Artillerie tot 
versterking op te roepen, vooral ook omdat hij aan de uitdruk- 
king van de gezichten zijner brave huzaren zag , dat zij even als 
hij er naar hunkerden om met himne in 't zonlicht flikkerende 
zware pallassen , op den vijand in te houwen, als waren zij bevreesd 



Id8 DB KAPT. DEB INF. F. L. VBBMKÜLEN KRIBQBB — 1818 

dat deze reeds ontvlucht zoude zijn voor dat zij hem konden 
bereiken. 

Daarom ook rijdt Krieger aan 't hoofd der zijnen in kalmen 
draf door en weldra stort hij zich, onder den kreet van ««Z>zv de 
Koning! int y met een luid ^hoerah als een orkaan op den vijand. 

Zoodra de opstandelingen zagen dat die ruiters met dien 
Zwarten Kapitein *) aan 't hoofd door bleven rijden, als was er 
geen schreeuwenden en schietenden vijand te zien, bleven zij staan 
en zelfs de onkwetsbare en ten doode gewijde voorvechters 
scheen den lust om te sterven te begeven, maar toen de draf 
onder dien overwinningskreet in eene onstuimige charge overging , 
toen zochten allen hun heil in de vlucht 

Vreeselijk woedden de zwaarden van den kleinen dapperen 
troep in de opeengedrongen vijandelijke massa's; slechts zij ver- 
zetten zich , die geen kans meer zagen om te vluchten , en deze 
boden een wanhopigen tegenstand , doch zij vermochten niets tegen 
die met krachtigen arm houwende en stekende huzaren. 

In de hitte van den strijd heeft Krieger zich met zijn degen 
een weg gebaand door de strijdende menigte en is daardoor te 
ver van zijne huzaren afgedwaald, zoodat hij een oogenblik in 
eene netelige positie verkeert. Met zijn paard is hij in een moeras 
te recht gekomen en daar 't edele dier tot aan de knieën in den 
modder wegzakt, is de Kapitein van zijn paard gesprongen, en 
omringd van vijanden houdt hij, naast zijn rijdier staande, de 
aanvallers met degen en pistolen in ontzag. 

Reeds heeft hij twee der stoutmoedigsten aan zijne voeten 
neergeveld, toen gelukkig eenige huzaren den benarden toestand 
zien waarin hun aanvoerder verkeerde, waarop zij terstond zich 
een weg tot hem baanden en hem ontzetten. 

De overwinning was volkomen, overal sloeg de vijand op de 
vlucht, 52 dooden en gewonden en tal van gevangenen, die om 
hun leven smeekten, op het slagveld achterlatende, dat bezaaid 
was met weggeworpen wapens. 



^) Krieger was zwart van haar en baard. 



DB WAOHTMEBSTBB F. C. ▲. LAHÜRB OP OSLBBBS — 1824—1825 199 

Deze merkwaardige en vermetele charge van 33 ruiters tegen 
een 11 è 1200 man sterke goed gewapende bende, kostte ons 
slechts twee dooden en enkele gekwetsten. Het was een meester- 
stuk dat Kriegers roem ten toppunt deed stijgen. 

Overal waar hij zich met zijne ruiters vertoonde, vloog de 
vijand terstond verschrikt uiteen en wachtte niet ten tweeden 
male den aanval af dier verschrikkelijke huzaren met hun zwarten 
Kapitein. 

De wachtmeester F. C. A. Lahure op Celebes 

1824—1825. 

In de maand September 1824 was alle gemeenschap tusschen 
de hoofdplaats Makassar en het door de opstandelingen inge- 
sloten fort Maros afgesneden, daar de tusschen gelegen streken 
door de muitende Boegineezen bezet waren en hunne bereden 
troepen onvermoeid patrouilleerden en niets lieten passeeren. 

De bevelhebber te Makassar vond 't dringend noodig om een 
belangrijk bericht naar 't ingesloten Maros te zenden en de 
wachtmeester der kavallerie F. C. A. Lahure was dadelijk bereid 
om die moeielijke en hoogst gevaarlijke taak op zich te nemen. 

Uit de talrijke zich vrijwillig aanbiedende ruiters, zocht Lahure 
vier kranige goed bereden huzaren uit en, door een in die streken 
geboren Europeeschen gids vergezeld , ondernam hij den tocht , die 
door iedereen voor zoo goed als onmogelijk werd gehouden , waarom 
dan ook de bevelhebber, zoowel Lahure als zijn vier huzaren, 
ieder afzonderlijk van de over te brengen bevelen schriftelijk voorzag, 
hopende dat 't waagstuk wellicht aan één hunner mocht gelukken. 

Het was een uiterst kranig troepje dat 7® Huzaren en bestond 
viit een mengelmoes van Hollanders, Belgen en Franschen die 
allen in de Napoleontische oorlogen in verschilende rangen bij 
de kavallerie gediend hadden en nu, belust op avonturen en 
gewend aan den strijd, hun lust tot vechten bot vierden in 
onze Kolonie. £r wordt zelfs verhaald dat onder hen gewezen 
Generaals als gewoon Huzaar dienden, maar zeker is 't dat menig- 
een 't Kruis van 't Legioen van Eer verdiend en ontvangen had. 



200 DB WAOHTMSBSTBB F. C. A. LAHÜRE — 1824—1826 

£n mt die dapperen had Lahure nog de besten uitgezocht, 
terwijl hij zelf kranig ruiter en dapper aanvoerder als hij zich 
steeds betoonde, het volle vertrouwen zijner avonturiers genoot 

Na een gevaarvollen rit van 12 uur bereikte hij met de zijnen 
Maros, hoewel alle paarden en twee zijner huzaren gewond waren. 
De geheele tocht die in drie uren volbracht had kunnen worden , 
was een voortdurenden strijd geweest. 

Hier moest hij zich door een woesten aanval door den hem 
omringenden vijand heenslaan ; ginds weder werd hij door talrijke 
drommen bereden vijanden vervolgd en was ^t een wedloop , waarbij 
menig Boeginees die hen inhaalde zijne stoutmoedigheid met den 
dood bekocht; dan weder moest hij , om de afgematte paarden een 
oogenblik op verademing te laten komen , in een dicht bosch verbor- 
gen, de vijand laten voorbij stormen , die hem overal onder het uiten 
van moordkreten zocht ; telkens moest hij groote omwegen maken. 

Overal waren vijanden, overal moest hij zich met 't zwaard 
een weg banen, overal was niet alleen stoutmoedigheid, maar 
ook beleid en snelheid noodig. 

Te Maros aankomende was Lahure getuige van den roemrijken 
dood van den dapperen Majoor Leclercq, die een uitval doende, 
er de voorkeur aan gaf om met zijne, door de overmacht ver- 
pletterde Infanterie te sneven, dan zijn leven te danken te hebben 
aan de snelheid in Lahure's paard, dat deze hem aanbood. 

Den I2«° Maart 1825, chargeert de Luitenant der huzaren 
Leusden, bij het gevecht te Mangara Bombang (Boni-Celebes) 
den aftrekkenden vijand met zijne ruiters. 

In zijn ijver Iaat Leusden zich te vèr vervoeren, is weldra 
alleen en gewond, omringd van vijanden die hem gevangen 
namen en in vollen ren mede voerden. 

Dit ziet de toenmalige opperwachtmeester Lahure en deze 
weifelt geen oogenblik. 

Hij waarschuwt eenige huzaren en rent dadelijk tot redding 
van zijn Offider den vijand achterna. Het is een verschrikkelijken 
wedloop. Lahure stort zich met de weinigen die hem vergezellen 



201 

op de vijandeD die hem den weg willea veisperren; hij rent 
hen overhoop, of met zijn zwaard, dat van bloed druipt, baant 
hij zich den weg. 

Voort moet hij , want ginds is zijn Luitenant ! 

Eindelijk bereikt hij den grooten troep die zijn Officier gevangen 
houdt, b^ dringt er onverscfarokken tusschen, vreeselijk metzijn 
zwaard den vijand w^maaiende en heeft bet geluk zijn aan- 
voerder te bevrijden en heelhuids terug te brengen. 

Den 26™ Juni 1825, deed de Koning van Soepa, wiens ver- 
sterkte hoofdplaats door onze troepen genomen was , eene laatste 
poging om de onzen te verslaan. Hij zelf voerde de zijnen aan 
en te midden zijner fanatieke en stoutmoedige ruiten wapperde 
naaat hem de Heilige Vaan, de Standaard van den Profeet, de 
Heilige Vlag van Alita, die de overwinning moest bezoi^en. 

Dapper streed de vijand vertrouwende op zijn Vorst en de 
beschermende Heilige Vlag. 

Generaal J. van Geen begreep, datals die Vlaggenomenwasook 
's vijands moreel gebroken zoude zijn en daarom wilde hij trachten 
zich van dat veldteeken meester te maken. 

Gaarne had hij dat zelf gedaan, maar dat was onmetelijk in 
verband met zijne leiding als Opperbevelhebber; nu wendt hij zich 
t den Opperwachtmeester Lahure. 

t'Allojts Lahure, roept hij dezen toe, sabree-moi ces gaiUardt 
't Sindjai et rt^^rttt-moi U draptau !** *} 

\ is 't bevel gegeven, of Lahure stormt aU naar ge- 
zijne huzaren als eene lawine vooruit Wanhopend 
i de fanatieke Boegïneezen onder de o<^ea van hun 
ige Vaan, dat gewijde palladium, maar Generaal 
. gezc^ •ah voü dit vlag» en de huzaren zullen 
keken brengen. 

ure was van Geen van Zuid-Nederl«ndsche afkomst 
't IndiEcho Lager volstrekt niet vreemd dat orders in 




202 DB WACBTMSSSTKB F. C. ▲. LiLHDBB — 1824—1825 

Allen die de vlag willen grijpen vallen met wonden overdekt; 
het is een strijd op leven en dood, een verwoed, wanhopig en 
bloedig gevecht 

Eindelijk gelukt het Lahure met een krachtigen sabelhouw den 
drager te vellen, zich van de Vlag meester te maken en het ge- 
vecht afbrekende met die zege-tropee naar den Generaal terug 
te keeren. 

Door het verlies van dat Heilige teeken geschrokken , wijkt de 
vijand en de overwinning is ons. 

De Generaal van Geen vol bewondering van de dapperheid 
van Lahure en den grooten dienst die hij het Land met doods- 
gevaar bewees, benoemde den heldhaftigen opperwachtmeester 
op het nog rookende slagveld tot 2® Luitenant 

Later was diezelfde F. C. A. Lahure, de Luitenant-Generaal 
Baron Lahure, Adjudant van den Koning der Belgen en met 
rechtmatigen trots droeg hij altijd bij zijne talrijke decoratiSn 
het Kruis der Militaire Willemsorde, dat hij zoo dapper en rid- 
derlijk te midden der grootste gevaren veroverd had met de punt 
van zijn* zwaard. 

De Luitenant der Kavallerie F. de Latre (Java Oorlog) 

1826 

Den 28^ Mei 1826 had het gevecht bij Delangoe plaats, 
waarbij de vijandelijke overmacht van 5000 man, de kolonne 
van den Majoor B. Sollewijn door het brandende Delangoe terug- 
dreef en vervolgde ; de Majoor Sollewijn werd gevaarlijk gewond 
en had zijn behoud alleen te danken aan de dapperheid van 
Toontje Poland en zijne kranige Madureezen. 

Die verschrikkelijke nederlaag was te wijten aan de Javaansche 
hulptroepen die op de vleugels stonden en terstond bij den aan- 
vang van het gevecht op de vlucht sloegen. Na de verwonding 
van Sollewijn, nam de Kapitein M. van Geen 't bevel, doch ook 
deze werd gewond en toen ging 't kommando over op den 



DS LUITKNANT DEK KAYALEKIB F. DB LATBB — 1836 20B 

Elapitein J. V. de la Coste de Watermolle, die, hoewel hij ook 
gewond werd, toch 't kommando kon blijven voeren. 

De Generaal J. van Geen uit zijne legerplaats het verschrikkelijke 
vuur aan de zijde van Delangoe hoorende, waar hij wist dat op 
dat oogenblik de dappere Majoor Sollewijn met zijne kolonne 
stond, zond de Luitenant der kavallerie F. de Latre met een 
tiental Djajang-Sekars op verkenning derwaarts uit, om hem te 
rapporteeren wat daar in de buurt van Delangoe voorviel. 

Deze de Latre was een waar kavallerie-aanvoerder ; uitstekend 
ruiter, vlug van oordeel, onovertrefbaar in stoutmoedigheid en 
onversaagdheid en door zijn hoog prestige en zijn voorbeeld in 
staat met zijne ruiters de stoutste ondernemingen te doen en de 
schitterendste kavallerie-gevechten te leveren, zooalshij later, den 
i7«n September 1829 bij Solo bewees, toen hij met Sollewijn Diepo 
Negoro hardnekkig in dollen rit vervolgde (zie pag. 72 en volgende 
Deel I). 

Op zijnen rit naar Delangoe ontmoet de Latre met zijne 10 
ruiters de vluchtende Solosche Prinsen, die met hunne benden 
hevig door de vijanden vervolgd werden en die reeds een Vaandel 
en 2 veldstukjes in 'svijands handen hadden gelaten. 

De Latre aarzelt geen oogenblik , om even van zijne opdracht af 
te wijken. Hij chargeert met de zijnen den vijand , herovert de Vlag 
en de veldstukken, die hij aan de Solosche Prinsen terug geeft» 
en alsof er niets gebeurd is , vervolgt hij zijn weg naar Delangoe» 

Zoodra de wijkende kolonne hem ziet, gaat er een gejuich op, en 
roepen de strijdenden €€daar is Sietske /»» alsof nu alles gered was. 

De Luitenants A. J. Rombeek en C. Montfoort hebben de 
grootste moeite om den sterk opdringenden vijand tegen te hou- 
den, ten einde het mogelijk te maken om met de gekwetsten 
langzaam terug te trekken en zij zien 't oogenblik naderen dat 
't hun niet langer mogelijk zal zijn. 

Ook de Latre heeft dat gezien; zonder zich te bedenken stormt 



204 DE LUITENANT DEB INFANTERIE A. HENDRIKS — 1833 

hij met zijne Djajang-Sekars op den vervolgenden overmachtigen 
vijand los en weet door zijne prachtige charges den vervolger 
op onze flanken terug te drijven, zoodat de kolonne eenigzins 
op verademing komt en de manschappen uit zijn voorbeeld 
nieuwe kracht putten. 

Hoe ongaarne ook, de Latre moet terug, want er was hem 
alleen opgedragen om eene verkenning te maken en hij wil ook 
spoedig hulp halen. 

In snellen gang rijdt hij met het restantje zijner dapperen 
terug, rapporteert den Greneraal van Green in korte woorden 
den toestand der kolonne, en zonder eenigen tijd te verliezen 
is hij weder met de kavallerie en den Generaal van Geen op w^, 
terwijl de Infanterie met spoed na komt om de bedreigde kolonne 
te hulp te ijlen. 

Zoodra de ruiterschaar den ongelukkigen bienarden troep nadert, 
ging bij de strijdenden de kreet op, €€daar heb je Goddank Sieiske 
weer en Pierke ookh*, geliefkoosde bijnamen die de dappere 
soldaten aan de Latre en van Geen gaven. 

Spoedig was nu de kolonne bevrijd, die drie uren aanhoudend 
tegen de overmacht gestreden had en allen , hoe gewoon ook aan 
buitengewoon dappere daden, waren vol bewondering voor de 
kranige ruiterstukjes van den Luitenant de Latre. 

De Luitenant der Infanterie A. IHendrilo op Sumatra 

1833. 

De in het jaar 1841 voor zijn moedig en beleidvol gedrag 
bij Tanette tot Ridder der MDitaire Willemsorde 3* klasse be- 
vorderde Majoor der Infanterie A. Hendriks, was reeds in 1834, 
als Luitenant gedurende de Padrie-oorlog ter Sumatra's West- 
kust, benoemd tot Ridder van de 4® klasse dier orde. 

In ,het jaar 1833 was de Luitenant Hendriks Civiele gezag- 
hebber in de Afdeeling der IV Kotta's (Westkust Sumatra) en 
tevens Militairen Kommandant van den kleinen post te Boea nabij 



DE LüITENAMT DBB IMFANTBBIB ▲. HENDRIKS — 1833 20& 

het Lintausche, welks bezetting bestond uit 26 Europeesche 
onderofficieren en minderen, benevens 17 Pradjoerits van het 
Legioen van AU Bassa Prawiro Dirdjo (Sentot uit den Java-oorlog) 
onder de bevelen van een Inlandschen Luitenant van dat Legioen 
met den titel van Toemenggoeng. 

Wel was de opstand in Bondjol reeds uitgebroken en heerschte 
er in het Agamsche groote gisting, doch in zijne afdeeling liet zich 
alles nog vreedzaam aanzien, wat echter niet belette, dat deze 
dappere, beleidvolle Officier toch zeer voorzichtig was en zich 
stipt hield aan de den Kommandanten van posten gegeven 
order, ««^m zich niet te vèr van hunne versterking te wagen ^-ki^ orrLÓaX 
geen inlander in dergelijke tijden van spanning te vertrouwen 
was, hoe kalm de uiterlijke toestand zich ook voordeed. 

Zijne betrekking van Civiele gezaghebber bracht echter mede, 
dat hij zich nu en dan naar de op een half uur rijdens 
van zijnen post gelegen passer (markt) begaf, om van zoo nabij 
mogelijk de onder de bevolking heerschenden geest gade te 
slaan en de teekenen van mogelijk verzet waar te nemen , die zich 
gewoonlijk altijd het spoedigste uiten, wanneer groote menschen- 
massa's uit verschillende streken te samen komen, zooals inden 
regel op dergelijke marktdagen geschiedt 

Geoefend ruiter als hij was, deed hij dergelijke tochten altijd 
te paard, daar hij een sterk en goed gedresseerd rijdier bezat; 
dan was hij altijd met eene ffinke vechtsabel gewapend, zoowel 
omdat deze bij zijne uniform behoorde , als ook om bij mogelijke 
gevallen de aanranders op een afstand te kunnen houden. 

Den 12^ Mei 1833 was hij weder naar de passar gegaan, 
doch ditmaal vergezeld van den Inlandschen Luitenant, die 
eveneens een uitmuntend paard bereed en ook met een degelijk 
zwaard gewapend was. 

Na de inning der marktbelastingen gecontroleerd te hebben 
en zich hier en daar met de Hoofden te hebben onderhouden, 
keerden beiden rustig naar Boea terug, zonder dat hun iets ge- 
bleken was van eene minder gimstige stemming onder de bevolking. 

Op een kwart uur van Boea gekomen, voerde de zoogenaamde 
Il 14 



206 DB LUITKNANT DBB IMFAMTKRIE ▲. HENDRIKS — 183». 

hoofdweg, dien zij volgden, tusschen een grooten missigit met 
aangrenzenden dichtbegroeiden koffietuin en een uitgestrekten en 
diepen visch vijver door, waardoor de weg daar eenigzins smaller 
werd dan overal elders, doch geen kwaad vermoedende lieten zij. 
van de schaduwrijke koele plek genietende hunne paarden lang- 
zaam voortstappen. 

Eensklaps stortten zich een 40 tal met lans en kris gewapende 
Padrie's met luid geschreeuw en onder het zwaaien der wapens 
uit den koffietuin op de beide daarop niet verdachte Offiideren^ 
welke troep weldra tot 100 gewapenden aangroeide; tot geluk 
der Officieren hadden de aanvallers geene vuurwapenen. 

De beide dappere ruiters, wel een oogenblik verrast, doch niet 
vervaard, trokken terstond hunne sabels, besloten als zij waren 
hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen en eenigzins vertrou- 
wende op hun moreel overwicht en de snelheid hunner paarden* 

De Inlandsche Luitenant gaf hier een groot bewijs van moed 
en trouw, door de zijde van den Europeeschen Officier niet te 
verlaten en dezen moedig bij te staan in den ongelijken strijd > 
want terstond bij den aanval riepen de Padrie'a hem toe , dat hij 
niet gedeerd zoude worden als hij zich onzijdig hield, omdat 
de aanval alleen op den blanken Officier gemunt was. 

Reeds dadelijk grepen twee der moedigste aanvallers het paard 
van Luitenant Hendriks bij het hoofdstel vast, terwijl hij. zelf 
tegelijker tijd een klewanghouw over de linkerknie en een kris- 
steek in de zijde bekwam, maar toen was ook zijn zwaard uit de 
schede; op den vijand inbouwende hield hij de andere aanval- 
lers op een eerbiedigen afetand en wist hij tevens de beide inlanders 
die zijn paard gegrepen hadden op gevoelige wijze tot loslaten te 
dwingen. 

Hoe onversaagd de Toemenggoeng zijn Chef ook ter zijde 
stond en hoe dapper beiden zich ook weerden, toch bleek het 
hun, dat de overmachtige vijand het hen onmogelijk zoude 
maken om hun weg naar Boea te vervolgen en daar de Padrie's hen 
al meer en meer insloten, nam de Luitenant Hendriks het be- 
sluit om te trachten langs een binnenpad, dat de oever van 



DE LÜITBNANT DKB INFANTSRDE ▲. HENDBIK8 — 1833 207 

den vijver volgde, zijn post te bereiken, hoeveel bezwaren dat 
voetpad ook opleverde, die echter door kloeke ruiters als zij 
wel overwonnen konden worden. 

Al strijdende geeft Hendriks met een enkel woord zijn lotge- 
noot kennis van zijn voornemen, wat deze terstond begrijpt; 
beiden vallen nu den vijand onstuimig aan en de voorsten 
onderste boven rijdende of neersabelende, zoodat de bende een 
oogenblik wijkt en het zijpad vrij komt, slaan zij dat nu in den 
snelsten gang in , gevolgd door den van woede en spijt brullenden 
vijand, die zich zijne bijna zekere prooi ziet ontsnappen. 

Iets verder verspert een over het pad liggenden dikken boom- 
stam den weg. De paarden nemen de hindernis met een flinken 
sprong, doch dat van Hendriks struikelt aan de andere zijde en 
valt met zijn ruiter. 

Wel heeft de gevallene zich terstond opgericht maar de hevige 
aanval der Padrie's, waartegen hij zich verdedigen moet, belet 
hem in den zadel te springen, waarop de Toemenggoeng even- 
eens afstijgt en zich naast zijn makker plaatst. 

Weldra is de Luitenant Hendriks weder gewond aan het rechter 
been, door een der vele rondsnorrende lansen, doch trots het 
bloedverlies uit zijne drie wonden, weet hij, gesteund door den 
Inlandschen Luitenant, den vijand in ontzag te houden. 

Daar de Padrie's al meer en meer naderen, neemt Hendriks 
het besluit weder zelf aan te vallen en zoo ruimte te verkrijgen 
om op te stijgen, waarbij de Toemenggoeng hem trouw ter 
zijde staat. 

Onverwacht een paar stappen voorwaaarts doende, kloven zij 
de voorsten die onder hun bereik komen den kop, de anderen 
verschrikt over dien aanval wijken achteruit en van dat oogen- 
blik maken de beide ruiters gebruik om snel in den zadel te 
springen en, zich woest een weg door den vijand banende, weg 
te rennen. 

In dat korte oogenblik van handgemeen ontving Hendriks een 
krissteek in de rechterborst, zoomede een klewanghouw over 
den rechterschouder en langs het linkerbeen, terwijl een lansstoot 



206 DS LÜITBNAMT DEK INFANTIBIB ▲. HENDRIKS — 1833 

langs het been in den zadel terecht kwam, zoodat hij wel een 
oogenblik wankelde, maar zich terstond herstelde. 

Ook de Toemenggoeng is gewond en diens paard heeft een 
houw over het linkervoorbeen , doch beiden ijlen voort terwijl 
de vijand hen lansen en steenen naslingert 

De weg voert nu door een bamboe-doerieboschje, waar helaas 
weder eenige Padrie's hen opwachtten , die den weg in der haast 
met eenige latten a%esloten hadden, maar onvermoeid rennen 
de beide ruiters daarop af, nemen gelukkig de versperring en 
voort gaat 't nu naar den uitgang van het bosch, van waar de 
versterking zichtbaar zal zijn. 

Bij die uitgang hebben zich echter weder eenige Padrie's opge- 
steld, doch voor dat zij op zoo iets bedacht waren, is de Toe- 
menggoeng, die de voorste was, hen voorbij gerend, waarna hij 
door wenken, de bezetting te hulp riep die reeds op het gehuil 
van den strijdenden vijand te samengeloopen was. 

Dapper als hij is, is Hendriks recht op den de opening aMui- 
tenden vijand aangerend, die echter den schok van dien verwoed 
strijdenden ruiter niet afwacht, doch uitwijkt en hem van ter 
zijde nog eene wond toebrengt, waarna zij voor de reeds met 
den Toemenggoeng toeijlende pradjoerits de vlucht nemen. 

Zwaar gewond valt Hendriks voor de versterking van zijn edel 
paard , maar zoo gewond als hij is moest hij toch nog zeven dagen 
lang het kommando voeren, daar de vijand onmiddellijk de 
post aan alle zijden insloot, en eerst 7 dagen later door eene 
tot ontzet opgerukte kolonne verdreven werd. 

De vijand had tot zijne schade ondervonden wat een kloek 
en dapper ruiter op een deugdelijk paard vermag te doen, al 
is het ook alleen met zijn zwaard. 

De Europeesche Kavallerlst H. van der Linden op Celebes 

1859. 

Den 5^ December 1859 ^^^^ Boni's hoofdplaats, een hechte 
veste op Celebes, door onze dappere troepen stormenderhand 



DB IBOPSBSOHB KAYALLSRIST H. VAN DKB LINDIEK — 1869 209 

ingenome i^aarbij de stormkoloime aangevoerd werd door den 
heldhaftig en algemeen beminden Majoor C. M. H. Ejroesen, 
die daarl: de zijnen den weg wees tot roem en eer, en wel de 
voldoenio mocht smaken om die geduchte sterkte in onze handen 
te zien, < >ch zijne moedige daad met zijn leven betaalde en den 
heldendo i op het sls^eld vond. 

De bij de aanvalskolonnes behoorende kavallerie had in last 
om de uitgebreide versterkingen des vijand om te trekken en 
zoo den rug der verdedigers te bedreigen. 

Met veel beleid en voortvarendheid werd die omtrekking door 
de huzaren volbracht en juist toen door de stormende Infanterie 
aan de voorzijde Neêrland's driekleur op de veroverde wallen 
werd geplant, verschenen onze dappere ruiters in den rug van 
den wijkenden vijand, die zij onmiddelijk chargeerden. 

'sVijands bereden troepen trachtten wel den vreeselijken schok 
te breken en die woest aanrennende huzaren in hunnen woesten 
aanval te stuiten, doch tegen de charge onzer dappere ruiters 
was niets bestand en ook die bereden vijanden spatten uiteen 
en zochten hun heil in de vlucht. 

Voort, immer voort joegen de kranige huzaren de vluchtelingen 
na; hierdoor ontstonden talrijke kleine gevechten, waarin de 
sabel een vreeselijken en verschrikkelijken oogst hield, trots 
'svijands vlug en dapper gehanteerde lansen en krissen. 

Luitenant Baron van Utenhoven ging als altijd zijne ruiters 
ridderlijk voor, op den voet gevolgd door den niet minder on- 
versaagden en strijdlustigen huzaar van der Linden. 

Eensklaps struikelt het paard van van der Linden over den 
onefifenen en' door den overvloedig gevallen regen glibberigen 
bodem en werpt zijn ruiter af te midden van het strijdgewoel, 
doch in een oogwenk zijn ook paard en ruiter weder op de been 
en slingert van der Linden zich snel in den zadel, waarbij hij 
opmerkt dat zijn Officier, die in een hevig gevecht gewikkeld was 
met een drietal Boegineezen, door een vierden met een werplans 
in den rug bedreigd werd. 

Zonder bliksemsnelle tusschenkomst is de Luitenant verloren ! . . . . 



210 DS lüBOPBlSOHB KAVALLBBIST H. VAM DKB UHDBM — 1859 

Zien, denken en handelen is in dit ondenkbaar korte oogenblik 
voor den kranigen van der Linden slecht één. 

Nog heeft hij de voeten niet in de beugels, nog heeft hij zich 
niet vast in den zadel gezet, of reeds drukt hij zijn rijdier de sporen 
tot bloedens toe in de hijgende flanken. Het edele ros dringt 
met één reuzensprong vooruit tusschen den strijdenden Officier 
en zijn belager, zoodat van der Linden zijne borst als schild 
voor zijn Luitenant aanbiedt. 

Door eene behendige beweging heeft de geoefende en steeds 
kalme huzaar de dreigend aansnorrende lans a%ewend en voor 
dat de Boeginees zijne tweede lans kan werpen, heeft van der 
Linden's met krachtige hand neerkomend zwaard, den vijand 
den kop gekloofd. 

Alles is zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat eerst toen de 
vijand met gekloofden schedel van zijn paard valt, de Luitenant 
bemerkte aan welk dreigend en zeker gevaar hij door den dap- 
peren van der Linden ontsnapt was, die zijn eigen leven aan- 
bood voor dat van zijn Luitenant 

Het Kruis der Militaire Willemsorde dat Z. M. den Koning 
den braven en kranigen van der Linden schonk voor zijne vele 
heldhaftige daden, mocht hij als glansrijk verdiend beschouwen, 
al ware 't alleen voor dat uiterst moedige , vastberadene en vlugge 
ruiterstukje. 

De Luitenant der Infanterie W. E. Willinlt Ketjen in Aljeh 

1876 

Den 4^ Maart 1876 had het transportgevecht te Lam-Sajong 
plaats, waar de kommandant van het dekkings-detachement , de 
I® Luitenant T. W. J. Buijs*), zich een zoo dapper, bedaard en 
beleidvol aanvoerder toonde in den hoogst gevaarlijken toestand 
waarin de zeer overmachtige , ongeveer 600 gewapenden sterke 



*) Thans Kolonel Kommandant van het Regiment Grenadiers en Jagers. 



D8 LUIT. DBB INF. W. S. WILLINK KBTJEN — 1876 211 

vijand, begunstigd door het terrein zijne kleine kolonne van 
slechts 74 bajonetten bracht, die bovendien nog dienen moest 
om tal van zieken, die vervoerd moesten worden, te beschermen. 
In de benardste oogenblikken verloor hij geen oogenblik zijne als 
^t ware spreekwoordelijk geworden bedaardheid en helderen blik 
op den toestand waarin de kolonne verkeerde en door zijne kalme » 
zekere en met duidelijke vaste stem gegevene bevelen, wist hij zijne 
soldaten trots de zware verliezen moed in te spreken en vertrouwen 
te schenken, zoodat allen, zelüs toen de laatste patronen ver- 
schoten zouden worden, nog dapper, vastberaden en vol ver- 
trouwen, als een muur aaneengesloten, onversaagd stand hielden. 
Wel kwam er op het meest kritieke oogenblik ondersteuning opda- 
gen , doch het behoud van allen was hoofdzakelijk aan de degelijke 
onovertrefbare leiding van Luitenant Buys te danken, die zich in 
alle opzichten een leider betoonde, boven allen lof verheven. 

Toen het gevecht reeds eenigen tijd geduurd had en de 
patronen-voorraad bedenkelijk verminderde, terwijl het gevaar om 
geheel ingesloten te worden elk oogenblik dreigender werd en het 
hem wegens het voortdurend aan alle zijden toenemend aantal 
Atjehers niet alleen ondoenlijk was zijne opdracht te vervullen en 
verder door te dringen, maar het ook wegens het groot aantal 
zieken en gewonden onmogelijk was om naar zijn post Elajoe-leh 
terug te trekken, nam Buijs het besluit om iemand derwaarts te 
zenden, ten einde omtrent den benarden toestand waarin het 
detachement verkeerde rapport uit te brengen en ondersteuning 
te verzoeken. 

Het was zeer gevaarlijk om dat bericht over te brengen, want meer 
^ tneer drong de vijand op en dreigde den terugtochtsw^ ge- 
heel af te snijden, zoodat die onderneming alleen mogelijk izou 
zijn voor een stoutmoedig, goed geoefend en goed bereden ruiter, 
maar toch 't bleef altijd een groot waagstuk. 

De Luitenant der Infanterie W. £. Willink Ketjen, die den 
troep te paard vergezelde , was daartoe terstond bereid ; een be- 
reden artillerist zoude hem vergezellen. 



212 DS LÜFT. DSR INF. W. B. WILLINK KBTJBN — 1876 

Terstond gaf de Luitenant zijn paard den teugel en weldra 
rende hij weg in de richting van Kajoe-Leh, 

Vol verwachting staarde de strijdende troep de voortjagende 
ruiters na, allen in spannende verwachting verkeerende of het 
waagstuk zoude gelukken, want ook de Atjehers hadden de beide 
boodschappers ontdekt en de bedoeling begrepen. 

In woeste vaart joegen de ruiters over de vlakte, achtervolgd 
door eene hagelbui van kogels die de vijand hen achterna zond , 
terwijl de Atjehers zich tevens aan alle zijden voortspoedden om 
de dapperen den weg af te snijden. 

Eensklaps zagen allen het paard van Willink Ketjen met zijn 
ruiter vallen en ieder dacht dat het met den dapperen Officier 
gedaan was, want uit de vijandelijke benden ging een donde- 
renden juichkreet op van voldoening en velen snelden reeds vooruit 
om den gevallene met den klewang af te maken. 

Het paard was echter evenmin als de ruiter gewond en in zijne 
dolle vaart slechts over eene oneffenheid gestruikeld. 

Vlugger dan 't zich beschrijven laat was het ros weder opge- 
sprongen en vervolgde zijn dollen ren met den Officier naast 
zich, die gelukkig de teugels niet had losgelaten. 

Willink Ketjen vlug en lenig als hij was, rende een opgenblik 
naast zijn paard en weldra zagen de zijnen tot hunne groote 
voldoening en blijdschap dat de ruiter zich met een reuzenzwaai 
in den zadel slingerde, spijt de kogels die hem om de ooren 
vlogen en in denzelfden dollen ren zijn weg vervolgde. 

De dappere troep onder Luitenant Buijs had nog maar 4 
patronen per man over en bereidde zij zich reeds voor tot den 
strijd met de bajonet van man tegen man, toen de door Willink 
Ketjen gehaalde hulp op 't gevechtsterrein verscheen en den 
vijand deed afdeinzen. 

De brave Luitenant die dat ruiterstukje had verricht, was 
gelukkig ongedeerd te Elajoe-Leh aangekomen. 




213 



De Controleur bU het Binnenlandsch Bestuur 
K. F. van Swieten in Aljeh 

1881 

De Controleur van Swieten droeg een naam, die in onze 
kolonie altijd met eere genoemd was, zoodat ook van hem met 
recht grootsche daden te verwachten waren en ieder die den 
hupschen, beschaafden, degelijken man gekend heeft , zal moeten 
toestemmen dat hij die verwachting niet te leur stelde en zijn 
naam in alle opzichten eer aandeed. 

Nadat Generaal K. van der Heijden het bestuur over Atjeh 
had neergelegd, was gaandeweg de toestand van betrekkelijke 
veiligheid overal verdwenen, en de onveiligheid zoowel overdj^ 
als des nachts zoo toegenomen, dat wij ons, in ^t laatst van 
1881 en 't begin van 1882, alleen meester konden noemen van 
een kleinen kring om de versterkingen die wij bezet hielden, 
terwijl overal elders de vijand heer en meester was. Daar waar 
vroeger onder Generaal van der Heijden enkele personen zonder 
eenig gevaar ongewapend konden wandelen en zich zonder dek- 
king van den eenen post naar den anderen begeven, was toen 
een geleide van 30 k 40 bajonetten geene overtolligheid en 't 
gebeurde zelfe dat die, zooals bijv. voorbij Passar Samaghani 
of naar Panteh-Karang, slechts met verlies aan dooden of ge- 
wonden hun doel konden bereiken. 

Om zes uur des avonds, tegen 't vallen van de duisternis, 
werden de poorten onzer versterkingen gesloten; dan beperkte 
zich de veiligheid op de wegen tot den lichtkring die de lantaarns 
der versterking daaromheen wierpen en dan ook nog slechts ge- 
deeltelijk, want de waaghalzen van den dapperen, overmoedigen 
en ondememenden vijand, waagden zich, zij 't ook sluipenderwijs, 
binnen dien lichtkring. 

Overal elders echter waren personen zonder sterk geleide en niet 
tot den vijand behoorende, vogelvrij en zoo goed als zeker aan 
een wissen dood prijs gegeven, omdat onze tegenstanders daar 



'214 DS OONTBOLEUB K. F. YAM SWIITBN — 1881 

overal onbeteugeld den baas waren; ja 't was zelfe voor eene 
«terke patrouille niet geraden zich in de duisternis te vèr van de 
versterking te wagen, want de overal loerende en rondsluipende 
vijand , bekend met alle schuilhoeken en als 't ware overal ver- 
-Scholen, zoude haar ongezien de zwaarste verliezen toebrengeni 
waartegen een op goed geluk in de alles verbergende struiken 
afgegeven geweervuur niets vermag, terwijl een bajonet-aanval 
in het bedekte terrein bij duisternis nog gevaarlijker was. 

De Controleur K. F. van Swieten was toenmaals met het 
civiel bestuur te Glé-Elambing en de daarbij behoorende afdeeling 
belast, oüschoon er waariijk voor zoo'n burgerlijk ambtenaar 
nog niet veel te besturen viel. Glé-Kambing, van Indrapoeri door 
de Atjeh-rivier gescheiden, was in dien tijd, op onze versterking 
te Djerir na, de Zuidelijkste Post die wij aan de Atjeh-rivier 
bezaten. 

De weg, door ons van den Kraton naar Glé-Kambing aangelegd, 
was 3^ a 4 uur gaans lang en in de drooge moesson zeer goed 
te gebruiken, doch in den regentijd zakten de raderen der voer- 
tuigen er soms tot de as in, zoodat dan de begaanbaarheid , zelfii 
voor voetgangers zonder schoenen, veel te wenschen overliet. 

Langs dezen weg bevonden zich, van af Glé-Kambing naar 
den Kraton de posten, Long-lemoh, Tjot-Basatoel, Lepong-ara» 
Ans^aloëng en Lambaroe als rustplaatsen voor de transporten en 
als standplaatsen voor de troepen tot het in bedwang houden der om- 
wonende bevolking , die zich echter zoo weinig in bedwang liet hou- 
den , dat de meeste transporten aangevallen werden. Vooral was dit 
het geval in de nabijheid van Long-lemoh , te Pasar Samagani tus- 
schen Tjot-Basatoel en Lepong ara, en bij kampong Lamtenga 
tusschen Anagaloëng en Lambaroe, bij welke laatste kampong de 
kranige Loder later het slachtoffer werd van zijn gewaagd ruiterstu^e. 

Op zekeren dag was het dringend noodig, dat de Controleur 
van Swieten zich voor dienstzaken in verband met ingekomen 
berichten met den meesten spoed naar den Kraton b^;afenweL 



DB CONTROLEim K. F. YAM SWIBTBN — 1881 215 

nóg ZOO mogelijk dienzelfden avond. Met eene dekking van 
Infanterie zou de marsch veel te langzaam gaan en te lang 
duren, terwijl om onnoodige verliezen te voorkomen het beter 
was zich daarmede des nachts niet buiten te ws^en, zoodat hij 
dan tot den volgenden morgen zoude moeten wachten, daar onze 
kranige huzaren helaas niet te Glé-kambing in garnizoen waren. 

Niettegenstaande het hem door allen dringend werd afgeraden 
en hij ook zelf wel begreep dat het waagstuk dat hij wilde 
ondernemen uiterst gevaarlijk, ja zelfs zoo goed als onmogelijk 
was, zoo was toch niets in staat den dapperen Controleur terug 
te houden van wat hij zijn plicht achtte, en gevaarlijk of niet, 
hij wilde dien avond nog, al was 't ook onverzeld, op zijn 
sterken klepper den rit naar den Kraton wagen. 

Toen dan ook de duisternis geheel gevallen was en alleen een 
zwak sterrenlicht den te volgen weg eenigszins zichtbaar maakte , 
stond van Swieten voor de gevaarlijke taak gereed, slechts ge- 
wapend met eene uitmuntende revolver en een sterken, zwaren 
klewang op zijde, terwijl zijn Inlandschen politie-oppasser, die 
hem niet verlaten wüde, op zijn klein en onoogelijk doch onver* 
moeibaar rijdier klaar was om hem te vergezellen. 

Welgemoed en opgeruimd als ging hij een wandelritje maken, 
nam de kranige Controleur a&cheid van de achterblij venden, 
wier handdruk veel warmer was dan gewoonlijk, omdat zij 
terecht vermoedden, dat zij den beminden, gezelligen makker 
wellicht niet meer levend zouden terug zien en dat was wel iets 
bijzonders voor mannen als die Officieren , die zoozeer aan alle ge- 
varen gewoon waren en soms zoo roekeloos hun leven bloot stelden , 
zonder eenige andere emotie te gevoelen dan strijdlust, doch 
dan betrof 't een gevecht al was 't ook tegen de overmacht, maar 
hier zou 't zoo goed als zeker één tegen tallooze benden zijn, 
dus bijna zoo goed als een moord, waarbij aan strijd niet te 
denken viel, doch alleen de vlugheid van het paard en ongehoord 
geluk redding kon brengen. 

Weldra was de Controleur in de bijna tastbare duisternis ver- 
dwenen en alleen de snelle hoefslag der paarden op den door 



V 



216 DB CONTBOLKUR K. F. VAN SWIBTXN — 1881 

de droogte steenharden w^ luid in de stilte van den nacht 
weerklinkende, was hun een teeken dat de Controleur nog on- 
gedeerd zijn w^ vervolgde, maar ook voor den vijand eene aan- 
wijzing dat zich daar iets ongewoons op den w^ bewoog. Weldra 
was ook d^t geluid door den afetand weggestorven en met den 
hartelijken wensch «dat de brutale kerel heelhuids den Kraton mocht 
bereikem* gingen de achtergeblevenen, voor zoo verre de bewaking 
van den post dit toeliet, ter ruste. 

Over den hals van z^n paard gebogen en met zijne scherpe 
oogen als 't ware de duisternis doorborende, opdat hem niets 
zoude on^;aan, vervolgde van Swieten in zoo snel mogelijken 
gang zijn gevaarlijken weg, van tijd tot tijd zijn edel rijdier 
streelende als om het aan te moedigen en te beloonen, want 
van diens kracht en volharding hing zijn leven af. 

Onze posten naderende, verminderde hij eenigzins densnellen 
gang, om zoo de paarden op adem te laten komen en ook om 
zich aan de bezetting kenbaar te maken , want anders zoude hij veel 
kans geloopen hebben dat hem eenige beaumont-kogels nage- 
zonden werden , en 't gevaar dat hem van 's vijands zijde bedreigde 
was al groot genoeg, dan dat hij dat nog door te veel over- 
haasting door dat van bevriende zijde behoefde te vermeerderen , 
want niet alleen dat de kogels hen zouden kunnen treffen , maar 
het zoude als 't ware tevens eene heel vér klinkende oproeping 
zijn voor den vijand, om zich naar dat punt te begeven, waar 
iets bijzonders gebeurde. 

Zoodra de waakzame schildwachten der verschillende posten 
het ongewone nachtelijke geluid der hoefslagen hoorden, waar- 
schuwden zij natuurlijk hunne Kommandanten en dan was weldra 
de geheele bezetting nieuwsgierig op de borstwering vereenigd. 

Dan klonk hen uit de duistemis, boven het geluid der hoef- 
slagen, van Swieten's heldere bekende stem t^emoet, die hen 
een vroolijken groet toeriep en dan zagen zij over den weg een 
zwarte schim voorbijvli^en, die spoedig in de duistemis ver- 
dween voor de oogen van hen, die hootschuddend den dollen 
waaghals trachtten na te staren. 



os CONTBOLBUB K. F. VAN SWIBTBN — 1881 217 

Ook de vijand scheen verbluft door zooveel stoutmoedigheid 
en roekeloosheid; voor dat zij van hunne verbazing bekomen 
waren, als zij den hoefslag hoorden, was van Swieten reeds voorbij 
en konden zij hem in de duisternis slechts eenige schoten na- 
zenden, terwijl enkele Atjehers die hij ontmoette en die hem 
den doorgang hadden kunnen versperren, zich verschrikt in de 
aan den weg grenzende struiken verscholen, niet wetende 
wat van het geval te denken en zich niet terstond bewust 
zijnde dat 't slechts één Europeaan en zijn Inlandschen oppasser 
kon zijn. 

Ware van Swieten's paard gestruikeld of gewond geworden 
dan was 't zeker met den koenen ruiter gedaan geweest, doch 
tot verbazing en blijdschap van allen bereikte hij ditmaal onge- 
deerd zijn doel. 

Den volgenden dag keerde van Swieten met het gewone trans- 
port naar Glé-kambing terug, dat echter bij dien tocht als naar 
gewoonte weder eenige gewonden bekwam. 

Het was voor het Vaderland te betreuren dat een zoo dapper, 
flink en degelijk ambtenaar 's Lands dienst verliet, om elders 
eene betere finantieele toekomst te gemoet te gaan. 

De wachtmeester A. J. Beek op Lombok 

1894. 

Den i8^° November 1894 was de dag waarop de Residentie 
van de Vorsten van Lombok, Tjakra N^;ara, door onzen dapperen 
troep stormenderhand op de zich hardnekkig verdedigende Bali- 
neezen veroverd werd. 

Het was de dag der vergelding ! . . . . 

Met bewonderenswaardigen moed stormden de onzen onder het 
moorddadig vuur der repeteergeweren vooruit en baanden zich met 
ongeloofelijke inspanning een weg door het warnet van muren 
en straten waaruit Tjakra Negara bestaat, onder de leiding van 
drie kimdige, beleidvolle en dappere aanvoerders, den Greneraal 
Majoor M. Segov, Kommandant der 1% den Kolonel L. Swart Kom- 




218 DB WA0HTMBS8TIB A. J. BBCK — 1894 

mandant der 2«, en den Luitenant Kolonel A. H. W. Scheuer 
Kommandant der 3^ kolonne. 

Overal met ware doodsverachting strijdende, den vijand die 
achter eiken muur, achter elke verhooging hardnekkig stand 
hield onweerstaanbaar terugdrijvende, rukten onze dapp>eren aan 
alle zijden voorwaarts naar de Poeri, het laatste hechte bolwerk 
van Bali's Vorstengeslacht, het hoofddoel van den aanval. 

De i^ kolonne (S^ov), die den uitersten linkervleugel der 
aanvals-linie vormde, had het bijzonder zwaar te verantwoorden ^ 
daar die troep niet alleen de vijanden moest bestrijden die het 
Noordelijk deel van Tjakra Negara verdedigden, maar bovendien 
ook de door de andere kolonnes uit het overige der stad terug- 
geworpene Balineesche benden, die hunne makkers in het noor- 
delijk deel kwamen versterken en zich onstuimig op de kolonne 
Segov wierpen. 

Zonder versterking zoude het de i* kolonne onmogelijk zijn 
verder zuidwaarts door te dringen naar het daar gelegen object, 
de Poeri, ten einde op die wijze aanraking te krijgen met de 2® 
kolonne (Swart) , ja om half acht des morgens werd de toestand 
zelfs zoodanig , dat het Generaal S^ov bleek dat hij alle krachten 
zou moeten inspannen om zelfs zijne reeds veroverde stelling te 
behouden, en hij aarzelde derhalve geen oogenblik langer om 
den Opperbevelhebber van zijne benarde positie kennis te geven 
en ondersteuning te vragen. 

In der haast krabbelt hij op een blaadje uit zijn zakboekje 
een kort rapport voor den Opperbevelhebber en overhandigt dit 
den wachtmeester der kavallerie A. J. Beek, die met eenige 
huzaren aangewezen is om bij de i^ kolonne ordonnansen-dienst 
te doen. 

Nog slechts twee ruiters waren aanwezig, de huzaren Jacobs 
en Setrosmito, omdat de anderen met dringende bevelen elders 
heengezonden waren. 

Daar de tocht langs het reeds veroverde deel van Tjakra 
Negara zeer gevaarlijk kon zijn door achtergebleven en verscholen 
vijandelijke benden , en het bericht trots alles den Generaal Vetter 



DE WACHTMBB8TER A. J. BSOK — 1894 21& 

moest bereiken, gelastte de Kommandant der kolonne dat de 
beide huzaren den wachtmeester zonden vergezellen; die beide 
ondergeschikten werden daarom ook met den korten inhoud van 
het over te brengen bericht in kennis gesteld, ten einde te 
zorgen , dat al bereikte ook slechts één der drie den Opperbevel- 
hebber, het bericht in elk geval, zij het ook in extenso, werd 
overgebracht. 

De moeielijke taak was in goede handen, want reeds den 26^ 
Juli 1889 had de wachtmeester Beek, toenmaals trompetter, in 
dezelfde omstandigheden zich door den vijand bij Kota Toe- 
wankoe (Atjeh) heengeslagen om een bericht der voorhoede over 
te brengen en zich daarbij dusdanig onderscheiden dat hij eervol 
vermeld werd. 

Hoe vermoeid ook door het aanhoudend berichten overbrengen, 
slaan de drie ruiters, op alles voorbereid, in den snelsten gang 
den weg in die de kolonne Segov volgde om 's vijands stelling 
te bereiken en daarin door te dringen. 

Voortdurend buldert het geschut, knettert het vuur van de 
repeteergeweren der Balineezen en ratelen de salvo's der onver- 
moeid aanvallende en voortdringende troepen, aanhoudend sissen 
en fluiten de projectielen van alle zijden om hen heen, overal 
waar zij langs rijden wordt met woede gestreden en overstemmen 
onze juichkreten het strijdgeschreeuw der Balineezen, doch, het 
gewicht begrijpende der aan hunne zorg toevertrouwde zending, 
ijlen de drie braven over de halzen hunner paarden gebogen 
onverpoosd voorwaarts, zoo snel als de reeds vermoeide dieren 
hen dragen kunnen. 

Wel is het terrein niet moeielijk en wijzen de neergeworpen 
wapens der Balineezen en de lijken van gesneuvelde vijanden 
hen den weg die de kolonne had gevolgd , doch overal en aan alle 
zijden dreigt hen de dood, maar een eervollen dood , de dood op 
het slagveld bij de trouwe vervulling hunner plicht, want dekking 
mogen zij niet zoeken, daar de zending hen dringt zoo snel 
mogelijk voorwaarts te ijlen langs den kortsten weg. 

Eensklaps, bij het omslaan van een hoek, blijkt op eenigen 



220 DB WAOHTMBBSTEB A. J BSCK — 1894 

a&tand den w^ versperd te zijn door een 40tal Balineezen , die 
gelukkig wel niet voorzien zijn van geweren, doch gewapend met de 
vreeselijke lans en de scherpe kris, besloten schijnen de bood- 
schappers den w^ te versperren. 

Veel tijd om eene beslissing te nemen is er niet, want met 
eiken polsslag wordt de afetand korter die de ordonnansen 
van den vijandelijken troep scheidt 

£r is echter ook niets te beslissen, want zij moeten en willen 
voorwaarts over of door den vijand heen, wat het ook kosten 
moge, als slechts één het doel bereikt vóór hij sterft 

Dit begrijpen ook de beide kavalleristen en volgen zonder den 
gang hmmer paarden te matigen den vooraan rijdenden wacht- 
meester Beek, die eenvoudig zijn revolver gereed houdt en zoo 
onder het kommando ^attakeeren» , op het midden der vijande- 
lijke bende aanrijdt 

£en schok volgt, nadat eenige schoten uit Beck's revolver een 
paar vijanden hebben neergelegd, sabels schitteren in het fel 
schijnende zonlicht en dalen met krachtigen houw neder en voor 
dat de vijandelijke troep tot bezinning is gekomen, zijn eenigen 
htumer gewond en de brave wachtmeester met zijne huzaren 
door den vijand heen gebroken, in dollen rit op de Antjar-rivier 
aanrijdende. 

Daar de oever aan deze zijde te stijl en de vijand ook te 
nabij is, om langzaam in de bedding af te dalen, laat Beek zijn 
paard naar beneden springen. Achtereenvolgens klinken drie 
plompen in het heldere diepe water, dat hen en hunne paarden 
verfrischt en spoedig is den anderen oever bestegen; weldra 
bereikt Beek den Opperbevelhebber en reikt dezen het bericht 
over, zoowel als zijne ruiters uiterst vermoeid en de paarden 
zoodanig uitgeput dat zij vervangen moeten worden. 

Het was een kranige onverschrokkene ordonnansen-rit, een 
dapper ruiterstukje, waarvoor de brave wachtmeester zijne borst 
versierd zag met het Ëeremetaal der Militaire Willemsorde. 



I 



Overeenstemmende Heldenfeiten 

op verschiliende tydstippen en In verschillende streken 

tant qa'il est vrai qae les mêmes 

choses, cessent d'être les mêmes, qnand 

elles se font en d'antres temps et par 

d'aatres peisonnes. 

Fbedebik n. 

Waar men ook de geschiedrollen van Nêerland's krijgsbe- 
drijven, hetzij in Europa, hetzij ter zee of in Indië opslaat, 
overal treden heldenfiguren op den voorgrond en overal worden 
daden vermeld waarop de natie met recht trotsch mag zijn, overal 
toonen Holland's zonen dat moed een Nationalen karaktertrek is. 

Vooral Indië levert daartoe een belangrijk contingent en niet 
h minst in de Negentiende eeuw. 

Van het dappere Indische Leger vermeldt het geschiedboek 
op elke bladzijde voorbeelden van een hardnekkigen strijd tegen 
een overmachtigen vijand, die zoo meesterlijk van het bedekte 
terrein gebruik weet te maken, om onze braven in de moeielijkste 
oogenblikken te overvallen; overal vindt men van onze kranige 
soldaten heerlijke daden vermeld van moed, beleid en trouw en 
overal indrukwekkende verhalen van zelfopoffering, toewijdingen 
doodsverachting , doch alles onopgesmukt en naar waarheid geboek- 
staafd, hetzij de worsteling tot de overwinning of tot de nederlaag 
leidde. 

Het is te begrijpen dat in die vele oorlogen waarin zich ons 
Nationaal Volksbestaan ontwikkelde, en in die aanhoudende 
worstelingen in de tropen, zich dezelfde buitengewone daden 
van moed nu en dan herhalen, zij het ook onder andere om- 
standigheden, op andere tijden na een groot tijdsverloop, of 
in andere landstreken, doch steeds dragen zij 't kenmerk van 
beleid en heldenmoed, ja zelfs zijn het militairen uit de meest 
inferieure rangen van het Leger die daarbij schitterend op den 
n 15 



222 DB SUBOPnSCHK KAMONNnCR J. VAN DSVXMTDL — 1836 

voorgrond treden en toonen dat moed, beleid en trouw aan 
geen rang gebonden zijn. 

Eenige voorbeelden mogen dienen om dat te staven. 

DAPPERE KANONNIERS 

De Europeesche kanonnier J. van Deventer voor BoncUol 

1836 

Het in de geschiedenis zoo bekende bel^ van Bondjol, eene 
geduchte, moedig verdedigde sterkte der Padrie's in de bergstreken 
van Sumatra's Westkust, duurde van den 21*° April 1835 ^^t 
den i6~ Augustus 1837. 

Dat beleg kostte ons ontzaglijke verliezen, doch verrijkte tevens 
de krijgsgeschiedenis met tal van heldendaden; menigeen zag zijne 
schitterende daden eervol vermeld en beloond en tal van namen 
die waardig zijn herinnerd te worden, treden daarbij met eere 
op den voorgrond. 

De Luitenant Kolonel J. H. C. Bauer, die gewond werd en aan 
de gevolgen overleed , de Kapitein Both en de Luitenant Potters 
die den heldendood op 't slagveld stierven; de ELapiteinJ. J. Raaff^ 
de Luitenant Kolonel A. J. Raaff, de Kapitein J. B. J. Sutherland> 
de Generaal J. B. Cleerens, de Majoor F. F. Prager, de Majoor 
later Luitenant Kolonel A. J. van Bihl, de Kapitein D. van dea 
Engh en de Luitenant der Artillerie P. C. Stuten, de Luitenant 
C. P. C. Steinmetz later Resident, de Generaal F. D. Cochius, 
de Kapitein Adjudant P. J. F. A. Battaerd, de Majoor C. F. 
W. de Sturler, de Majoor der Genie P. P. C. O. Ondaatje, de 
Kapitein H. C. Gilly de Montela, een der helden van den Java* 
oorlog, de Kolonel V. A. Michiels die later als Generaal bij de 
3^ Balische expeditie den dood vond en tal van anderen waar*^ 
van de geschiedenis zoo roemvol spreekt 

Den 21®" Julij 1835 ^^^ de vijand een onzer meest verwoede 
aanvallen afgeslagen, waarbij wij 30 dooden en 227 gewonden 
telden , waaronder vele Officieren , zoodat de Bevelhebber moest 



DE KUBOPBBSCHB KANONNIEB J. VAN DBVBMTBB — 1836 223 

gelasten, dat voortaan de Officieren zonder hunne epauletten 
moesten uitrukken , daar de vijand blijkbaar die aanvoerders het 
meest en het eerst tot zijn doelwit koos. 

Toen de aanval eenigen tijd later herhaald werd scheen de 
strijd voor ons andermaal ongunstig te zullen eindigen, maar de 
dappere handeling van den kanonnier J. van Deventer deed de 
schaal der overwinning aan onze zijde overslaan. 

Terwijl onze troepen onder een hevig vuurgevecht de te be- 
stormen hooge wallen meer en meer naderden, en de stormaanval 
spoedig weder beproefd moest worden op de door den vijand zoo 
hardnekkig verdedigde muren, zagen de voorsten eensklaps een 
kanonnier rechtstreeks op de aangevallen versterking afgaan, zich 
niet storende aan de kogels die hem om de ooren floten. 

Het was de kanonnier J. van Deventer die geheel op eigen 
gezag het waagstuk ondernam. 

Aan den voet van den wal gekomen, gaat hij bedaard zitten 
en ontkapt met zorg en nauwkeurig twee granaten die hij had 
medegebracht; hij deed dat terwijl de vijand zich juist op dat 
punt van den wal boven den dappere verzamelde en hem met 
allerlei projectielen bestookte, gelukkig zonder hem te raken, 
gehinderd als zij in hunne bewegingen waren door 't welgericht 
vuur der onzen, die den dappere op die wijze dekten. 

Dat de vijand zich dicht bij hem opeenhoopte werkte juist 
zijn doel in de hand. 

Na de granaten gereed gemaakt te hebben, steekt hij even 
bedaard en zeker met een vuurslag het stukje lont aan dat hij 
medegebracht had, en dat alles alsof hij op een oefeningsterrein 
was en niet aan alle zijden door vijandelijk vuur bestookt, ont- 
steekt een der granaten, richt zich op, en toen hij meende dat 
het projectiel op 't punt van springen was, wierp hij het met 
kracht over den wal, waar weldra een luiden knal bewees dat 
de granaat ter rechter tijd te midden der verdedigers gesprongen 
was, en voor dat de vijand van de daardoor veroorzaakte ont- 
steltenis bekomen kon, volgde de tweede granaat, die eveneens 
tijdig barstte en groote verwoesting onder den vijand aanrichtte. 



224 DB EÜBOPKBSCHS KANOMNIEB O. H. KOOL VAN HKKRKNS SM 

Van dat geschikte oogenblik maakte de Infanterie gebruik, 
stormde juichend voorwaarts, beklom de wallen en weldra 
wapperde Neêrland's heerlijke Driekleur onder een luid Wilhelmus 
van de zoo hardnekkig verdedigde wallen. 

De kanonnier J. van Deventer kwam als door een wonder 
ongedeerd uit den strijd en was de held van den dag. 

De Europeesche kanonnier C. H. Kool van Heerens 

en 

de Trompetter der Artillerie L. Muller Kanten 

voor de MIssigit op Atjeh — 1873 

Den 14«» April 1873 moest de zoo beroemd geworden groote 
Missigit te Atjeh ten tweeden male aangevallen en veroverd worden. 

Was het de eerste maal mogelijk geweest 's vijands hardnekkigen 
tegenstand ^te breken en dat godsdienstig bolwerk der Atjeheis 
te veroveren, door het middels lichtkogels in brand schieten van 
den binnen den mum: staanden hoogen tempel, zoodat zij door 
de hitte van het brandende gebouw genoodzaakt werden de zoo 
moedig verdedigde veste te verlaten, bij den tweeden aanval 
was dat middel niet meer toe te passen, omdat zich toen geen 
brandbaar gebouw meer binnen de wallen bevond en de vijand den 
hem geschonken tijd met woeker benuttigd had, om het weerstands- 
vermogen der sterkte zoo hoog mogelijk op te voeren, hopende 
onze kracht vóór dien door ons ontheiligden tempel te breken. 

Onverschrokken stormden de kolonnes van het dappere 3^ 
Bataljon Infanterie voorafgegaan door hunne Officieren voor- 
waarts, zonder acht te slaan op 's vijands moorddadig en over- 
stelpend geweervuur, ook al leden zij bij eiken stap die zij voor- 
waarts deden belangrijke verliezen , bezield als zij waren door den 
geest van hunne nooit hoog geno^ geroemden aanvoerder den 
Majoor F. P. Cavaljé, die reeds op Bomeo's Zuid- en Ooster- 
afdeeling voor zijne moedige daden met de Militaire Willemsorde 
begiftigd werd ; met grooten moed en onversaagdheid beklommen 
de aanvallers de stormladders, die door de kranige Sappeurs tegen 
den 2^ meter hoogen steenen muur geplaatst waren, doch al die 



k 



DB TROMPIETTBB DKB AKTHiLERIE L. HXTLLBB KANTBB — 1873 225 

opofferingen , al dien moed waren vergeefs , daar 's vijands drommen 
moedig stand hielden en onze dapperen met lans, klewang, 
geweer of steenen doodden en verwondden en van de storm- 
ladders naar beneden wierpen. 

Reeds eenmaal had de korporaal der Artillerie W. Brinkerinck 
en de trompetter der Artillerie L. Muller ELanter ontstoken 
granaten over den muur geworpen, doch dit scheen weinig 
schade aan te richten, daar de worp gedaan werd zonder het 
doel te zien en de brandtijd van 12 seconden den Atjehers ge- 
legenheid gaf zich tijdig tegen de rondvliegende scherven te dekken. 

Daar snelt de 4® kompagnie van het 9® Bataljon onder den 
langen onverschrokken Kapitein J. H. Huijer en den kleinen doch 
dapperen Luitenant W. F. Kroesen de in strijd zijnde storm- 
kolonnes te hulp en met vernieuwde woede heeft de aanval 
plaats, doch andermaal wordt den stormaanval bloedig afgeslagen. 

De stormladders zijn glibberig van het bloed ! . . . . 

Weder rukten eenige dappere kanonniers met granaten aan 
en werpen die over den muur, doch de kanonnier C. H. Kool 
van Heerens stormt, gevolgd door den trompetter Muller Kanter, 
naar de stormladders^ ten einde van die gevaarlijke hoogte den 
worp juister en zekerder te kunnen doen. 

Kool van Heerens beklimt terstond de ladder met de reeds 
ontkapte granaat in de hand, ontsteekt haar, doch houdt haar 
nog eenige oogenblikken vast, om het projectiel eerst dan weg 
te werpen , als het oogenblik van springen nabij is. Hij buigt zich 
over den muur om de dichtste groep vijanden uit te zoeken, 
werpt het projectiel, dat ook dadelijk uiteen springt en groote 
verwoesting aanricht, doch t^elijkertijd valt hij stervende van de 
ladder achterover in de armen van Muller Kanter, den geheelen 
hals met een lanspunt doorboord. 

De dappere trompetter legt zijn makker neer, trekt de bebloede 
lans uit de wond, om die zoo noodig als stootwapen te ge- 
bruiken en bestijgt dadelijk weder de glibberige sporten, om de 
hoogst gevaarlijke plaats van zijn makker in te nemen en ook 
zijne granaat te werpen. 



226 DB SKReiANT DUt INTANTERIB J. H. KRANEVOST — 1861 

Terwijl hem kogels, lansen en steenen om de ooren vliegen 
en suizen ontsteekt hij bedaard zijne granaat, telt kalm tot zeven, 
kijkt even naar binnen en werpt zijn projectiel te midden van een 
dichten drom Atjehers, t^elijk met de lans een stoot afwerende. 

Nu maakt hij plaats voor de andermaal onstuimig voortdrin- 
gende Infanterie, wie het nu door de ruimte die beide granaten 
gemaakt hebben gelukt in de versterking te springen en verder 
met de bajonet het pleit te beslechten. 

In beide gevallen, die veel overeenkomst hebben was de 
overwinning te danken aan den kalmen moed en de bedaarde 
handeling van dappere kanonniers. 

KORDATE TRANSPORTKOMMANDANTEN. 

De Sergeant der infanterie J. H. Kranevoet. in Paiembang 

1851 

Gedurende den opstand in de Ampat-La^vang (Palembang) werd 
aan den Sergeant J. H. Kranevoet opgedragen om eenige prauwen 
langs de rivier naar Palembang te b^eleiden, waartoe hem tot 
dekking werd medegegeven een detachement, sterk i Europeesch 
korporaal, 3 Europeesche en 6 Inlandsche soldaten. 

Daar het transport wegens den grooten afstand eenige dagen op 
de rivier moest verblijven, werd nu en dan op geschikte punten 
aan den oever aangdegd en de prauwen vastgemaakt, ten einde 
den Inlandsche roeiers gelegenheid te geven om uit te rusten, 
want al ging 't ook stroomafwaarts, toch hadden die roeiers eene 
zeer zware taaL 

Den 6^ September 1851 te Moeara Simangoes aankomende, 
liet de Kommandant, wijl het rustuur voor de roeiers aange* 
broken was , de prauwen allen aan één tros aan den oever vast- 
leggen; daar men zich nog in vijandelijk terrein bevond, werd 
de noodige waakzaamheid in acht genomen, vooral omdat de 
oevers met dicht geboomte bedekt waren. 

De rust scheen evenals bij de vorige halten zonder stoornis te 
zuUen afloopen, toen zij eensklaps uit de dichte struiken door een 



l 



DB SEBOKANT DER IMFANTEBIB J. H. KRünSVOKT — 1861 227 

overstelpend vuur van den vijand werden begroet, en zooals 
uit het aantal schoten en het krijgsgeschreeuw op te maken was , 
moest de vijand wel 200 man sterk zijn. 

Hoewel de aanvallers zoo goed als onzichtbaar bleven, zorgde 
de Sergeant er toch voor dat hij hen door zijn vuur op een 
a&tand hield, want deed de vijand een aanval met de blanke 
wapenen, dan zou hij zich door zijn overwegend aantal, zeker 
van de kostbare lading meester maken. 

De eenigste wijze waarop het den Sergeant mogelijk zoude 
zijn om het hem toevertrouwde transport te redden, was om den 
tros, waaraan de prauwen gezamentlijk vastlagen, los te maken, 
dan met den snellen stroom af te drijven en zoo den a&tand 
tusschen hem en den vijand te vergrooten. 

£en groot ongeluk was 't echter, dat zoodra de eerste schoten 
vielen, alle roeiers in hunnen angst, en voor dat hun dit belet kon 
worden, in de rivier waren gesprongen en zwemmende een goed 
heenkomen hadden gezocht, zoodat de soldaten èn voor het 
besturen der prauwen, èn voor 't gevecht geheel aan zich zelven 
waren overgelaten. 

Terwijl het detachement met den vijand in vuurgevecht was, 
gelastte de Sergeant Kranevoet, zonder bepaald iemand te noemen, 
dat iemand den tros moest losgooien, opdat de prauwen met den 
:stroom zouden kunnen afdrijven. 

Terstond springt de Ëuropeesche korporaal Heijl over boord om 
naar den wal te gaan en het touw los te maken, doch door tal 
van vijandelijke kogels getroffen zinkt de dappere in de diepte weg. 

Dit schrikt echter de anderen niet af, en de Ëuropeesche 
soldaat J. van der Velden is terstond gereed om het voorbeeld 
van den korporaal te volgen, toen reeds een der Inlandsche 
fuseliers hem vóór was. Dezen gelukte het, over boord reikende, 
het touw met zijn kapmes door te kappen, doch door drie kogels 
in de borst getroffen stortte hij in den vloed en verdween voor 
immer, even als de korporaal Heijl 

Wd waren de prauwen nu vrij van den oever en werden terstond 
door den stroom medegesleept, zoodat de afstand tuschen hen 



228 DB SEBOKANT DSB IMFAMTEBIB J. H. KBANSVOIT — 1861 

en den vijand steeds grooter werd, en de Seigeant kon nu wel het 
transport als gered beschouwen, maar van de overblij venden waren 
helaas nog twee gesneuveld, wier lijken in de prauw lagen, terwijl 
hij zelf en de zes overblijvende militairen allen zwaar gewond waren^ 

Hoe moeielijk het ook ging, toch deed men al het mogelijke 
om de prauwen in het midden van den stroom te houden 
en zoo afdrijvende kwam het transport eindelijk behouden te 
Palembang aan. 

Het dappere dekkings-detachement verkeerde echter in een 
jammerlijken toestand, en de prauw, van waaruit het gevecht 
geleverd was, droeg de merkteekenen van 70 kogels die haar 
getroffen hadden. 

De verwondingen waren zoo zwaar en het lijden der ongelukkigen 
na den strijd was zoo hevig geweest, dat allen aan hunne wonden 
overleden , uitgenomen de Europeesche soldaat van der Velden , die 
de eenige was, die na langdurige en zorgvuldige verpleging herstelde.. 

Een bloedig drama was afgespeeld in de woeste stille wouden van 
Sumatra. Ten koste van hun leven volbrachten de dapperen hun plicht» 

De Sergeant der Infanterie L. G. Gunther Mohr in Atjeh 

1879 

Den io~ Junij 1879 zou de Sergeant L. G. Gunther Mohr 
een transport zieken en wapens van Anagaloëng (Atjeh) langs 
de Atjeh-rivier naar den Elraton brengen. Het detachement dat 
dit transport onder zijne bevelen moest dekken, bestond in 't 
geheel uit 9 Europeesche fuseliers. 

Op de 13 prauwen waaruit het konvooi bestond, werden 
ingescheept 50 zieken en 58 stellen wapens, zoomede tal van 
bedienden die van de gelegenheid profiteerden om in den 
Kraton inkoopen te gaan doen, waardoor het getal non-com- 
battanten, de Chineesche roeiers inbegrepen, tot ongeveer 100 
steeg. Ook de controleur Liefrinck vo^de zich bij de kolonne. 

De Sergeant Gunther Mohr verdeelde de vloot in drie deelen; 
vooraan 4 prauwen, beschermd door 3 Europeesche fuseliers en 
achteraan even zoo, terwijl hij zelf met 3 man en 5 prauwen de 



i 



DE 8BBGBANT DER INF. L. G. OUMTHEB HOHB — 1879 229 

hoofdmacht uitmaakte en voor alle zekerheid aan boord ging 
van de prauw, die voor den vijand de begeerlijkste zoude zijn, 
namelijk die met de 58 stellen wapens. 

Om 7 uur des morgens werden de touwen losgeworpen en 
stelde zich het konvooi stroomafwaarts in beweging. Tegen acht 
uur passeerde men Missigit Montassik en toen werd, door de 
vele kronkelingen der rivier, een deel van het drijvende transport 
voor den aanvoerder onzichtbaar. 

Plotseling werden hier de prauwen van de beide oevers door 
talrijke Atjehsche benden aangegrepen en op het eerste schot 
sprongen de vreesachtige Chineezen over boord, trots de moeite 
die de militairen aanwendden om hun dat te beletten. 

De soldaten, die het vuur van den vijand flink moesten beant- 
woorden , konden nu de prauwen niet besturen , zoodat het geheele 
konvooi in de war geraakte en met den stroom naar den oever dreef. 

Het vuur des vijands nam steeds in hevigheid toe en daardoor 
waren al spoedig zes man van het dekkings-detachement buiten 
gevecht gesteld, terwijl de zieken, ongewapend als zij waren, 
geen weerstand konden bieden. 

Toen de prauwen naar den oever dreven had er eene verschrik- 
kelijke worsteling plaats , door dat de Atjehers te water gingen en 
de ongelukkige gewonden en zieken met den klewang aanvielen, een 
bloedbad aanrichtende, dat het water der Atjeh-rivier rood kleurde. 

Op het heetst van het gevecht was de Sergeant Gunther Mohr 
nog alleen in de prauw, die langzaam naar den oever dreef en 
daar aangekomen met zijne kostbare lading zeker in de handen 
van den vijand zoude vallen. 

Daarom grijpt hij een touw, springt er mede over boord en 
sleept de prauw met alle macht stroomopwaarts, nu en dan 
geheel onder water doorgaande om ongemerkt buiten 's vijands 
bereik te kunnen komen, wijl hij hoopte dat van uit Anagaloêng 
hulp zoude opdagen, omdat men door de vele kronkelingen der 
rivier langs den landw^ nog zeer nabij dien post was. 

Eindelijk is hij uitgeput, legt de prauw aan een boom van 
den oever vast en b^eeft zich, nog steeds met zijn geweer ge- 



230 DB LUITBNANT H. C. eiLLT OK MONTBLA — 1829 

wapend aan den wal, om de zijnen te helpen of met hen te vallen. 

Op dat oogenblik rukte juist een detachement van uit Anaga- 
loéng in den looppas aan, om het konvooi te ontzetten. 

Met de heroverde prauwen werden 40 dooden en gewonden 
naar Anagalofing teruggevoerd, onder welke laatsten ook den Con- 
troleur Liefrinck, doch de vijand had de belangrijke prauw met 
vuurwapens niet kimnen bemachtigen. 

Het zij hierbij gevoegd dat zoowel de transportkommandanten 
als sommige hunner ondergeschikten wegens hun dapper en 
beleidvol gedrag door Z. M. den Koning werden beloond. 

De omstandigheden waarin beiden verkeerden waren nagenoeg 
gelijk, en de rampspoedige afloop was noch aan de aanvoerders, 
noch aan de dappere soldaten te wijten; de grootste ramp werd 
in beide gevallen veroorzaakt, door het overboord springen der 
vreesachtige roeiers. 

Herman de Ruiter voor Loevestein — 1670 

en 

Een stout stuk van den Luitenant H. C. Gilly de Montela 

in den Java-oorlog — 1829 

In de Vaderlandsche geschiedenis vinden wij als een bijzonder 
moedig feit vermeld, dat de dappere Herman de Ruiter, in het 
jaar 1570, met de zijnen in monnikspijen gehuld het fort Loevestein 
bij verrassing op de Spanjaarden veroverde , het daarna roemvol 
verdedigde en eindelijk met vriend en vijand in de lucht vloog. 

De Luitenant H. C. Gilly de Montela was gedurende den 
Java-oorlog de aanvoerder van een klein doch dapper troepje 
Inlandsche Jagers , waarmede hij als echt partijganger den vijand 
aanhoudend uit zijne schuilhoeken verdreef en nadeel toebracht 

De opstandelingen hadden zich tot eene sterke bende vereenigd 
en te Pandjang Sain versterkt en verontrustten van daar d&i 
geheelen omtrek, waar zij naar hartelust roofden, moorden en 
plunderden. 



DX LürrXNANT H. C. QlhLY DX M0NT8LA — 1829 231 

Toen de dappere Luitenant dit vernam , besloot hij terstond 
met zijne kleine macht den vijand ook uit dien schuiiho^ te 
verdrijven en toog onmiddelijk derwaarts. 

Noch met geweld, noch bij verrassing was de benting te nemen, 
want de post was te sterk voor de kleine kolonne en de opstande- 
lingen verdedigden zich moedig, en waren uiterst waakzaam. 

Toch was 't van het grootste belang dat den vijand daaruit 
verdreven werd, terwijl Gilly de Montela er niet gaarne toe 
overging om versterking aan te vragen, gewoon als hij was om 
met z^ne Jagers van het begin van den oorlog af zijne zaken 
alleen te beredderen, en ook nu wilde hij 't uiterste beproeven, 
wetende op zijne jagers te kunnen rekenen. 

Even als Herman de Ruiter bedacht hij daarom eene list, die 
hem en eenige der zijnen wel 't leven kon kosten, maar waarvan 
ook eene schitterende overwinning 't gevolg kon zijn. 

Met eenige zijner meest dappere Jagers kleedt hij zich als ge- 
woon Javaan en verbergt de rest van zijn troep in de nabijheid 
der versterking, om, met de bajonet ter hulp te snellen zoodra 
de strijd met lans en kris begonnen is. 

Ten einde zijn Europeesch voorkomen niet te verraden, maar 
toch de leiding der gevaarlijke onderneming te kunnen behouden, 
mengt hij zich, het aangezicht en de handen verborgen, tusschen 
zijne donkerkleurige Jagers in hun nationaal kostuum en belast 
een hunner met de onderhandelingen , ten einde met list toegang 
tot de sterkte te krijgen. 

Dat tiental dapperen gaat daarop recht op de poort der ver- 
sterking af, naar Javaansche gewoonte slechts gewapend met 
lans en kris, en wordt na eenig onderhandelen binnen gelaten, 
vooral omdat de sterke vijand niet vermoedde met welk doel 
zoo'n klein getal zich in 't hol van den leeuw durfde wagen. 

Eindelijk gaat de poort open; dadelijk vatten twee jagers aan 
elke zijde post om te beletten dat zij weder gesloten wordt en 
nu treedt Gilly de Montela eensklaps naar voren, ontdekt zijn 
gezicht en eischt onvoorwaardelijke overgave. 

Zoodra de aanvoerder en de opstandelingen een Europeaan 



1 



282 HST OOBLOeSSTOOMSCHIP „GKLKBBS" 

voor zich zien en den gevreesden Luitenant herkennen, trekken 
zij onmiddelijk hunne wapens en vallen op de stoutmoedige 
indringers aan , die weldra aan aUe zijden hevig bestookt worden* 

Gilly de Montela velt onmiddelijk den aanvoerder door z^e 
lans neder en dapper houden allen stand tot ook het overige 
deel der Jagers hen met de bajonet ter hulp snelt; weldra is 
de vijand met groot verlies verslagen en de sterkte in handen 
van den dapperen Luitenant, al moet hij ook het verlies van 
eenige Jagers betreuren. 

Wel behoefde hij de sterkte niet te verdedigen totdat zij in de 
lucht vloog, zooals Herman de Ruiter deed, doch zijne daad van 
onverschrokkenheid wordt door die van dien held niet overtroffen. 

Hoewel Gilly de Montela Ridder werd der Militaire Willems- 
orde 4® klasse en later bij Bondjol nog gewichtige diensten be- 
wees, zoodat hij nog tweemaal Eervol vermeld werd, zoo is zijn 
naam aan het grootste deel der Hollandsche natie toch onbekend. 

Het oorlogsschip „Pro Patria" op de Theems — 1667 

en 

Het oorlogsstoomschip „Ceiebes" op de Slakkow-rivier, 
(Westerafdeeling van Borneo) — 1853 

In de maand Jimi van het jaar 1667 had de roemrijke tocht 
naar Chattam plaats en vertoonde Admiraal de Ruijter zich met 
de dappere Hollandsche vloot voor Londen , bij welken tocht het 
stuk varen der ketting waarmede de Theems afgesloten was , door 
het Oorlogsschip Pro-Patria onder 's vijands vuur plaats had. 

Dit feit is in 's Lands geschiedboeken vermeld als bijzonder 
merkwaardig en onverschrokken, en met recht, doch eene der- 
gelijke heldendaad is ook in onze Indische oorlogen voorgekomen 
en hoewel die daad zoo goed als geheel onbekend is, is dat feit 
toch niet minder de aandacht waardig. 

Aan den linkeroever der Slakkow-rivier (Bomeo's Westkust) 
hadden de Chineesche opstandelingen bij de kampong Boen- 
temaij eene geduchte versterking opgericht, die door de onzen 



OP DK SLAKKOW-BIYIEB — 18ó3 233 

genomen en bezet moest worden, alvorens de verdere operatiën 
met vrucht te kunnen vervolgen, want Boentemaij zou als 
operatie-basis dienen bij den tocht naar Montrado, het centrum 
van den opstand. 

Omdat aan een tocht over land te vele en te groote bezwaren 
waren verbonden, werd die verovering opgedragen aan den Luitenant 
ter Zee M. Geerling, Kommandant van het Oorlogsstoomschip 
Celebes, dat door zijn geringen diepgang de bank aan de monding 
der Slakkow-rivier konde passeeren. 

Het état-major van dat Stoomschip bestond, behalve de 
reeds vermelde Kommandant, uit de Marine-officieren P. F. 
Bezemer en D. A. Coomans de Ruiter, de Adelborsten G. van 
Hekking Colenbrander, A. J. van Mansvelt en J. £. Comelissen, 
de Officier der Administratie C. Tromp en de Officier van Ge- 
zondheid J. van Dolderen; aan boord bevond zich ook nog de 
Luitenant G. J. C. A. Cochius, die het bevel voerde over een 
detachement Infanterie, dat den tocht mede zou maken om de 
landingsdivisie van het Oorlogschip te versterken. 

Den 5®° Juli 1853 stoomde de Celebes de Slakkow-rivier op 
tot de te nemen versterking in 't gezicht kwam en ook 
dadelijk opende de vijand een goed onderhouden kanon- en 
geweervuur, zoowel uit de versterking en de daarbij aangelegde 
nevenwerken, als van achter de boomen op de boschrijke oevers. 

De versterking werd verdedigd door eene daarvoor liggende 
dubbele batterij die de rivier bestreek, terwijl de nadering tot het 
fort belet werd door een staketsel over de geheele breedte van den 
stroom, waarvan de dikke ingeheide boomstammen door zware 
ijzeren kettingen verbonden waren; de opruiming dier aüsluiting 
kon niet alleen door het vuur der daarachter gelegen batterijen 
belet worden , doch het kruisvuur van eenige nevenwerken en van 
uit de kampong Boentemay, waarvan elk huis tot blokhuis 
was ingericht, maakte eene dusdanige onderneming niet alleen 
hoogst gevaarlijk, maar zelfs feitelijk onmogelijk , zoolang 'svijands 
vuur niet tot zwijgen was gebracht 



284 HBT <M»LOe68T0OM8CHIP „OELEBIS" 

Onder eene hagelbui van kogeb naderde het Stoomschip, doch 
het bleek den Kommandant al spoedig, dat het onmogelijk 
zoude zijn 's vijands vuur tot zwijgen te brengen en diens vuur- 
monden te demonteeren, alvorens de Celebes de afsluiting ge- 
passeerd zoude zijn, daar eerst dan 's vijands hoofdstelling werk- 
dadig onder vuur genomen kon worden. 

De Kommandant begreep dat alleen eene geweldadige verbreking 
van de versperring hem dat doel nader kon brengen , doch tevens ! 
was hij overtuigd van het zeer gewaagde dier onderneming, om- j 
dat 't blijken kon dat de versperring sterker was dan den boeg j 
van zijn Stoomschip en dan ging niet alleen dit verloren, doch 
daarmede ook wellicht de geheele bemanning. 

Toen hij daartoe echter zijn vast besluit genomen had, wilde 
hij ook niets nalaten wat het succes kon bevorderen; plotseling gaf 
hij last achteruit te stoomen, tot verbazing der bemanning die 
van Geerling's voornemen niets wist en tot buitengewone vreugde 
van den vijand, die aan een terugtocht dacht en het Stoomschip 
geruimen tijd, met verdubbelde kracht vurende en luid juichende 
vervolgde. 

Zoodra de Celebes door eene kronkeling der rivier aan 's vijands 
overstelpend vuur onttrokken was, liet de Kommandant de 
bemanning, die allerlei gissingen maakte, de noodige rust nemen 
en riep de Officieren bijeen, aan wie hij zijn plan ontvouwde, 
en die als echte Hollandsche zeerobben dat gevaarlijke stoute 
voornemen van harte toejuichten , even als onze voorvaderen zouden 
gedaan hebben, toen zij als reinigers der zee een bezem in den 
mast voerden. 

Nadat de noodige voorzieningen getroffen waren om den boeg 
middels boomstammen t^;en den ontzettenden schok zoo sterk 
mogelijk te maken, liet de Kommandant de steenkolen in zakken 
op het dek langs de verschansing opstapelen en zoo eene borst- 
wering vormen, waarachter de bemanning betrekkelijk beveiligd 
was tegen de vijandelijke projectielen. 

Den 6^ Juli woei het een hevigen storm vergezeld van 



OP DX SLAKKOW-RIYISB — 1863 2d& 

zware echt Indische slagregens, zoodat de ondememmg vopr dien 
dag uitgesteld moest worden. 

De 7® Juli beloofde een bijzonder prachtigen dag te worden. 

Zoodra de zon ter kimme verrees en alles voor den strijd 
gereed was, werd onder een luid hoera der bemanning Neêr- 
land's Driekleur in top geheschen en deed de Kommandant 
Geerling, op de brug staande, kort en beslist 't kommando 
<€vooruit /»» 

Onder hoogeren stoomdruk dan gewoonlijk snelde de Celebea 
trotsch vooruit, het water der rivier in schuimende golven opstu- 
wende en de sloepen , ten einde terstond de debarkementsdivisie 
aan wal te kunnen zetten, voortslepende, terwijl Holland's Banier 
vroolijk van de gaffel wapperde, als herinnerde zij zich den 
tocht op de Theems en als was zij er trotsch op dat onze brave 
zeerobben zich hunnen voorvaderen waardig toonden en een feit 
gingen bedrijven zoo stoutmoedig en gevaarlijk, dat het haren 
aiouden zoo bekenden roem gestand zou doen. 

Doch de vijand zat ook niet stil. 

Aan alle zijden ratelde het geweervuur, donderden de kanonnen 
en gilden duizenden als bezetenen, belust op den strijd en hopende 
het vaartuig andermaal tot den terugtocht te dwingen. 

Van de Celebes zelf werd geen schot gelost Alleen de Komman* 
dant was zichtbaar op de brug, met eigene vaste hand het roer 
besturende onbekommerd over het fluiten der kogels, en ge- 
hoorzaam aan die sterke hand ijlde de Celebes met volle kracht 
recht op het midden der afsluiting aan, een golf van schuim 
voor den boeg opstuwende. 

De vijand scheen eindelijk te beseffen wat het brutale voor- 
nemen van den gezagvoerder was en als waren zij aandachtige 
toeschouwers bij een interessant tooneel , zoo hielden zij eensklaps 
op met vuren en schreeuwen, zoodat alleen het zuchten der 
krachtig werkende machine gehoord werd. 

Eindelijk volgde een ontzettenden schok ! . . . Alles kraakte , maar 
de versperring barstte en splinterde uiteen en triomfantelijk gleed 



236 DX AOJUDAKT OMDSBOFÜGIKE S. C. O. TON BBBDOW 

de Celebes onder 't gejuich der bemanning onbeschadigd door I 
de verbrijzelde versperring. 

Nu was 't pleit spoedig beslecht! 

Vuur! . . . klonk Geerlings kommando en nu braakte de Celebes 
van nabij eene hagelbui van kogels uit zijne caronades, terwijl de 
landingsdivisie in de gereed gehouden sloepen sprong, naar den wal 
roeide en de bajonet in het doodelijke concert deed mede spreken. 

Weldra is de positie in onze handen en de vijand met achter- 
lating van tal van dooden en gewonden op de vlucht. 

Veertien vuurmonden van verschillend kaliber, zes vlaggen en 
een grooten voorraad wapens en munitie vielen in onze handen. 1 

Onder elk klimaat, op elke zee, in alle omstandigheden en op 
alle tijdstippen blijven Neêrland's zeehelden onder Neêrland's 
Driekleur strijdend zich zelve gelijk aan moed, beleid en trouw, en 
bewonderenswaard door schitterende wapenfeiten, het dappere 
Indische leger in 't gevaar als een broeder de hand reikende. 

Onder de vele belooningen was natuurlijk die van den Luite- 
nant ter zee M. Geerling, wien t^elijkertijd het kruis van de 
4® en de 3® klasse der Militaire Willemsorde werd to^;ekend. 

De heldendaad bij den tocht onder de Ruijter is beroemd in 
de geschiedenis , de heldendaad van M. Geerling met het Oorlogs- 
stoomschip Celebes is niet minder schoon, doch veel minder bekend. 

DAPPERE VAANDELDRAGERS 

De Acfjudant-Onderofficier E. C. O. von Bredow te Atjeh 

1873 

Den 25«» December 1873, des morgens ten acht ure, rukte 
een deel der 2® Brigade, onder de aanvoering van den Kolonel 
G. B. T. Wiggers van Kerchem, van het bivak te Penajoeng (A^eh) 
uit, tot het doen eener verkeiming in de richting van den Kraton, 
met het doel om de door de gidsen opgegevene vlakte te zoeken, 
die op den rechteroever der Atjeh-rivier tegenover dat bolwerk 
des Sultans gelegen moest zijn en eene geschikte plaats zoude 
aanbieden tot daarstelling onzer belegerings-batterijen. 

Gaandeweg ontspon zich bij die verkeiming nabij en in de 



DK ADJÜDANT-OMDBBOFFICIEB I. C. O. TON BRBDOW 237 

kampongs Berouw en Lemboe een zeer ernstig en hardnekkig 
gevecht, dat ons i Officier en 5 minderen aan dooden, zoomede 
8 Officieren en 76 onderofficieren en manschappen aan gewonden 
kostte; onder de geblesseerden behoorde ook de Brigade-Kom- 
mandant de Kolonel Wiggers van Kerchem. 

Het was een dier takijke en bloedige gevechten te A^eh 
waarbij allen wedijverden in moed en doodsverachting en waar als 
altijd het kranige y Bataljon Infanterie zijn welverdienden roem ge- 
stand deed f een roem zoo glorierijk bezegeld door het ten koste van 
Jxet bloed van zoovele braven verkregen Eeremetaal der Militaire 
Willemsorde, dat het door tallooze kogels gehavende Bataljon's 
Oranje Vaandel siert. 

Het was een wanhopigen strijd tegen een overtalrijken, goed 
gewapenden vijand, waarbij niet alleen de dapperheid van den 
troep, maar ook het groote beleid van vele Officieren en de 
diepe Godsvruchtige Trouw der nooit hoog genoeg geroemde 
Amboineesche krijgsmakkers schitterend uitblonk. 

Nadat de Kolonel Wiggers van Kerchem door zijne verwon- 
ding niet meer in staat was om het bevel te voeren en dit in 
andere handen moest overgeven, was het met goedkeuring 
der beide flinke Hoofdofficieren, den Luitenant Kolonel F. T. 
Engel en den Majoor F. P. Cavaljé , die respectievelijk het rechter- 
en linkerhalf 3® Bataljon in dit gevecht aanvoerden, en die als 
degelijke beleidvolle Chefs, wars van elke aanmatiging, slechts 
het algemeen belang op het oog hadden, dat de kundige, be- 
leidvolle en dappere Kapitein Chef van den Staf der 2® Brigade 
G. C. £. van Daalen de geheele leiding der Brigade bleef voeren, 
en dus die beide verdienstelijke Hoofdofficieren onder zijne directe 
bevelen had, omdat hij als de rechterhand van den Brigade- 
Kommandant op dat oogenblik het best over den algemeenen 
stand van het gevecht kon oordeelen en omdat beiden overtuigd 
waren, dat de leiding aan geen degelijker en doortastender aan- 
voerder kon worden toevertrouwd. 

£n de uitkomst bewees dat zij zich niet bedrogen hadden en 
dat de Elapitein van Daalen een geboren veldheer bleek. 
U 16 



288 DB ADJÜDAMT-OMDKBOFIIGIKE B. C. O, TON BBBDOW 

Zeven achtereenvolgende uren waren onze brave troepen in 
hevige actie; nergens was ook zel& maar een oogenblik van aarzeUng 
of weifeling opgemerkt, en overal was met woede en ware doods- 
verachting gestreden, doch toen des avonds de vermoeide troepen 
op het met zooveel dapperheid veroverde slagvdd bivakkeerden, 
toen verzamelden zich , alvorens zich ter ruste te leggen en krachten 
te garen voor den strijd van den volgenden dag, de heldhaftige 
Amboineesche soldaten in God's vrije natuur als in een gewijden 
tempel, en vierden gezamenlijk onder de leiding van een hunner 
het Heilige kersfeest door het zingen eenerHjmmeGod ter eere, 
welk plechtig koraalgezang zoo indrukwekkend was door het 
diepe Geloof dat daaruit sprak en zijne roerende eenvoud in 
dat stille en plechtige avonduur op dat met bloed gedrenkte 
slagveld, dat allen dien indruk gevoelden en zel& de ruwste 
krijger, zel& de meest ongevoelige naturen vol aandacht luis- 
terden, uit eerbied voor zooveel eenvoudig en waarachtig Gods- 
dienstig Gelood 

Zoowel de bijna ongeëvenaarde dapperheid der Amboineezen als 
hunne werkelijk diepgevoelde Godsdienstzin dwongen achtingen eer- 
bied af, en zelden zal de viering van Christus' geboorte zoo'n diepen 
indruk gemaakt hebben, als die tewe^ gebracht door die eenvoudige 
door geloovige , dappere soldaten verrichte plechtigheid , een indruk 
die zelf menigen gebaarden Hollandschen krijger een traan in de 
oogen drong bij de herinnering aan de makkers die dien morgen 
vol leven en lust ten strijde trokken en nu dood of verminkt ter 
neder lagen, of wel als zijne gedachten verwijlden bij zijne 
dierbaren in het Vaderland, die wellicht in diezelfde ure op- 
gingen naar het Bedehuis en in hun loflied op dien plechtigen 
feestdag eene smeekbede vlochten voor den zoon of den broeder, 
die uittrok voor het heil van het Vaderland. 

Den indruk die allen daardoor verkr^en is onuitwischbaar. 

Men vergeve deze uitweiding, doch zij schetste het beste 
zoowel de Officieren als de soldaten, die met de wapens in de 
vuist streden voor HoUand's recht en Holland's eer. 



DB ADJÜDAKT-OMDSBOFFICIEB B. C. O. TON BBBDOW 289 

De positie des vijands bestond uit vier achtereenvolgende zwaar 
bewapende en door talrijke dappere krijgers verdedigde versterkin- 
gen , die onderling door wallen verbonden waren , terwijl de A^ehers 
ook tevens den kampongrand bevestigd hadden , en het geheel met 
eene doorloopende bamboe-doerie versperring ter breedte van vijf 
meters hadden omgeven , eene hindernis die zich zelfs tot op de 
wallen voortzette, zoodat die stelling zeker bijzonder sterk, en 
met het volste recht volkomen stormvrij genoemd kon worden. 

Die wallen moesten de onzen stormenderhand veroveren en 
zij bereikten hun doel, zij het ook tot een hoogen en kostbaren 
prijs! 

Wat onze dapperen in den beginne onder 's vijands moord- 
dadig en overstelpend vuur ook beproefden, het bleek onmo- 
gelijk om met geweld door dien breeden gordel van stekelige, 
buigzame en dooreen verwarde bamboe heen te dringen; zel£3de 
grootste inspanning mocht niet baten. 

De dapperen wilden niet wijken, ^doch zij konden ook niet 
vooruit, hoe zij ook van verlangen brandden om den vijand 
met de bajonet te lijf te gaan. 

Vooraan in de voorste linie, op een der gevaarlijkste punten 
voor de Westerfece der versterking stond de Vaandeldrager E. C. O. 
von Bredow met zijne eene hand het Heilige Sijmbool van Vorst 
en Vaderland, het Oranje Vaandel waarboven Neêrland's fleren 
leeuw prijkt, rechtop houdende te midden van den kogelregen 
en onmiddelijk naast hem bevonden zich de Sergeant-majoor 
J. Bach, de Amboineesche Sergeant Latoema-ina en deAmboi- 
neesche Soldaat Pattimana, eene vaandel wacht vormende die tot 
het uiterste besloten was. 

Zij hadden allen al zoo dikwijls bewijzen gegeven vangrooten 
moed en onverschrokkenheid , terwijl de Vaandeldrager zich tijdens 
de eerste expeditie, bij den aanval op den Missigit, reeds roemrijk 
had onderscheiden, waarom hij toen ook voor eene Koninklijke 
belooning was voorgedragen. 

De toestand werd op dat punt voor de Westerface der vijandelijke 
redoute gaande weg als ^t ware onhoudbaar en slechts langzaam. 



240 01 ADJUDAMT-OMDnOrFIOIlB ■• C. O. YON BBBDOW 

te lup gy^ mtw naar het ongeduld der strijders, vorderde de opruiming 
der onoverkomdijke hindernis, wijl takje voor takje uit den ver- 
warden hoop weggetrokken moest worden, een arbeid die onder 
's vijands aanhoudenden kogelregen zoo bedaard mogelijk verricht 
diende te worden. 

Eensklaps springt de Adjudant-onderofficier-vaandeldrager £. 
C. O. von Bredow, het roemrijke Oranjevaandel hoog houdende, 
vooruit, dringt zich, de kleeren van het lijf scheurende en het 
lichaam aan de scherpe doornen tot bloedens toe verwondende, 
door de versperring heen en plaatst zich met dat Heilige Symbod 
van het y Bataljon aan den voet der borstwering, tegenover de 
woedende verdedigers. 

In diezelfde spontane volvoering eener helden-ingeving zijnde 
Seigeant-majoor Bach, de Sergeant Latoema-ina en de Soldaat 
Patimana met ongeloof elijke inspanning von Bredow gevolgd, 
en trachtten door hun vuur èn Vaandel èn vaandeldrager te 
beschermen. 

Dit ziende dringt de geheele linie als één man voorwaarts om 
dat Veldteeken dat zich in groot gevaar bevindt, te bereiken, dodi 
allen stuiten tegen den hoogen en breeden ondoordringbaren muur 
van bamboe-doerie, en een gebrul van woede stijgt uit de ge- 
lederen der Amboineezen op, omdat al hunne pogingen ijdel blijken. 

Slechts aan de Elapiteins, A. P. Bindervoet van Nahuijs en 
C. A. van Randwijk, zoomede de Luitenants, C. £. J. Schweijs, 
B. R. L. de Sturler en A. F. d'Amaud Gerkens gelukt het nog 
het Vaandel te bereiken, maar ook dat kleine troepje met dat 
Vaandel in hun midden kunnen nu niet verder en zijn in de 
doornstruiken verward , want eenzelfde bamboe-doerie-laag scheidt 
hen nog van den top der borstwering, die nu weder even als de 
voorgaande tak voor tak opgeruimd moet worden. 

Met onstuimige haast reppen zich alle handen aan de oprui- 
ming, terwijl de soldaat Patimana reeds gesneuveld en de sergeant 
Latoema-ina zwaar gewond is. 

Eindelijk, na eene bovenmenschelijke inspanning onder 's vijands 
,vuur en den brandenden gloed der tropische zon komt er ruimte 



DX ADJÜDIHT-OIIDXBOFFIOIBB K. G. O. TON BBXDOW 241 

in de hindernis; meerdere dapperen vo^en zich bij het te midden 
van den kruitdamp wapperende Oranje Vaandel en weldra 
storten zij zich, dat gdiefde Veldteeken volgende, onder luid 
gejuich op den vijand, die na een hevigen strijd van man tegen 
man, van bajonet tegen klewang en lans de moedig verdedigde 
sterkte ontruimt, 36 dooden in de handen der overwinnaars 
achterlatende. 

£n naast dat roemrijk overwinnend Oranje Vaandel, dat op 
de borstwering geplant zegevierend boven de hoofden der strijders 
wapperde, klonk het forsdi geblazen geliefde Wilhehnus met het 
onstuimig ^^a-geroep der brave Amboineezen, ten teeken dat 
het 3® Bataljon weder eene glansrijke overwinning behaald had. 

Dit heldenfeit greep plaats, zooals gezegd is , den 25^ December 
1873 en reeds den 24*^ Januari 1874, dus 30 dagen later, kwam 
de tijding dat Z. M. onzen beminden Koning per telegraaf het 
bericht had doen zenden, dat de drie dapperen de Adjudant- 
Onderofficier Vaandeldrager E. C. O. van Bredow, de Sergeant- 
majoor J. Bach en de Amboineesche sergeant Latoema-ina voor 
hun schitterend gedrag waren benoemd tot Ridder der Militaire 
Willemsorde 4® klasse. 

Eene onverschrokkene daad en eene schoone belooning die het 
hart van alle medestrijders en vooral die van het 3® Bataljon 
met trots vervulde. 

De Acfjudant-Onderofficier B. van Weenen. 

Het schitterende en dappere gedrag van den Adjudant-onder- 
officier-vaandeldrager B. van Weenen op 26 Juli 1874 bij de 
inneming van Soerian, is reeds bij dat wapenfeit, op blz. 354 en 
volgende, i® Deel, beschreven. 

De AcUudant-Onderofficier Q. Koolhof. 

Den 7^ Juni 1878 rukte eene kolonne sterk twee kompagnifin 
Infanterie, onder aanvoering van den Majoor E. Pernè, naar het 






242 DB AOJimAllT-ONDSBOrFIOIIB e» KOOLHOF 

landschap Gedong (Oostkust Sumatra) op, welks Vorst, Toekoe 
Tjikik, den strijd tegen ons gezag niet wüde opgeven en daarom 
door kracht van wapenen daartoe gedwongen moest worden. 

De ovennachtige vijand, die zich door voortdurend luid bidden 
in een staat van opgewondenheid gebracht had en waarvan eea 
groot aantal zich als voorvechter ten deode hadden gewijd, 
hield moedig stand en deed trots zijne talrijke verliezen , her* 
haaldelijk in groote massa's verwoede klewang-aanvallen. 

Hevig werd er dien dag gestreden en dapper sloegen onze braven 
den vijand overal terug, doch nu bleek het dat de aangelegde ver- 
sterkingen, door een talrijken, strijdlustigen en opgewonden vqand 
verdedigd, van dien aard waren, dat het onmogelijk zoude zijn, 
zelfs ten koste der grootste verliezen, om hem met de kleine be- 
schikbare macht daaruit te verdrijven, zoodat de aanvoerder 
besloot den strijd af te breken, vooral ook omdat het hevige ge- 
vecht het reeds noodig had gemaakt om de reserve-munitie aan 
te spreken. 

De kolonne trok, hoewel telkens bestookt door den nu over* 
moedig geworden vijand, in goede orde terug, en betrok op een 
a&tand van één uur gaans van het landschap Gedong eene sterke 
stelling, ten einde de noodige versterkingen daar af te wachten. 

Den 19^° Juni 1878 stond in die stelling voor een nieuwen 
aanval op Gedong gereed, eene kolonne sterk 31 Officieren, 502 
Europeesche en 529 Inlandsche Onderofficieren en manschappen, 
waaronder eene kranige Amboineesche kompagnie van het 3® 
Bataljon Infanterie, zoomede 4 stukken veldgeschut en twee 
mortieren; deze macht zoude oprukken onder de bevelen van 
den beleidvollen en dapperen Majoor W. A. Coblijn. 

De opmarsch werd in den beginne zeer vertraagd, wijl de 
kolonne zeer smalle voetpaden moest volgen, waarop hoogstens 
met twee man in front gemarcheerd kon worden, zoodat men 
eerst na twee uur marcheerens eene opene vlakte bereikte, waar 
terstond de gevechtsformatie aangenomen werd. 

Gedurende het oprukken naar 's vijands geduchte versterking 



Dl ADJÜDAKT-OMDBROFFICIEB O. KOOLHOF 24B 

te Blang Pria, die deze onneembaar achtte, werd dé kolonne 
voortdurend door geweervuur en klewang-aanvallen bestookt , die 
ons verscheidene gewonden bezorgden, doch onvervaard trok 
de troep in de aangenomene gevechtsformatie voorwaarts op het 
doel af, tot zij op 200 pas der vijandelijke stelling gekomen was. 

Terwijl nu de Infanterie langzaam in verspreide orde voorwaarts 
ging, had de Artillerie door goed gerichte schoten uit eene 
gunstige stelling den aanval voorbereid , waarop de voor den storm 
aangewezene kolonnes onder luid gejuich voorwaarts rukten, door 
den vijand met een moorddadig geweer- en kanonvuur en een 
uitdagend krijgsgeschreeuw begroet 

Vooraan, allen vooruit, stormt de Adjudant-onderofficier- vaan- 
deldrager G. Koolhof, die te midden van den kogelregen, inde 
eene hand het wapperende Oranje Vaandel van het 14® Bataljon 
Infanterie en in de andere zijn deugdelijk zwaard houdende, 
zijne dappere kameraden den weg wijst ter overwinning of ter 
dood , en allen volgen juichend dat schitterend Symbool , met de 
Luitenant A. H. Kalis en de Fourier de Neve aan het hoofd. 

Op eenige passen van den vijandelijken wal wordt dien onstui- 
migen aanloop een oogenbUk door eene bamboe-doerie versper- 
•ring gestuit; weldra echter hadden Koolhof en Kalis met hunne 
sabels daarin eene opening gekapt, waardoor de Vaandeldrager 
zich het eerst met zijn Vaandel heen wringt, onmiddellijk door Kalis 
«n de Neve gevolgd en daarop terstond den wal beklimt, het 
Oranje dundoek, waarboven Neêrland's Leeuw in de zon schitterde, 
den vijand uitdagend te gemoet dragende, terwijl de storm- 
kolonne bezig is de bamboe-doerie hinderpaal te overwinnen. 

Nauwelijks verschijnt het veldteeken van het 14® Bataljon 
«door vaste hand gedragen boven op de vijandelijke borstwering, 
of een talrijke vijand doet op die drie dapperen een uiterst 
verwoeden aanval, waardoor zoowel de Luitenant Kalis als de 
Fourier de Neve den heldendood stierven, doch onvervaard en 
onverwonnen staat Koolhof fier opgericht te midden van den 
kruitdamp, op meesterlijke wijze zijn zwaard voerende tot verde- 
diging van het hem toevertrouwde Heiligdom, zoodat vele belagers 



244 



DB ADJUDAMT-OMDKBOrFIOIlB •• KOOLHOF 



hunne vermetelheid met den dood boeten, terwijl de dapptit 
Vaandeldrager als door een wonder ongedeerd blijft naast zijn 
dierbaar kleinood, dat vast in den vijandelijken wal geplant, 
als 't ware den held die het voert met de schaduw van zijn 
Oranje-doek schijnt te beschermen. 

Slechts een kort oogenblik stond de held alleen, want weldra 
njn de makkers naast hem en nu volgde een verschrikkelijk 
l^oedig handgemeen waardoor de versterking veroverd werd en 
waaraan ook Koolhof ijverig deelnam, steeds met het Vaandel 
vooraan den w^ wijzende. 

£n dat de strijd hevig was geweest, bleek uit het feit dat de 
vijand i88 dooden in de versterking achterliet, terwijl van onze 
zijde twee Officieren en vier minderen sneuvelden, zoomede 
I Offider en 45 minderen gewond werden. 

Het was volbracht! . . . 

Weer was getoond hoe b^;eesterend de invloed is der ons 
zoo dierbare Oranje kleur, de kleur van Neêrland's Vorstenhuis, 
op den strijdenden troep, als een man zooals G. Koolhof meteen 
ridderlijk hart en eene vaste hand met dat Vaandel voorgaat 

Niet alleen oogste deze dappere Vaandddrager van allen den 
hoogsten lof en de oprechste bewondering in, maar ook Z. M« 
den Koning schonk hem het Eeremetaal der Militaire Willemsorde. 



De Hulp-wapens 



.... n eet des choses dans la vie 
Dont on ne pent jager bien sainement, 
Qn'en les voyant de prés et par evenement 

DucBBKAU, les Coosins. 



In het algemeen kan men zeggen, dat bij den voortdurenden 
heldhaftigen strijd die ons dapper Indisch Leger moet voeren, 
om in die uitgestrekte bezittingen met zoo'n talrijke, in zoovele 
verschillende nationaliteiten verdeelde bevolking ons oppergezag 
te handhaven, de daden van moed, beleid en trouw der speciaal 
voor het gevecht bestemde troepen-soorten meer op den voor- 
grond treden en meer de aandacht der natie trekken, dan die 
der Hulp-wapens en dat hunne werkelijke ridderlijke verdiensten 
daardoor wel eenigzins op den achtergrond worden gedrongen 
en overschaduwd, hoewel hunne diensten voor ons krijgvoerend 
Leger nooit hoog genoeg te waardeeren zijn. 

Velen dier zoogenaamde non-combattanten waren dikwijls niet 
minder dan de anderen aan gevaar blootgesteld en deden in 
tallooze gevallen in ridderlijke militaire deugden voor hunne 
makkers der vechttroepen niet onder, ja zelfs werd van hen dan 
somtijds nog meer zelfverloochening, nog meer kalmen moed ver- 
eischt, door de betrekkelijk lijdelijke rol die zij vervulden. 

Daar toch waar de strijders met het dood aanbrengend wapen 
in de vuist geklemd op den vijand instormen en soms hun leven 
als 't ware roekeloos prijs geven , waar zij , geprikkeld door den kruit- 
damp en het aanvurende van den strijd zelf, opgewekt door het 
knallen en ratden van het geweervuur en het gedonder der vuur- 
monden, med^esleept door de woede van het gevecht en de 
juichkreten der dapperen die het dierlijke, het tijgerachtige in 
den mensch opwekken , en aangespoord door den lust om boven 



246 MIIJTAIBB ADMIKIST&ATIB 

de makkers in dapperheid uit te blinken, als helden strijden, 
daar nemen de Hulp-wapens slechts tijdelijk aan den str^d 
deel en missen al die belangrijke factoren die tot het ver- 
richten van heldendaden aanvuren, daar moeten zij, soms onder 
een moorddadig vijandelijk vuur, hunne taak bedaard, omzichtig 
en zonder eenige opwinding vervullen, als bestond er voor hen 
geen gevaar en als was er niets dat hen hinderde. 

De non-combattanten kennen dat medeslepende en opwindende 
van den eigenlijken strijd en de aansporing ter overwinning niet 
zooals de combattanten, of liever zij mogen dat niet kennen, 
want als zij daaraan gehoor gaven, zouden zij hunnen plicht 
verzaken. £lke edele opwelling tot roemrijke daden moeten zq 
dus, getrouw aan hunne lijdelijke taak, met kracht en geweld 
onderdrukken, hoe moeielijk dat voor de dappere zonen van 
Nederland ook is. 

Militaire Administratie 

De Militaire Administratie van het L^;er verkeert wel eene 
enkele maal, doch hoogst zelden in gevaar en vervult gewoonlqk 
hare zoo onmisbare en gewichtige taak, om voor de approvian- 
deering der troepen te zorgen , met een boven allen lof verheven 
ijver, hoewel de omstandigheden hare toewijding en volharding 
dikweri op eene zware proef stellen. 

Tal van Officieren en ondergeschikten der Militaire Administratie 
werden voor hun loffelijk gedrag te velde eervol vermeld en voor 
hunne gewichtige diensten op eene andere wijze beloond dan 
met de Militaire Willemsorde. 

Het is zeUs voorgekomen dat bij gebrek aan Infanterie Officieren, 
Officieren der Administratie dapper de taak der makkers over- 
namen, zoo o. a. de Luitenant Kwartiermeester J. Muller hq 
den kranigen terugtocht van het Rechter-half lo^ Bataljon In- 
fanterie op 31 Dec. 1874 uit Loöng, waarbij deze dappere Admi- 
nistratie Officier aan het hoofd eener Infanterie-afdeeling sneuvelde. 



247 



Geneeskundige Dienst (Ambulances) 



Onder de non'-combattanten bekleedt ontegenzeggelijk onze 
nooit genoeg te roemen Geneeskundige Dienst en meer speciaal 
het Ambulance personeel dat de opereerende kolonnes volgt 
eene eerste. plaats; met nooit volprezen toewijding en onder de 
grootste gevaren blijven zij hunne edele menschen^-reddende taak 
vervullen. 

Is voor den werkelijken strijder beleid» moed, zelfopoffering, 
volharding en doodsverachting noodig en kan het geen kwaad 
als hij zijn wapen, door opwinding gedreven, bijzonder hard- 
handig hanteert, voor den geneesheer en zijne helpers, die te 
midden der gevaren de gewonde krijgers moeten helpen en al wie 
lijdt of verminkt wordt ter zijde moeten staan , zijn diezelfde schoone 
militaire deugden noodig, maar daarbij moet hunne hand vast en 
zacht, hun oog helder en hun geest uiterst kalm blijven en 
dat terwijl het vijandelijke lood hen aan alle zijden om de ooren 
fluit en sist en zij zelve, of de gewonden die zij verplegen, ge* 
troffen worden door de dikwerf als hagel rondvliegende projectielen. 

£n dan die lange, doodelijk afmattende oorlogsmarschen , 
waarbij de combattant alleen voor zich zelven of voor zijn rijdier 
behoeft te zorgen en volhardend voortrukt, want aan het einde 
wacht hem de rust; de geneesheer echter moet gedurende den 
langen moeielijken tocht voor zijne zieken en gewonden zorgen 
en trachten hun lijden zooveel mogelijk te verzachten, doch is 
hij dan eindelijk op de rustplaats aangekomen, zoo is er voor 
de zorgzame man nog geene rust te vinden, want zijn plicht, zoo 
schoon en verheven als hij die opvat, roept hem weder bij zijne 
lijders, die hij steeds rusteloos en zelfverloochenend verpleegt 

Hoe dikwerf doet zich ook niet het geval voor, dat al de 
kunde, al de toewijding en al de zorg van den dapperen mensch- 
lievenden geneesheer ontoereikend blijken om de gevolgen der 
vreeselijke verwonding te keeren en dat de lijder, die hij voor 
het Vaderland en het L^er hoopte te kunnen behouden, onder 
zijne handen den geest geeft. Die oogenblikken zijn voor den 






248 eiNKBsiUNDiex dunst (ambülanobs) 

geneesheer het smartelijkst, want hij stelt er zijne eer en z^ 
roem niet in om wonden te slaan en menschenlevens te ver- 
nietigen, maar om al wat lijdt te helpen en te behouden. 

Maar vooral bange en vreesdijke oogenblikken zijn het voor 
den ijverigen en zorgvoüen geneesheer, als hem, die zoogaane 
zoude helpen, door noodlottige omstandigheden alles daartoe 
ontbreekt, en hij dus machteloos staat tegenover de ellende en 
het lijden der makkers, een toestand zoo treffend, dat men zelf 
geneesheer moet zijn om die diepe wanhopige smart te kunna 
beseffen, want al is de leek daardoor getroffen, hij bevroedt niet 
wat de geneesheer opmerkt, wiens kundigen blik des te dieper 
de ellende peilt en hem beter de gevolgen doet kennen, terwijl 
toch allen van hem redding en hulp verwachten, die hij niet in 
staat is te geven, sooals het noodig is. 

De Inlandsche vijand kent geene Cotweniie van Genève , weet niets 
van het Roode Kruis ^ stoort zich aan geen gevoel van mensche- 
lijkheid en zal zich niet ontzien om de Ambulance te beschieten 
of met den klewang aan te vallen en zoowel den geneesheer als de 
helpers, de zieken en de gewonden die hem in handen vallen af te 
maken , zoodat de Chef der Ambulance steeds moet acht geven , dat 
zijne aldeeling veilig onder de bescherming van andere troepen is. 

Het is zelfs voorgekomen dat gewonde Atjehers, die ons in 
handen vielen, den geneesheer, die hen op het slagveld liefder^l 
verbond en verzorgde, met het eerste voorwerp het beste dat 
hen gedurende die menschlievende dienst in handen kwam, trachtten 
te verwonden of te vermoorden. 

In de burger-maatschappij is de roeping van den geneesheer 
edel en schoon, maar te velde is die grootsch en verheven en 
hoewel die taak dan met recht als de moeielijkste te beschouwen 
is, toch treedt zij minder op den voorgrond; de geneesheer vindt 
dan zijne grootste belooning in de loffelijke vervulling van de op 
op hem rustende plichten der menschdijkheid en de dankbaarheid 
van hen die hij door zijne kunde en wetenschap redde of wier 
lijden hij verzachtte , want hoe bewonderenswaardig en volhardend 



eXNEBSKUMOias DimsT (ambülanobs) 249 

hij ook zijne roeping altijd vervult, toch worden zijne verdiensten 
in 't algemeen steeds in de schaduw gesteld , door de schitterende 
daden van de onverschrokkene strijders der andere troepensoorten. 
De titel van Officier van gezondheid van het Indische Leger ^ is 
een bewijs van adeldom der ziel , een eere^-titel die al wat grootsch 
en edel is in zich bevat, want onze brave geneesheeren zijneen 
voorbeeld zoowel van kunde, toewijding, menschlievendheid, plichts- 
betrachting en zelfverloochening, als van moed, beleid en trouw. 

Meestentijds zwijgt de geschiedenis onzer veldtochten van dé 
loffelijke daden door de geneesheeren of het personeel der 
Ambulances verricht en toch zouden tal van namen te noemen 
zijn van hen, die zich waarlijk als helden gedroegen. 

Als een bewijs daarvoor kunnen de volgende voorbeelden uit 
de laatst verleppen 40 jaren dienen. 

Bij afzonderlijk besluit werd 'sKonings bijzondere tevredenheid 
betuigd over de zelfopoffering waarmede de navolgende militairen 
behulpzaam zijn geweest bij het verplegen der Cholera-lijders 
(2® expeditie tegen Atjeh) de ziekenoppassers F. Rosenthal, 
C. Brokke, W. S. Kraa, J. van Doom en J. Winden en de hos^- 
pitaal bediende K. H. Hemgreen. 

Van den Dirigeerend Officier van gezondheid T. J. Jorritsma^ 
die door Z. M. den Koning voor de 2® expeditie tegen Atjeh 
begiftigd werd met het Ridderkruis van de Orde van den Neder* 
landschen Leeuw, schrijft de Majoor der Grenie £. B. Kielstra 
in zijn Standaardwerk, nMBeschrijving van den Atjeh^oorlog ^wi^. 

«««Zij , die aan het strand van Atjeh met zooveel zoig 
«««zijn verple^d geworden, herdenken daarbij met dankbaar- 
«««heid den man, die de ziel was van den geneeskundigen 
«««dienst aldaar, den Dirigeerend Officier van gezondheid 
««T. J. Jorritsma; met de hem toegevende geneesheeren 
««wedijverde deze ««ijverige en voortreffelijke man»», zooals 
«««de Opperbevelhebber hem noemde, in toewijding.»»» 



260 eiMiisKiniDies dunst (ambülakobs) 

waaraan de Schrijver in eene noot toevo^, 

cccDoor deze woorden neer te schrijven, wijken w^ af 
cc«van den r^;el, in ons werk geen personen te beoordeden. 
cc«Doch t^enoverden Heer Jorritsma, die in 1877 op A^di's 
«««strand (te Analaboe) den dood vond, was ons deze afw^ 
«««king een plicht, dien, naar wij vertrouwen, geen onzer 
«««lezers zal wraken.»»» 

De ziekenoppasser J. H. Geden, die bij het gevecht te T]ot- 
Rang den 7^ Augustus 1882 als eenig verbandmeester, onder 
's vijands hevigste en moorddadigste vuur de gewonden hielp en 
verbond en daarmede voortging ofschoon hij zelf tweemaal getrofien 
was. Hij gaf zijne edele, heldhaftige taak eerst op, toen hij, ten 
derde male gewond zijnde, buiten staat was anderen te helpai 
en zelf gedragen moest worden. 

De Officier van Gezondheid i® klasse S. Ujlaki, die bij het 
onheil, dat de kolonne van den Overste P. van Lawick vaa 
F^bst op den 28^ Augustus 1894 te Tjakra N^;ara (Lombok) 
ondervond, met de lEompagnie van den Kapitein J. C. lindgreen 
werd ingesloten en later krijgsgevangen gemaakt Ofischoon aan- 
houdend dag en nacht beschoten, gaf hij trots den kogebr^;eD 
zijne taak om de gewonden te helpen en te verzorgen geen 
oogenblik op, zich zelven geen rust en zelfs geen voedsel gun- 
nende om daarmede des te beter de lijders te kunnen helpen; 
door zijn initiatief en vindingrijkheid voorzag hij zoo goed mogdijk 
in de verloren geraakte instrumenten, genees- en verbandmiddelen 
en hoe wanhopig droevig de toestand ook was toch behield 
hij steeds moed en kalmte, al bloedde hem ook 't hart door 
't lijden der gewonden, wier smart hij slechts gedeeltelijk ver- 
zachten kon. 

De Hospitaal bediende H. Loverink, die bij die insluiting zijn 
Chef D' S. Ujlaki als een held ter zijde stond. 



eBNXBSKUNDiaB DIBNST (aMBITLANOBS) 251 

De Hospitaal bediende H. H.H. Loontjes bij diezelfde kolonne, 
die den hem toevertrouwden zieke zel£s in het hevigste vuur niet 
verliet en met kogels doorboord naast de draagbaar gevonden 
werd, de tandoe nog vasthoudende als wilde hij den reeds ge- 
sneuvelden lijder nog beschermen. 

£n dan allen die, behalve D' S. Ujlaki, H. Loverink en 
J. H. Geelen hierboven genoemd, benoemd werden tot Ridders 
der Militaire Willemsorde, onder welke er zijn die bovendi^inog 
eervol vermeld werden. 

Benoemd tot Ridder der Militaire Willemsorde 4® klasse*),. 

De Officieren van Gezondheid ^ klasse 

A. Cochius — J. A. Einthoven — N. P. van der Stok — K, 
C. J. T. van Hardenbergh — J. J. Postma — P. C. van Goens 

— J. W. Portengen — J. C. P. Kats — L. Prochnik en 
P. J. M. Fiebig. 

De Officieren van Gezondheid 2^ klasse 

J. L. G. Ie Rutte — G. Luchtmans — P. W. A. Beijen — 
H. D. Roskes — H. Greve — W. J. Oosterhoff — G. Sinia — 
E. C. van Minkelen — S. Hartog — J. C. Gaerthé — J. M. E. 
Künert — P. J. K. Döring — W. Hamaker — P. Schijff — 
K. Ross — J. Schülein — W. J. H. Timmermans — J. E^ 
Janzen — ]. van der Wal — J. A. Tamson — F. A. Karthaus 

— M. Steensma — C. van der Meer — L. A. Demmers — 
E. Razoux Kühr — J. J. Koumans — W. J. van der Min — 
S. F. W. van Hasselt en S. S3rpkens Brousson. 

De Officieren van Gezondheid j® klasse 

L. C. A. Rombach — J. Semmelink — J. M. Munniksdejongk 
en F. S. Pauli. 



•) De vermelde rang is die waarin zy tot Ridder benoemd werden. 



252 DS OFnomt van «ueomdhbid c. ds MOOU — 1878 

Dê ZUkimoaden, Zükinoppassêrs en HospitaalbêiüendeH, 

A. Gerzner — J. Rietschi — H. L. J. M. van Ishoven — 
C. van Putten — B. Peppink — A. J. Muls — H. J. Poolman — 
L. J. Nollet — F. D. Schenk — C. W. Begdinger — J. Ie 
Feber — H. T. Klawen — F. J. J. Brakkee en H. Wifckmana 

De Officier van Gezondheid 1« Idasse C. de Mooy 
met de Ambulance op den tocht naar Teiolc Kacyoe (Aljeh) 

1878 

Als een voorbeeld van datgene waartoe onze Geneeskundige 
dienst in Indie in staat is, welke nooit te waardeeren diensten 
zij te velde verleent en hoe hoog zij haren plicht van zorg en 
menschelijkheid opvat, diene de hieronder volgende beschrijving 
van de verrichtingen der Ambulance op den driedaagschen tocht 
naar Telok Kadjoe, op de Noord-Oostkust van Sumatra, gedu- 
rende den ii«», I2~ en I3«° Mei 1878. 

Den 28«° en 29®° April zoomede den 3** Mei 1878 hadden 
de vijandelijke benden van Toekoe di Tiroe beproefd, om zich 
door hardnekkige aanvallen stormenderhand van onze sterkte 
te Segli meester te maken en de zwakke bezetting over de kling 
te jagen, doch het garnizoen wist, bijgestaan door hetterreede 
liggende Oorlogsschip, den aanval glansrijk af te slaan en den 
vijand met bebloede koppen terug te werpen. 

De toenmalige Gouverneur van Atjeh, de Kolonel der Infan- 
terie K. van der Heijden , besloot met zijne gewone voortvarend- 
heid om eene expeditionaire kolonne samen te stellen, ten einde 
den vijand in zijn eigene kampongs te bestoken en te tuchtigen. 

Den 6^ Mei begon reeds de ontscheping der van Oleh-Leh 
gezonden troepen en den 8®° Mei daaraanvolgende was eene macht 
ter sterkte van 26 Officieren 244 Europeesche en 451 Inlandsche 
onderofficieren en manschappen, met twee sectien berggeschut en 
twee mortieren, onder het opperbevel van den Majoor der In- 
fanterie W. A. Coblijn te Segli in een bivak vereenigd. 



DB OFFICIES VAN GBZONDHBID O. DB MOOU — 1878 258 

Als Chef der ambulance bij de kolonne trad op de Officier 
van Gezondheid i® klasse gedetacheerd van het Nederlandsche 
Leger C. de Mooij, aan wien Z. M. de Koning voor dezen 
tocht de gouden kroon voor eervolle vermelding schonk. 

Hij is dezelfde D^ de Mooij, die later als Kolonel den mili- 
tairen dienst verliet en geleid door zijne te velde opgedane onder- 
vinding voortdurend bezig was en bleef om door praktische 
middelen de verpleging en het vervoer van zieken en gewonden 
tot de hoogst mogelijke volmaaktheid op te voeren en de hoogst 
treurige gevolgen van den bloedigen krijg tot een minimum te 
beperken. 

Zoo vond hij de rottan- en koord verbanden uit, die in den 
korst mogelijken tijd het verbinden der zwaarste verwondingen 
mogelijk maakte , construeerde eene raderbaar om de gewonden op 
de meest geaccidenteerde terreinen zonder schokken en met bespa- 
ring van arbeidskrachten te vervoeren en stelde eene model-tent te 
samen die gemakkelijk op te slaan was, en bij groote inwendige 
ruimte veel beschutting bood en weinig plaats innam, welke 
uitvindingen in den laatsten Zuid-Afrikaanschen oorlog proefonder- 
vindelijk zóó doelmatig en nuttig werden bevonden, dat de 
kimdige geneesheeren van het Roode Exuis , die daarvan gebruik 
maakten , hem hunne bewondering niet konden verheelen en den 
uitvinder den meesten lof toezwaaiden. 

Terwijl den 8***, g^ en io«° Mei door kleine kolonnes de 
noodige voorbereidende verkenningen gemaakt werden, was 
Dr. de Mooij, die zich weinig rust gunde, aanhoudend bezig ge- 
weest, om op praktische wijze eene veld-ambulance in het bivak 
op te richten, waar de zieken en gewonden verpleegd zouden 
kunnen worden onder toezicht van den Officier van Gezondheid 2* 
klasse C. O. Gelpke. 

Den 1 1^ Mei des morgens ten 7 uur stond de geheele kolonne 
voor den tocht naar Telok Kadjoe gereed, nog versterkt door 
125 bajonnetten der Marine landingsdivisie, terwijl de Officier 
Il 17 



254 I» OmOISB tan OIZOHDHSID o. DB MOOIj — 1878 

van Gezondheid der Kon. Ned. Marine, Thomson, aan den Chef 
der Ambulance was toegevoq^d. 

Dien dag Het zich geen vijand zien, doch de troep had een 
uiterst vermoeienden marsch in de brandende tropiscdie sou, 
over het door de menigvuldig gevallene regens (xider water staande 
Sawah-terreinen, waarbij de manschappen somtijds tot over de 
knieën door de modder waadden en zich met moeite voort- 
sleepten , zoowel de muildieren als de paarden nn en dan slechts 
door menschelijke hulp op de been konden blijven en de 
artillerievoertuigen tot aan de assen in den doorweekten moe- 
rassigen bodem wegzakten, terwijl bovendien de vrij breede 
Pedir-rivier op eene waadbare plaats tot over de heupen door- 
waad moest worden. 

Na een marsch van 8} uur, in welken tijd slechts i8 kilometer 
kon worden a%el^d, bereikte de troep, door de vele inspanning 
uiterst vermoeid, de kampong Bambie, waar de kolonne in caxré- 
formatie het bivak betrok. 

Gedurende dien tocht op den eersten dag in die moeielijk be- 
gaanbare terreinen moest de Ambulance gaandeweg een idjf en 
twint^tal zieken opnemen, verzorgen en middels dragers ver- 
voeren, daar deze door overmatige vermoeienis, of door de hev%e 
hitte bevangen neervielen; dien dag voorzag D' de Mooij zoo 
goed als alleen in den afinattenden dienst, daar ook weldra de 
Officier van Gezondheid Thomson ongesteld werd. 

Van den onvermoeibaren ijverigen Chef der ambulance werd 
de uiterste inspanning vereisdit, daar hij niet alleen voortdurend 
bij het vervoer der zieken tegenwoordig was en bij de moeieiijkste 
gedeelten zelfe daadwerkelijken bijstand verleende, maar teftens 
was hij dan hier, dan weder daar noodig om geneeskundige 
hulp en raad te verieenen, of een bez wijkenden krijgsmakker in 
de Ambulance te doen opnemen, doch alles deed hij vroolijk, 
flink en tactvol en op zijn opgeruimd gelaat was geen spoor van 
vermoeienis te lezen. Het was alsof noch de inspanning, noch de 
warmte hem deerde. 

Konden in het bivak zij, die voor het oogenblik niet behoefden 



DS OmCIKB TAN eSZOKDHSID C. DB MOOU — 1878 255 

te waken, zich aan de rust overgeven, aan den ijver der ambu- 
lancedienst werden hoogere eischen gesteld, want al liet de 
vijand de kolonne dien nacht met rust, zoo viel toch aan- 
houdend de regen bij stroomen neder en wijl daardoor het 
aantal ziek^i sterk toenam, was D*^ Mooij ook bijna den geheelen 
nacht druk in de weer. 

Den volgenden morgen zeer vro^ bereikte een transport levens- 
middelen van Segli het bivak , en Dr. de Mooij nam die gelegenheid 
te baat om de zieken die gedragen moesten worden terug te 
zenden, waaronder ook Dr. Thomson, benevens twee Kapiteins 
en een Luitenant 

Het moeielijkste en gevaarlijkste van den tocht moest nog 
komen en nu reeds was Dr. de Mooij als eenige geneesheer bij 
de kolonne. Als ook hij bezweek was men zonder geneeskundige 
hulp, doch de vlugge, lenige, sterke, flinke en altijd opgeruimde 
geneesheer zoude toonen, dat hij voor geen klein geruchtje ver- 
vaard was. 

Den 12^ Mei werd des morgens om acht uur, zoo goed 
mogelijk in gevechts formatie voortrukkende, den tocht vervolgd, 
en weder was wegens de vele beletselen en diep modderige sawah- 
velden die overgetrokken moesten worden de marsch uiterst 
bezwarend, zoodat eerst om i uur des middags, dus na 5 uur 
worstelens met de terreinhindemissen , kampong Bemai werd 
bereikt, hoewel de afistand slechts 6 KM. bedroeg. 

De Ambulance en hare brave Chef hadden weer ruim hun 
deel aan de vermoeienissen gehad en het oogenblik rust dat nu 
genoten kon worden was zeker ruimschoots verdiend , doch D' de 
Mooij kon aan rust niet denken, want er werd een hevigen tegen- 
stand van uit Telok Kadjoe en kampong Ario verwacht nadat 
de kampong Bemai gepasseerd zoude zijn, en dus gingdezorg- 
voUe Chef nog eens alles onderzoeken, opdat de gewonden zoo 
spoedig mogelijk geholpen en verbonden zouden kunnen worden. 

Toen de kolonne uit de kampong Bemai in de richting van Telok 
Kadjoe op de Sawah deboucheerde , opende de vijand dadelijk 



256 DS OmCIKR van OBZONDHSID C. DB MOOU 1878 

een goed onderhouden geweervuur op de over de modderige 
sawah voortworstelenden troep, en weldra was deze door tallooze, 
woest tierende en druk schietende vijandelijke benden omzwermd, 
die van elk voordeel dat het terrein hen bood oordeelkundig ge- 
bruik maakten , om de moeielijk avanceerende kolonne te bestoken, 
doch deze, afdoende door hare flankdekkingen beschermd, 
rukte ona^ebroken en vastberaden voorwaarts en stond weldra 
voor Telok Kadjoe, het doel van den tocht, van waaruit z^' 
dadelijk met een moorddadig geweer- en lillavuiu: werd b^;roet 

Gedurende het gevecht bij dien opmarsch, had de ambulance 
reeds een achttal gewonden opgenomen, die door den ijverigen 
geneesheer met zijne doelmatige rottan-verbanden spoedig ver- 
bonden werden, zonder dat de marsch der kolonne daardoor 
ook maar eenige vertraging ondervond. 

Vóór Telok Kadjoe was de toestand ernstiger geworden, zoodat 
de troepen in eene linie van carré's voortrukten, doch hoe hevig 
's vijands vuur ook was, toch volbracht de bekwame geneesheer 
kalm, bedaard en vastberaden zijne moeielijke en gevaarlijke taak 

Tot buiten de carré's in de uiterste vuurlinie zocht hij zelf de 
gewonden op en telkens begaf hij zich van het eene carré naar het 
andere om de gewonden te helpen, zoodra ergens het signaal ^^voor 
den dokter** klonk, geen vermoeienis kennende, geen gevaar 
achtende, zich niet storende aan die hagelbui van kogels en be- 
wonderd door allen. 

Zoo hielp hij tal van gewonden; onder anderen den zwaar 
geblesseerden Kapitein de Steenhuyzen en twee Europeesche 
ziekenoppassers der ambulance, die bij hunne menschlievende 
taak ernstig door 's vijand's lood getroffen werden , wel een bewijs 
hoe dreigend de toestand was en aan welk groot gevaar die afdee- 
ling was blootgesteld , want de Ambulance stond als naar gewoonte 
op de tegen 's vijands vuur meest beschutte plaats. 

Weldra was door de dapperheid onzer soldaten en de uit- 
muntende leiding Telok kadjoe genomen en de vijand uit zijne 
sterke positie verdreven, waarop ook de Ambulance binnen de 
kampong rukte, om met hare lijders door het dichte loof 



DB OFFIOnSB VAN OBZONDHBID C. DB MOOIJ — 1878 257 

der boomen beter tegen de felle zonnestralen beschut te zijn* 

Eensklaps bemerkte Dr. de Mooij nog een gewonde in de door 
ons op de vlakte verlaten stelling, die aan zijne aandacht ont- 
snapt scheen te zijn en zoodoende was blijven liggen. 

Langen tijd om zich te bedenken neemt hij niet, en die heeft 
de dappere en menschlievende geneesheer ook niet noodig. Den 
ziekenoppasser Hein toeroepende om hem te volgen, begeeft 
hij zich snel buiten de kampong op de vlakte , die nog beheerscht 
werd door het vijandelijke vuur der omringende kampongs, 
bereikt ongedeerd den gewonde, neemt dezen, geholpen door 
den ziekenoppasser op en brengt hem binnen de kampong, ach- 
tervolgd door tallooze kogels. 

Hij had een dwangarbeider, een veroordeelde gered!... 

Hij, Dr. de Mooij, waagde zijn kostbaar leven om een wegens 
roof of moord veroordeelden boef onder *s vijands kogels het 
leven te redden !!!... De brave geneesheer vond dat in zijne 
positie zeer natuurlijk en zou op die opmerking geantwoord hebben, 
€€'t was een mcnsch, een gewond en lijdend mensch en ikbengenees^ 
heer! h* en daarmede was alles afdoende wederlegd voor hen 
die den held bewonderden, die handelde zooals zijn nobel en 
ridderlijk karakter hem ingaf. 

Edel en humaan mensch! De waardige vertegenwoordiger van 
de zoo gewaardeerde en op een zoo hoog standpunt staande 
Militaire geneeskundige dienst in Indiê. 

De aftrekkende vijand moest vervolgd worden en weder is het 
D' de Mooij die bij die kolonne als geneesheer medeging, doch 
bij den troep gekomen werd hem als welkom door den vijand ter- 
stond den bamboe-stok, waarop hij steimde, uit de hand geschoten. 

Onvermoeid, opgeruimd en welgewoed rukte hij met een deel 
zijner Ambulance weder uit en kreeg tal van zwaar gewonden te 
verzorgen, die hij door de door hem uitgevonden rottan- ver- 
banden in korten tijd verbond en verzorgde. 

In dien tusschentijd was ook Dr. Gelpke uit Segli in de kampong 



\ 



268 



Dl OFnomt TAN OBSOMDHBID O. DK MOOU 



1878 



Telok-Kadjoe bij de ageerende kolonne aangekomen, vergezdd 
van een detachement troepen dat zich onder den Luitenant F. J. 
Erdtsieck dapper door den vijand had heengeslagen , doch de mede- 
genomene proviand was verloren gegaan, omdat de dragers inde 
verwarring van den strijd hunne vrachten hadden weggeworpen. 

Nu waren er gelukkig weder twee geneesheeren bij de kolonne 
en konden zij elkaar hunne zware taak verlichten, door afwissetend 
de gewonde kameraden te verzorgen. 

Doch slechts zeer kort was de rust die de waardige braven 
Chef genoot, want wie des nachts in het bivak aan de zijde der 
Ambulance geweest was, zoude niet alleen Dr. de Mooij daar 
aangetroffen hebben onvermoeid zijne gewonden verzorgende , maai 
ook gezien hebben, hoe hij den zwaar gewonden, stervenden 
Kapitein Steenhuijzen in zijne armen eene gemakkelijke houding 
gaf en alles aanwendde om den dappere het sterven licht te maken; 
daar waar zijne macht ophield en zijne kunde nutt^oos was, 
daar trad hij als trouw kameraad , als een zoigenden broeder op om 
den stervenden dappere in zijne laatste oogenblikken bij te staan. 

Edele geneesheer ! . . . Trouwe makker ! . . . Groot, doch eenvoudig 
in alles! ... 

Waar zijn onze schilders om dat roerende en treffende tooneel 
in sprekende kleuren weer te geven, waartoe de pen te machteloos is. 



Den 13^ Mei des morgens ten zes uur werd, daar aan de 
opdracht geheel voldaan was, den terugmarsch naar het bivak te 
S^li aangenomen. 

De kolonne volgde daarbij ongeveer denzelfden w^ waarlangs de 
troep opgerukt was, doch nu zonder om w^ en dus korter, omdat 
nu de kampongs Paloer enTjot Paloer vermeden konden worden. 
Des avonds ten 4 ure kwam de kolonne in het bivak te S^i 
terug, en die marsch van 10 achtereenvolgende uren in eene fel 
brandende tropische zon, door moerassig onder water staand 
terrein, over of door waterloopen en rivieren, was eene aan- 
houdende worsteling tegen een de kolonne aan alle zijden om- 
zwermenden, overmachtigen vijand. 



DS OrFIOZm va» eSZOHDHBID o. D8 MOOU — 1878 259 

Voortdurend nam het aantal gekwetsten toe! 

De hulp der beide geneesheeren en hun personeel werd in dat 
aanhoudende gevecht dan hier, dan weder dasu* voor de gewonden 
ingeroepen, waarvan sommigen onder het verbinden reeds bezweken. 

Hoe de vijand ook aan alle z^den de kolonne omzwermde en 
overal gillende en scheeuwende vurende aanviel, toch werden alle 
aanvallen bedaard en krachtig a%eslagen en vervolgde de fxoep steeds 
langzaam zijn w^, den vijand talrijke verliezen toebrengende, maar 
ook even kalm en even bedaard gaan de beide geneesheeren onder 
die hagelbui van kogels voort om de lijders te verzeggen en te 
verbinden. 

Een oogenblik is de toestand der Ambtüance zeer hachelijk. 

Meer en meer opgewonden en strijdlustig waagde de vijand 
eindelijk een verwoeden aanval en drong tot op eenige passen 
der Ambulance door. 

Het hoogst gevaarlijke van den toestand voor z^ne zieken en 
gewonden inziende, gelastte D' de Mooij dat allen zich plat op 
den grond zouden nederl^igen, omdat dit de eenigste wijze was 
waarop hij hen voor 'svijandi hevig vuur kon dekken, doch hij 
zelf plaatste zich fier, recht op bij het dddcings*detachement, 
tusschen den vijand en zijne Ambulance en de revc^ver trek- 
kende, legde hq zelf een te dicht opdringenden Atjeher neer, 
de Ambulance met het eigen lichaam dekkende en verdedigende. 

Nadat de aanval met succes was afgeslagen, vervolgde hij kalm 
zijn heilzamen arbeid alsof er niets gebeurd was en hij zich voor 
zijne lijders niet roekeloos had bloo^esteld. 

Niet alleen toonde hij zich steeds een zorgend geneesheer, 
maar tevens gedro^ hij zich herhaaldelijk als een held. 

Eindelijk schieten de krachten der dragers bij de Ambulance 
te kort om de talrijke dooden, zieken en gewonden te ver- 
voeren, want 5 gesneuvelden, 28 gewonden en 10 door ziekte 
uitgeputte soldaten moeten ieder door twee k yitic man door dat 
moeielijke terrein gedragen worden, steeds bedreigd door 's vijands 
aanvallen, steeds onder 'svijands vuur marcheerende. 



260 DB offichr tan OIZOMDHSID C. DB MOOU 1878 

D' de Mooij drong er bij den Kolonne Kommandant op aan, 
om hem meer dragers te verleenen en zelf het voorbeeld gevende, 
gelastte hij zijn bediende de bagage die hij dro^ w^ te werpen 
en de zieken te helpen vervoeren. Weldra zijn ook de andere 
Officiersbedienden geprest en werd een deel van de bagage 
van den troep prijs gegeven, om met de daardoor vrij komende 
dwangarbeiders de transportmiddelen der Ambulance te versterken. 

Voortdurend zijn D' de Mooij en zijne helpers , D*^ Gelpke en 
het Ambulance personeel, in de weer, trots vermoeienis en 
'svijands onverpoosde aanvallen, en de kranige Chef-geneesheer 
heeft het geluk allen die hij medevoerde behouden binnen het 
bivak te Segli te brengen. 

Wie echter na zoo'n marsch ook aan rust dacht. Dr. de Mooq 
niet; hij achtte zijne taak nog niet volbracht en met de grootste 
zelfverloochening zorgde hij er eerst voor, dat alle gewonden 
voorzichtig in de gereed liggende sloepen werden gebracht, ten 
einde naar het ter reede liggende ziekenschip «L€Graafvan Biflandb» 
te worden overgevoerd, waarop hij zich eerstnogzelf naar boord 
begaf, om zich te overtuigen dat allen goed verzorgd waren. 

Eerst daarna vond hij het geoorloofd de voor hem zoo hoog 
noodige rust te genieten. 

Dr. C. de Mooij is een der edele heldenfiguren van ons 
Indisch Leger , een man van groote werkkracht en van erkend genie. * 

Het waren drie vermoeiende en a&nattende dagen , drie dagen 
van strijd en vol gevaren, waarin de Ambulance met haren Chef 
nooit te waardeere» diensten bewezen en waarbij onze genees- 
heeren even als op alle gevechtsterreinen in de kolonie het bewijs 
gaven, dat geen vermoeienis en geen gevaar voor hen te groot is, 
om kalm en vastberaden hunne edele en grootsche taak met nooit 
volprezen trouw te volbrengen. 

Daar waar de Geneeskimdige dienst op zoo'n wijze hare edele 
schoone roeping opvat, worden de taak en de gevaren der 
strijdenden aanmerkelijk verlicht 



Een edel Trio 

Gezegend bovenal 't gesinterd mededogen, 

Dat eiken dank naar God verwijst, 

Dat tranen geeft b^' 't goud en tranen wischt van de oogen 

Dat ziel en lichaam, beide, sp^st! 

J. J. L. TSN KA.TB. 

Daar er in Indiê geen stand in de burgermaatschappij bestaat, 
waar de mindere militair meer vertrouwelijken omgang kan hebben 
met personen die niet tot den beperkten militairen kring behooren , 
dus bij familie's zooals die, waarbij hij zich in Holland dikwerf een 
zoo recht gezellig en vriendelijk interieur kan scheppen , zonder 
dat daarom nog de borrel daarbij noodig is, en hem dus ook 
den verzachtenden omgang met de Hollandsche vrouw ontbreekt, 
is hij beperkt tot het gezelschap zijner makkers en dat van de 
vrouw van Inlandsche afkomst; met de eersten zoekt hij dan 
dikwerf zijne troost en gezelligheid in de fiesch bij Chineesche 
kroeghouders, die hem bovendien in de kwaliteit der spiritualiën 
nog schandelijk bedriegen, en wat de laatste betreft, hoe degelijk 
en geschikt die vrouw ook is om voor zijn materieel welzijn te 
zorgen, zij kan niet dien gunstigen invloed op hem uitoefenen, 
die men van eene vrouw in Holland toch verwachten kan, hoe 
weinig beschaafd die soms ook is, want de Inlandsche vrouw is voor 
hem meer eene trouwe, zwoegende en zorgende dienares, dan 
wel eene vrouw die naast hem staat en zijn moreelen steun is 
in 'swereld's wel en wêe. 

Dit en de meer ruwe en vrije levenswijs te velde, waar hij 
bijna dagelijks zijn leven bloot stelt in den dienst van het 
Vaderland, soms dagen en weken achtereen langs bosch en 
veld dwaalende om den vijand op te sporen, dikwijls zich verge- 
noegende met eene schamele bete broods, den nacht in de openlucht 
doorbrengende met een harden steen tot peluw, of met een 
afgetobd lichaam wakende voor de rust zijner kameraden, en 



262 KEN IDXL TRIO 

toch altijd vroolijk en opg;ewekt zijnde in 't vooruitzicht vanden 
strijd, daarbij veelal maanden lang geen burger ziende, zijn aDe 
oorzaken, dat de scherpe kanten van zijn karakter niet spoedig, 
of somtijds in 't geheel niet a&lijten en hoe hartelijk, opredit, 
dapper en trouw hij ook is, schijnt hij toch veelal in deoogea 
van anderen een ruw wezen soms onverschillig en ontevreden, 
alleen in den band gehouden door de koude, ijzeren discipline. 

£n toch is het alleen de ruwe schors die men ziet, waaronder 
meest altijd een goed, zel£i een kinderlijk hart klopt 

Een soldaat in Indi6 mist dan ook veel in vergelijk met zijne 
makkers in Holland; het is zoowel de zucht naar roem, die 
velen bezielt, als het besef dat hij zich in de kolonie daadwer* 
keiijk nuttig en onmisbaar veldsoldaat vodt, de bekoring van 
het daaraan verbonden avontuurlijke en gevaarlijke leven, de 
kans om zich door groote daden gemakkelijk en spoedig op de 
sporten der militaire ladder omhoog te werken, soms ook de 
behoefte aan het hooge handgeld om verwanten uit een moeilijken 
toestand te redden, die nog, trots dat gemis aan comfort, 
talrijke flinke Hollandsche Jongens naar Indie trekt en hen den 
beslissenden stap doet wagen. 

Dat zijn de mannen aan wier da^^erheid, zelfop<^ering en 
zelfverloochening Holland het behoud zijner koloniën verschuldigd 
is, die door voortdurend schitterende wapenfeiten te verrif^ten, 
zorgen dat de glorie den HoUandschen naam blijft omstralen, 
en wier leven toch zoo arm aan gezelligheid en beschaafden 
omgang daar henen vliedt. 

Hoewel het erkend moet worden, dat het Roode Kruis veel 
doet om het lijden van den militair te verzachten, zoo blijft 
zich dat meestentijds beperken tot materieelen steun, die alleen 
het lidiaam ten goede komt en hem dan veelal nog door müitaire 
handen wordt toegereikt 

In de ijverige pogingen van menschkund^e en menschlievende 
Chefe ziet de soldaat altijd iets offideds , hoe goed het ook gemeend 
is, want deze blijven altijd de Chefii, de handhavers der strenge 
discipline en dat beneemt den soldaat den lust en den moed om 



KEN KDXL TBIO 26S 

zich vrij te gevoelen en gezellig te zijn, want hij gevoelt, al 
is 't nog zoo gering, altijd toch den militairen band. 

£n de ««/^ kmzin,^> och, ook daar gevoelt hij zich niet als 
in een gezelligen Hollandschen kring, want hij is overtuigd dat 
die meestal eene Grodsdienstige basis hebben, en al is reeds van 
nature aan ieder Nederlander elk denkbeeld aan Grodsdienstdwang 
onaangenaam, den soldaat in Indi6 is het een gruwel, wat vol- 
strekt niet moet worden toegeschreven aan ongeloof, maar hij 
wil die a&cheiding door Godsdienst niet en stoort ach aan geene 
Grodsdienstige meening waar het een kameraad of een makker 
geldt. 

De lust tot vrijheid, zijn afkeer van al wat naar huichelarij 
zweemt en zijne zoo goed als afgezonderde levenswijze maakt 
hem wantrouwend tegenover de personen uit de hoogere standen, 
die edelmoedig willen beproeven den soldaat tot zich op te heffen, 
want hij begrijpt niet dadelijk het belangelooze doel en vermoedt 
daarachter proselytisme of huichelarij. 

Het is dus niet gemakkelijk den Indischen soldaat, als men 
zich in zqn waar belang met zijne omstandigheden bemoeit ver- 
trouwen in te boezemen, en alleen een groot en onuitputtelijk 
geduld, een volhardenden ijzeren wil om voort te gaan op den 
ingeslagen weg trots alle teleurstelling, miskenning of wantrouwen, 
ja soms trots beleedigingen, en eene welgemeende, onpartijdige 
belangstelling voor allen, zonder onderscheid van Godsdienst, 
doordringt hem langzaam van het bewustzijn , dat alleen ware deel- 
neming in zijn lot en warme menschenliefde de drijfveeren zijn 
die tot die inmengingen voerden en overtuigen hem dat de hand 
die hem gereikt wordt, die van een loyaal mensch is, wiens 
eenige bedoeling het zijn zal om uit zuivere menschenmin in zijn 
belang en dat der zijnen werkzaam te zijn, zonder hem eenigen 
dwang op te leggen. 

Maar is ook dat besef eens goed bij hem doorgedrongen, dan 
geeft hij zich ook geheel, dan is zijne liefde en gehechtheid 
groot, dan kent zijne toewijding geene palen en dan grenst zijne 
vereering aan aanbidding, die hij soms op zijne manier uit door 



264 KEN KDXL TRIO 

het geven van kenschetsende bijnamen, die dan altijd goed ge- 
trofifen zijn en voor den drager als eerenamen kunnen gelden. 

Velen hebben het beproefd, doch hetzij zij het geduld verloren 
en tegen de verdere moeielijkheden opzagen, hetzij dat hen de 
soldaat in zijne hartelijke rondborstige ruwheid tegenviel , of dat 
zij niet met het heilige vuur bezield, de juiste middelen misten 
om z^n vertrouwen te winnen, zij gaven het op en slechts aan 
Me buiten de militaire maatschappij staande edele weldoeners 
van den soldaat, drü alleen uit zuivere menschenmin belangeloos 
handelende personen van verschillende Grodsdienstige richtiDg 
en maatschappelijke positie is het mogelijk geweest na eene lang- 
durige volharding, geheel in 't hart van den soldaat door te 
dringen, zijn vertrouwen te winnen en zijne onb^;rensde liefde 
en bewondering deelachtig te worden. 

Die bewondering en gehechtheid waren zoo groot en werden 
op zoo dankbaren luiden toon verkondigd, dat trots de beschei- 
denheid dier soldatenvrienden de roep hunner daden ook door- 
drong tot den Koninklijken troon, zoodat ook van den beminden 
Vorst erkenning hun deel werd en eene welverdiende Koninklijke 
belooning himne edele borst versierde, waardoor [de trouwe 
Indische soldaat zich meer gelukkig gevoelde, dan wanneer hem 
die onderscheiding zelf te beurt gevallen was. 

Dat edele trio is. 
Mevrouw C. A. M. F. W. Kempers, geboren Stutterheim, 

bijgenaamd, €€de moeder dersoldatemn^^oio^^^^tnoeder Ketnpersv*^ 

Ridder van de Oranje Nassau orde. 

Koopman G. von BüLzmcsLöWEN, 
bijgenaamd, ««</f eerste flankeur van het Indische Leger»» ^ 

Ridder der Militaire Willemsorde. 

Pastoor H. C. Verbraak, 
bijgenaamd, ^^^de soldatenmiendv» ^ 

Ridder van de orde van den Nederlandsche Leeuw, 
Officier van de Oranje Nassau orde. 



265 



Mevrouw C. A. M. F. W. Kempers, geboren Stutterheim 



Officiersdochter en echtgenoote van een Officier, was zij van 
haar twintigste jaar af, gedurende ruim 20 jaren onafgebroken 
in Indië werkzaam tot heil van den minderen militair , geheel uit 
eigen aandrift en uit werkelijke deelneming in het harde lot van 
den krijgsman; onverschillig voor afkeuring en misbillijking van 
hare standgenooten , die niet konden begrijpen dat eene jeug- 
dige vrouw, dame in den volsten zin des woords, zich met 
soldaten en soms zelfe met dronken soldaten kon inlaten, ging 
zij voort, overal waar zij met haren echtgenoot in garnizoen was 
met onuitputtelijk geduld en onveranderlijke naastenliefde bescha- 
ving te verspreiden, zoodat de ruwste soldaat, op het hooren 
harer welluidende stem die hem ernstig en welgemeend toesprak , 
zelfs in den meest opgewonden toestand tot bedaren kwam en 
zich gewillig door hare zachte hand liet leiden. 

Hoevelen behoedde zij op die wijze niet voor erger en hield 
hen terug voor een val in den afgrond van moreelen ondergang. 

Als een goeddoende, helpende en troostende Engel ging zij 
onvermoeid rond in de hospitalen, lenigde smart, wekte onver-* 
schilligen en bedrukten op , sprak moedeloozen weder moed in en 
spijsde werkelijk de ziel en het lichaam der arme lijders , geholpen 
door de gaven van het «i^roode kruis»i^ ^ en waar die te kort schotefi, 
gaf zij van haar eigen penningske, hoe weinig zij ook missen 
kon en zij gaf zonder aanzien des persoons en zonder ooit naar 
Geloof of Godsdienstrichting te vragen. 

Als eene ware moeder zorgde zij niet aUeen voor de sol- 
daten, maar ook voor de achtergebleven vrouwen en kinderen 
van de dapperen die uittrokken naar den vijand, al drogen die 
vrouwen naar Hollandsche opvatting den naam €€concubtnes>T^ 
en al waren ook die kinderen donker gekleurd en buiten den 
echt geboren. Het waren de vrouwen en de kinderen harer 
vrienden, de soldaten, die uittogen ten strijde en dat maakte ze 
rechtens tot hare beschermelingen. 

£n zij die te velde gingen, zagen onbezorgd de toekomst 



266 MITBOÜW C. M. ▲. F. W. KIMPIRS 

tegemoet, want xij wisten dat €€mo€der Ke mp ê rsv » over de 
hunnen waakte en hen beschermde. 

De brave, weldoende en edehnoedige vronw ging uit van het 
beginsel, dat dk soldaat eene moeder heelt, die, als het baar 
mogelijk was geweest, hem geholpen en gesteund zou hebben. 
Nn die moeder er niet was zou zij hare plaats vervullen en 
nooit wankelde zij in die zware taak, want in elk hart dat 29 
won, vond zij de grootste belooning. 

Vraag den Indischen soldaat wat ^^moeder Ken^>ertin^ voor hem 
en zijne makkers deed; vraag het hen, die door haar van den 
ondergang gered en op den goeden weg teruggebracht werden; 
vraag het de talrijke zieken en gewonden in de hospitalen hoe n| 
met haar hartelijk woord, hare zachte hand hen hielp, opbeurde 
en troostte; vraag het hen wier mannen en vaders voor den dienst | 
van het Vaderland den strijd tegemoet gingen of op het sh^- I 
veld sneefden en allen zullen met van dankbaarheid schitterende 
opgen van haar spreken, want allen eeren haar en hebben haar 
lief als eene ware moeder. 

Zij handdde alleen uit edde beginsden, uitsluitend gedreven 
door een groot en edd hart, dat warm klopt voor al wat 
militair is en inzonderheid voor de misdedden onder hen. 

Toen zij uit Indiê voor goed naar Nederland terugkeerde had 
zij wd geen schat aan goud vergaird, maar daarentegen de 
liefde, de onvergankelijke liefde van een geheel leger en de 
bewondering en eerbied van hen die haar in hare werken hadden 
gadegeslagen. 

En toen eindelijk het Ridderkruis hare edele borst versierde 
en onze zoo beminde Koningin haar Koninklijk zegd had gedrukt 
op die algemeene sympathie, toen ontving zij tallooze schrif- 
lijke bewijzen van welgemeende gelukwenschingen, die zij met 
andere brieven van erkenteHjkhdd als kleinoodifin bewaart, om 
die aan hare kinderen na te laten met haren door een aureool van 
mensdienliefde omgeven naam, een edde roem waarvan hun 
kinderlijk begrip de reusachtige ahneting nog niet kan beseffen. 

In eene vergadering van de Koninklijke vereeniging ««ZTir/ 



KOOPMAN O. YOM BÜLEINeSLÖWKK 267 

Vaderland getrouzov» werd zij in dichtregelen to^esproken, die 
toonden dat, hoe weinig dichtertalent de maker ook bezat, zijne 
woorden voortkwamen uit een gevoelig hart en dat hij sprak 
namens die talrijke makkers die dachten en voelden zoo als hij» 
Hij zeide onder meer: 

• ••••••••••••••••••••••e. 

Moeder van het strijdersgilde, sta mij ditmaal toe Mevrouw, 
Eer en hulde u te brengen, voor uw moed, beleid en trouw. 
Vele tranen wist gij te drogen met uw beurs en met uw hart, 
Rampen wist gij w^ te vagen, vreugd te stellen voor de smart. 

en ten slotte hief hij den kreet aan •tLeve Mevrouw Kemperth> 
waarbij allen jubelend instemden met den geliefden uitroep €€Leve 
Moeder Kempertwi*. 

Laat ons bij dien weigemeenden jubelkreet onze z^enbede 
vo^en en dankbaar zeggen, €€gezegend zij de vrowv die zoo liefdevol 
handelde en zoo ruimschoots den eerenaam verdiende van^ €€moeder 
der soldaten»* / . . . 

Koopman G. von Bülzingslöwen 

In het jaar 1873 was de Heer von Bülzingslöwen koopman 
en landheer te Soerabaija en behoorde tot de meest vermogende 
ingezetenen. 

Hij had den naam van een ijverig, bedaard en nauwgezet 
man van zaken te zijn, streng, doch zoo nood^ zacht en toe<» 
gevend meester voor zijne ondergeschikten, gul, hartelijk en 
beminnelijk in de samenleving en vooral ijverig medelid van 
elke vereeniging waarvan het doel was om in de maatschappij; 
nuttig en weldadig werkzaam te zijn, zonder zich echter daarbij 
te veel op den voorgrond te plaatsen, doch als het noodig was 
nam hij blijmoedig en gewillig steeds het moeielijkste deel der 
taak voor zijne rekening en dan kon men ook zeker zijn dat de 
opdracht met groote tact werd volbracht 

Van nature was hij uiterst kalm en waardig en zoowel im 



268 KOOPMAN O. YOM BÜLZINeSLÖWKN 

houding als in gebaren, voorkomen en gedrag een echten gentiemaiu 
Hij had een hart van goud en zijne goedheid en verdraagzaamheid 
kenden bijna geene grenzen, vooral voor hen die aan zijne zoi]g;ea 
waren toevertrouwd of die zijne belangstelling opwekten , want dan 
was zijn geduld en goedmoedigheid onuitputtelijk, aJ gingen de 
beschermelingen ook soms, door hun lot verbitterd, de perken te 
buiten. 

Hij had een innemend, vriendelijk uiterlijk, doch met een blik die [ 
te kennen gaf, dat hoe goed hij ook was, het voor zijns gelijken ge* 
raden was hem niet te tergen , want dan konden die oogen dreigt 
schitteren en imponeerden door den ontembaren moed die er uit 
sprak; voeg daarbij een gezond en ijzersterk gestel, eene buiten» 
gewone lenigheid vergezeld van groote spierkracht en eenegeoefen(t 
heid kors ligne in elk onderdeel der sport en het zal een ieder 
duidelijk zijn, dat, toen de vereeniging \i%i Roode kruis zich aangordde 
om voor de 2® Atjehsche expeditie met kracht te velde werkzaam 
te zijn , met algemeene stemmen de keus op dezen man viel , om 
daar als haren gedelegeerde met uitgebreide volmacht op te treden. 

£n hoewel von Bülzingslöwen zich het ernstige en moeielijke 
zijner taak niet ontveinsde, nam hij die toch blijmoedig op zijne 
schouders, wellicht juist omdat die zoo zwaar was en vooral omdat 
hij daarin eene gelegenheid zag om veel goeds te mogen stichten 
en nuttig werkzaam te kunnen zijn voor onze dappere soldaten. 

De einduitslag bewees dat men geen betere keuze had kunnen 
doen en dat hij als gedelegeerde van het ^^RoocU kruis»», ccM^ 
r^A/ man on the right place»» was. 

Hij begreep terstond dat hij, om zijne taak goed te vervullen, 
het vertrouwen van den soldaat moest trachten te winnen, want 
om alleen tabak , sigaren en andere ververschingen met ruime hand 
uit te deelen, daartoe had men elk goed administratief persoon 
kunnen gebruiken, maar het was juist de moreele zijde der zaak 
die bij hem het zwaarste woog; niet alleen het lichaam maar ook 
de ziel moest gespijzigd worden ; de wijze waarop de gaven werden 
uitgereikt moest deze aantrekkelijker maken en den ontvanger niet 
alleen lichamelijk maar ook geestelijk opwekken. 



} 



KOOPICAN G. VOM BÜLZINGSLÖWlfiN 269 

Om dat vertrouwen te winnen stonden hem geen jaren ter be- 
schikking, en moest hij in korten tijd trachten te veroveren , wat 
anderen geleidelijk na verloop van tijd verkregen. Wel stond hem 
het innemend vrouwelijke van eene dame als Mevrouw Kempers 
niet ten dienste, maar hier, te midden van het woeden en de 
verschrikkingen van den oorlog, zou juist het mannelijke karakter 
meer op zijne plaats zijn, en rekende hij op zijn moed en zijne 
doodsverachting om den soldaat voor zich te winnen, vooral als 
hij met volhardend geduld den juisten tijd afwachtte. 

£n dat die tijd komen zou gevoelde hij als bij ingeving. 

Reeds onmiddelijk na de landing en gedurende de eerste 
dagen daarna had hij al zijne wilskracht, al zijne bedaarde 
zelfbeheersching noodig, om op den rechten weg te blijven en 
te volharden, zoo bijzonder zwaar werd hem zijne taak gemaakt 
door den soldaat zelve, voor wiens welzijn hij mede uittrok en 
zich in gevaar begaf; en zelf moest hij die weerstand overwinnen , 
want door de hulp der Chefs in te roepen, begreep hij dat hij 
zijne zaak zeker voor goed bedierf. 

Hij was de eenigste burger te velde onder al die militairen, 
van wie slechts weinigen hem kenden en die hem kenden wisten 
nog alleen dat hij koopman was, zoodat de meeste soldaten aan- 
vankelijk van de veronderstelling uitgingen, dat hij al die kisten 
en pakken met begeerlijke zaken alleen had medegenomen om 
handel te drijven en goede zaken te maken. 

Toen het bleek dat hij alles gratis gaf namens de vereeniging 
het €Roode Kruis, t^ werd hij dikwijls en soms erg brutaal lastig 
gevallen, wantf zoo redeneerden de soldaten, ccV was alles voor 
den soldaat bestemd ^ die polletiek *) was maar zoó*n soort magazyti' 
meester en moest '/ geven als 't door hen gevraagd werdhi^ 

Het kwam zel& voor, dat als 't gevraagde voor het oogenblik 
uitgeput was, zoodat de gedelegeerde zich verontschuldigde en 
zeide dat er nieuwen voorraad van boord gehaald moest worden » 



*) Polletiek — politiek — zegt de soldaat tegen alle burgers, en burger- 
kleeding noemt hg daarom ook „^'n polletiehjey*' 

II 18 



270 KOOPMAN e. TOM BÜLaHeOLÖWSN 

hem door den vrager brutaal toegevoegd werd» ««I7W doejida 
kür poUêtüklh^i^ 

Al die miskenningen verdroeg hij kalm, gdaten en waardig, 
en bleef, zel£i tot verbazing van den soldaat, altijd vriendd^ 
en correct, want hij wist dat de brave kereb door het leven te 
velde eenigszins in abnormalen toestand verkeerden. 

Naarmate de expeditionaire kolonne zich van het strand verw^ 
derde, dus op grooteren a&tand van de ziekenscfa^>en kwamoi 
meer op de eigene veld-ambulance en eigen hulp moest bouwen, 
naar die mate begon zich ook gaandew^ de opinie omtrent von 
Bülzingslöwen en zijne werkkring langzamerhand te wijzigen. 

Benige, gewonden en herstelde choleralijders hadden verteld boe 
die ^poUetiek» hen liefderijk en zorgzaam had helpen verplegen, 
zonder eenige vrees voor besmetting dier vreeselijke ziekte te doen 
blijken en hen met allerlei middelen versterkt en verfrischt had; 
dat maakte dat men hem met andere oogen begon aan te zien 
en als bij stilzwijgende a&praak, behandelde men hem eerbied%er 
en veranderde den spotnaam «iMpoUttieh* in «i^mi/nkeer.w» 

De gevechten werden voortdurend heviger en de verliezen 
die onze dappere troepen leden zwaarder, zoodat onze goed- 
uitgeruste geneeskund^e dienst met zoovele ijverige en kimdige 
geneesheeren overal weldra de handen meer dan vol had , vooral 
ook omdat de cholera nog steeds vele offers eischte. 

Toen zag men die man in burgerkUeding bij elk gevecht dat 
geleverd werd, in flinke sportkleeding, voor mogelijke gevallen een 
revolver in den gordel dragende, voorzien van eene verbandtasch 
en van verre gevolgd door een paar Inlanders, die aan draag- 
stokken bamboekokers gevuld met zuiver water, flesschen met ver- 
frisschende dranken en mandjes met verkoelende vruchten droegen. 

Die burger was altijd in de voorste gelederen en daar waar 
't hevigste gevochten werd , want daar vielen de meeste slacht- 
ofiers en daar was zijne hulp 't meeste noodig. 

Zoo zocht hij in den dichtsten kogelregen de gewonden op, 
droeg hen^ hen met zijn lichaam dekkende, naar eene veilige 
plaats, laafde hen liefderijk met een friscchen dronk, legde met 



I 



KOOPMAN O. YON BÜLZmeSLÖWSN 271 

zachte en vaardige hand een voorloopig verband, liet dan de ge- 
trofifene door de koelies der Ambulance w^dragen en een oogen- 
blik later zagen de in actie zijnde troepen dienzelfden burgtr 
weder als een onkwetsbare rondgaande, om andere gewonden 
te zoeken, 't liefst dicht bij den vijand. 

Met elk gevecht ste^ zijn aanzien bij den troep en dezelfde sol- 
daten, die hem vroeger zoo brutaal behandelden, bleven nu eerbie- 
dig op een afstand staan, hadden aanmoediging noodig om naderbij 
te komen , en waren altijd verrukt als hij hen vriendelijk toesprak. 

Het respect was gekomen, doch de lü/de die zich geheel 
geeft liet nog op zich wachten. 

Eens op zekeren dag verkeerden twee soldaten in doodsgevaar, 
want de hooggezwollen en woest bruischende Atjeh-rivier sleepte 
hen in zijne modderige golven mede. £r werden prauwtjes losge- 
maakt om te helpen , doch die kwamen wellicht te laat en toch wie 
was er zoo moedig, om zich in dien kokenden stortvloed te wagen , 
want daart^en waren menschelijke krachten niet opgewassen. 

Eensklaps hooren allen een plons in 't water en zien den dap- 
peren von BülzingslOwen in den woest stroomenden vloed met krach- 
tige armen de golven snijden, de beide soldaten grijpen en hen 
zoo lang boven water houden tot de sloepen hen kunnen opnemen. 

Van den oever af had het geheele bivak angstig en stilzwijgend 
die heldhaftige worsteling gevolgd en toen de geredden en de 
redder behouden aan wal waren, uitte die troep geen enkelen 
kreet en geen enkel teeken van bijval , maar eerbiedig maakte zij 
plaats voor den held die daar wel bleek doch glimlachend tusschen 
hen doorging, eenvoudig alsof er niets gebeurd was en vol be- 
wondering zagen de soldaten den burger na, die in onverschrok- 
ken moed voor de besten himner niet onderdeed. 

Het was een plechtig en aangrijpend tooneel en voor von Bül- 
zingslOwen eene zaligheid. 

Doch toen hij den volgenden dag bij een vijandelijken aanval 
een zwaar gewond soldaat, bijna van onder de klewangs der 
Atjehers opnam en wegdroeg, aan de mogelijkheid van welke 
heldendaad zelfs de moedigste hadden gewanhoopt, toen kende 



272 KOOPMAN O. VOM BÜLZINMLÖWXN 

het enthousiasme geene grenzen, toen ging de eerbied over in 
liefde en vereering^ toen had de eens geminachte ^fpoiietiek» het een- 
voudige, dappere, edele soldatenhart gewonnen, en eenstemmig 
werd hem door hen den Eeretitel verleend van, ^^Eerste flanheux 
van het Indische Leger»-» *), 

Zijn terugkeer van den veldtocht was een waren triomftocht 
en toen Z. M. de Koning hem tot Ridder der Militaire Wülems- 
orde benoemde ontving hij van het geheele leger de meest wel* 
sprekende blijken van sympathie. 

De brave, moedige, edele von Bülzingslöwen is sedert over- 
leden, maar de herinnering aan zijne daden leeft voort e& 
onvergeteUjk blijft voor allen die hem in zijn handelen gade- 
sloegen €*de Eerste ftankeur van het Indische Leger.^^ 

Pastoor H. C. Verbraak 

Mevrouw Kempers had om den soldaat te winnen, behalve 
haar liefdevol hart, hare bekoorlijkheid en haar vrouwelijken tact, 
hare gratie en hare zachtheid tot steun, eigenschappen die steeds 
grooten indruk maken op al wat den soldatenrok draagt. 

Von Bülzingslöwen wist de genegenheid der militairen met storm 
te veroveren door zijne toewijding, zijn degelijk karakter, zijnen 
ongetemden moed die hem met een kalm vriendelijk uiterlijk de 
grootste gevaren deed trotseeren en zijne zelfopoffering voorden 
in nood en gevaar verkeerenden soldaat, daden waardoor hij de 
diepste bewondering afdwong van het geheele leger. 

Al deze voordeelen waren den pastoor Verbraak onthouden 
en al evenaarde hij de beide andere edele menschenvrienden 
ook in liefde voor den krijgsman, in onuitputtelijk geduld, 
in onverzettelijke wilskracht en bereidwillige zelfopoffering, hq 
had een grooten factor tegen zich , want hij droeg den priesterrok 
en behoorde daardoor tot een stand, die door den soldaat in 



1 



*) Men herinnere zich dat ten tyde van Napoleon de om zyn grooten 
moed in 't Fransche Leger bekenden Latour d'Auvergne, als eeretitel den 
b^naam droeg van, „Eerste grenadier van Frankr^'W, 



PASTOOB H. C. YBRBBAAK 273 

't algemeen op weinig eerbiedige wijze met den naam ^Mhemeldragon* 
dersin* wordt aangeduid, een stand die voor een militair in Indië iets 
minder aantrekkelijks heeft, omdat hij, gewoon krachtdadig te 
handelen, weinig opheeft met zedepreeken, die hij naast zal- 
vende Godsdienstige opwekkingen van die personen verwachten 
helaas ook meestal alleen van hen hoort 

De taak van pastoor Verbraak was dus veel moeielijker en 
eischte eene veel grootere mate van geduld, volharding en zelf- 
verloochening, en toch wist hij betrekkelijk spoedig en duurzaam 
zijne plaats in het soldatenhart te veroveren en een naam te ver- 
werven die gezegend is boven allen, want in zijne schoone opvat- 
ting der herderlijke taak, wist hij op eenvoudige wijze, zonder 
eenig opzien te verwekken, zoowel ziel als lichaam te spijzen. 

Sedert Juni 1874 bijna onafgebroken op Atjeh, heeft hij alle 
phases van dien hardnekkigen en bloedigen krijg, alle voor- en 
tegenspoed medegemaakt , en ofschoon zijne priesterlijke taak hem 
nu juist niet bepaald op de slagvelden te midden van het strijd- 
gewoel riep, zoo was hij toch menigmaal in de gelegenheid om 
te toonen dat hij de kogels niet vreesde en dat hij zijn heilaanbren- 
gend werk ook te midden van den kogelregen v/ist te volbrengen. 

Zijn plicht riep hem hoofdzakelijk in de hospitalen en ambu- 
lances, waar veel en smartelijk geleden werd, en die taak 
vervulde hij met eene trouw en eene toewijding die aller bewon- 
dering afdwong en boven allen lof verheven was. 

Al wie leed , al wie raad , troost en steun noodig had , was ook 
zeker pastoor Verbraak aan zijne zijde te vinden, want hij, de 
priester, vroeg niet naar geloofsbelijdenis , hij vroeg alleen of er een 
bedroefd, lijdend menschenkind was, dat hij door zijn liartelijk 
bezielend woord of door zijn bijstand het leven kon veraangenamen, 
het lijden kon verzachten, of het sterven gemakkelijk maken. 

Voor dezen schreef hij brieven naar ouders of verwanten , een 
ander bracht hij bericht van kind of vriend, voor een derde 
verkreeg hij door zijn grooten invloed een gunst, voor allen had 
hij een vriendelijk, minzaam woord naar echten soldatentrant en 
overal waar hij verscheen, verwekte zijn verschijnen hoop en troost. 



} 



274 PASTOOR H. 0. TBRBRAAK 



Op dk uur van den dag of den nacht vond men pastoor 
Verbraak steeds gewillig bereid om zijne hulp te verleenen aan 
wie er ook om vroeg, en in tijden van de vrees^ijke choleia- 
epidemie nam de brave priester soms zdven geene rust» om toch 
maar niet te kort te komen in datgene wat hij als zijn plidt 
beschouwde, in zijn liefdewerk tot heil van het L.^;er. 

Menige stervende, tot welke geloofebelijdenis ook behooroide, 
die ruw en zonder Goddienst had voortgeleefd, vond troost in het 
vurige en vrome gebed dat de waardige priester met den scheidende 
bad; menig lijder blies den laatsten adem uit in de armen van 
dien zorgvollen, verge vensgezinden herder, menig soldaat schddde 
uit dit leven, het smartelijken lijden verzacht door dien hoog ver- i 
eerden Godsgezant, die aan zijne stervenssponde zat en met zyne 
zachte, zegenende hand die van den stervende vasthield tot die 
in de zijne verstijfde, en allen die voor Vaderland en Vont | 
sneefden en dierbare betrekkingen nalieten, wisten dat die priester 
met echt vromen Christelijken zin , een vader voor de zijnen zou 
zijn, ongeacht den maatschappelijken toestand. 

Zijn eenig genot vindende in weldoen en zegen verspreiden en 
zijne vreugde zoekende in het voltooien en versieren van zijn een- 
voudig Godshuis , leefde hij sober en vol ontbering, zich alle wedde 
en gemak ontzeggende, en als men weten wil wat hij met het 
overige zijner inkomsten deed, vraag 't dan aan hen die hi| met 
zijne spaarpenningen hielp, en aan de vele weezen die zonder hem 
wellicht zouden zijn ten onder gegaan, maar vraag het in 't ge- 
heim, want geen die ooit meer bescheiden en in 't verborgen 
weldeed, dan deze Priester in den volsten zin des woords. 

Zijn naam is op aller lippen, allen hebben hem lief, allen 
zegenen en vereeren hem als den echten apostel van den 
Christelijken Godsdienst, en allen zien in hem het ware bedd 
van den edelen Samaritaan. 

Elatholieken, Protestanten, Israëlieten, Mahomedanen, H^de- 
nen , mannen van alle geloofsbelijdenissen en ook mannen zonder 
geloof uit het Indische Leger, vereerden dien braven en edelen 
priester, toen hij gedurende 20 jaren zijn zegelend werk op A^eh 



PA8T00B H. O. VEBBRAAK 275 

had vervuld, eenige geschenken die hem 't meest dierbaar waren 
en wel sieraden en altaarkleeden voor zijn bescheiden Kerkje , waar 
hij met zijn indrukwekkend woord een Godsdienst verkondigde, 
die hij in 't dagelijksch leven met zijn voorbeeld heiligde. 

Op die geschenken stond gegrift, 

Aan Pastoor Verbraak H, C. 1874 — Atjeh — 1894 
uit erkenteUjkhnd voor toewyding en plichtsbetrachting 

Het Nederlandsch-Indische Leger. 

En naast die hulde van 't geheele Leger prijken de bewijzen van 
erkentelijkheid onzer geliefde Koningin, die hem het Officiers- 
kruis der Oranje-Nassau-orde en het Ridderkruis vsm den Neder- 
landschen Leeuw schonk, waarvan het «cVirtus Nobüat»» nooit 
edeler borst versierde. 

In de Soldatenkrant van 10 Mei 1899 N^ 33, geheel gewijd 
aan het vijf en twintig jarig verblijf van pastoor Verbraak te 
A^'eh, komen eenige dichtregelen voor, aan dien geliefden 
priester gericht en geteekend B. v. G., die welsprekend het alge- 
meen gevoelen weergeven. 

Onder meer luiden zij, 
Een woord richt ik tot U, een woord uit naam van velen; 
Geen woord van hulde is 't, dat heeft voor U geen klank. 
Dat valt niet in uw geest van eenvoud en van liefde. 
Maar \ is een woord van 't hart, het is een woord van dank. 



Wij brengen U den Dank, ja Dank uit duizend harten, 
Den Dank van 't Leger eerst, aan U zoo nauw verwant; 
Den Dank van Vriend en maag, die meeleeft met de dapp'ren, 
Den dank van 'tgansche Volk, den dank van 't Vaderland! 

Zijn naam sal altijd aan Atjeh's geschiedenis verbonden bUjv^i, 
want hij was een der grootste sieraden van het Leger dat daar 
zoo moedig streed, en nog altijd gaat hij onverpoosd voort met 
2ijn grootschen,liefdeTollen arbeid, tot zegen van allen die hem 
leeren kamen en tot heil van den zwaar beproefden soldaat 



Een gulden Blad 

uÜ de Indische KrUgsgeschiedenis 

Bon sang ne peat mentir! 

Waar men ook de krijsgeschiedenis onzer Indische beat- 
tingen opslaat, overal vindt men een trouw en dapper Leger, 
dat zich den oud-Hollandschen stam waardig betoont, en goed 
en bloed vefl heeft voor de vervulling der hoogst moeielijke 
taak, die aan die betrekkelijk kleine, doch goed geoefende eD 
goed gedisciplineerde krijgsmacht in het belang van het Vaderland 
is opgedragen, eene taak die dat Leger blijmoedig vervult , trots 
alle moeite en gevaren. 

Al dragen de wapenen van die kleine heldenschaar ook niet 
altijd dadelijk de zege weg en al is menigmaal eene bloedige 
nederlaag hun deel, strijdende als zij zijn tegen een soms honderd- 
maal sterkeren vijand, toch vindt men overal schoone, heerlijke 
daden van moed, beleid en trouw, en eene bewonderenswaar- 
dige standvastigheid en volharding', vooral juist als de t^;en- 
spoeden ^t grootst zijn, of de nederlaag 'tbloedigst is. 

Steeds het hoofd hoog, vol vertrouwen op eigen kracht en 
de leiding der aanvoerders, geduldig in[lijden, nooit wanhopend 
en zoo noodig wetende te sterven als helden. 

Het Nederlandsche bloed verloochent zich nooit! ! . . . . 

Maar op die talrijke bladzijden dier glorievolle geschiedenis komen 
meermalen bij al die bloedige, soms wanhopige worstelingen 
dezelfde namen voor, allen behoorende tot hetzelfde roemrijke 
geslacht, wiens adel in verschillende betrekkingen verkregen werd 
op de punt van het zwaard, met gevaar voor eigen leven |en 
dikwijls ten koste van het hartebloed dier brave, edele mannen , 
die onversaagd, als echte Nederlanders hun plicht vervulden en 
schitterende diensten bewezen, die door de landgenooten nooit 



EBN GULDEN BLAD ÜIT DE INDISCHE KSUGSGESCHIEDENIS 277 

genoeg naar waarde kunnen worden geschat, al beloonde Holland's 
beminde Vorst hen ook met het schitterendste eeremetaal ter 
wereld, ««öfe Militaire Willemsorde*^*, 

Daar natuurlijk elke werkelijk rechtgeaarde Nederlander er 
hoogen prijs op stelt de helden van zijn Land te kennen, die 
ginds in de tropen den doodelijken strijd voeren tegen klimaat 
en vijand en in 't bijzonder van die edele geslachten die zoovele 
heldenzonen leverden om te strijden voor Neêrland's rechti 
Neêrland's roem, Neêrland's grootheid en Neêrland's eer, zoo 
volgen hieronder eenige dier met roem en glorie bedekte namen t 
voor onze Natie van grootere waarde, dan b. v. die van de in 
de geschiedenis van Europa zoo bekende Romeinsche geslachten 
der Horatiussen en Curatiussen of van wien ook. *) 

Het geslacht de Brauw 

C. A. DE Brauw. Verwierf als Majoor bij de i® Balische expe- 
ditie de Militaire Willemsorde 4® klasse. 

Was als Luitenant Kolonel , Chef van den staf bij de 3® 
Balische expeditie. Voerde het bevel over de roemrijke 
omtrekking van Djagaraga en werd daarbij gewond, juist 
toen de zege bevochten was. Hiervoor werd hij beloond 
met het Kruis der 3® klasse, bijzondere bevordering tot 
Kolonel en benoemd tot Adjudant des Konings in Buiten- 
gewonen Dienst. 

C. P. DE Brauw. Nam als Luitenant ter Zee i® klasse deel aan 
de 2® en 3® Balische expeditie en verwierf daarbij de 
Militaire Willemsorde 4® klasse. 

*) Alleen de namen dier geslachten worden opgegeven waarvan minstens 
DRK leden met roem in de Indische kr^gsgesehiedenis bekend z^n, in 
zooverre de familiebetrekking was aan te w^zen. 

Zoo komen b^v. in de Alphabetische Igst van de Ridders der Militaire 
Willemsorde voor de Heeren G. de Wys, J. J. de Wys , P. de Wys en R. B. M. de 
Wgs van welke slechts de eerste en de laatste tot hetzelfde geslacht behooren. 



I 



278 IBf eULDBII BLAD UIT DS OTDISCHB 



'.»«:»! -ii 



V. M. DE Brauw. Werd als Elapitein bij de 2® en 3^ Balisdte 
expeditiën voor zijn bijzonder moedig gedrag, benoemd 
tot Ridder der Mfllitaire Willemsorde 4^ klasse en later ab 
Majoor voor de krijgsverrichtingen op de Wester Afdeding 
van Bomeo nog Eervol vermeld. 

Het Geslacht Le Bron de Vexeta 

B. J. H. Le Bron ds Vexela. Voerde in het jaar 1849 ^ ^ 

3e Balische expeditie als Luitenant Kolonel het bevd over 
het 7* Bataljon Infanterie, welks Vaandel voor de glorie- 
volle omtrekking van Djagaraga met het Eeremetaal der 
Militaire Willemsorde werd versierd en ontving als bekxMUQg 
voor zijn moedig ^1 beleidvol gedrag het kruis der 4* 
klasse dier orde. 

C. A. Le Bron de Vexela. Ontving als Luitenant ter Zee i* 

klasse eene buitengewone tevredenheidsbetuiging van Z. M. 
den Koning voor zijn gedrag b^ de expeditie naar Sama- 
langan. 

J. Ls Bron de Vexela. Verwierf als Majoor op Celebes het 
Ejuis der Militaire Willemsorde 4* klasse voor zijn moedig 
gedrag, waarbij hij het leven slechts te danken had aan de 
edelmoedige zelfopoffering van den Prins van Bonthain, 
onzen dapperen groothartigen bondgenoot, die hem bewon- 
derde wegens zijn moed, die aan roekeloosheid grensde. 
Als Luitenant Kolonel was hij in den Java-ooriog de 
beroemde en door d^i vijand gevreesde aanvoerder van 
eene mobile kolonne, waarvoor hij het Kruis der Militaire 
Willimsorde 3« klasse verwierf. 

J. L. Le Bron de Vexela. Verwierf voor zijne dapperheid en de 
beleidvolle aanvoering zijner kompagnie, die ontzaglijke ver- 
liezen leed bij den aanval en de verovering der Missigit ge- 
durende de 2® Atjehsche expeditie, het kruis der Militaire 
Willemsorde 4® klasse. Deze kompagnie behoorde tot het 



EBN GÜLDBN BLAD UIT DK INDISCHE KBUG8GK80HIKDKMIS 279 

roemvolle 3® Bataljon Inüanterie, aangevoerd door den 
algemeen bekenden dapperen Majoor E. P. Cavaljé, aan 
welks Vaandel voor de beide Atjeh-expediti6n het Kruis 
der Militaire Willemsorde schittert 

J. M. L. Le Bron ds Vexsla. Verwierf als i® Luitenant te Atjeh 
het kruis der Militaire Willemsorde 4® klasse. 

L. M. B. Lb Bron oe Vexela. Werd als Luitenant voor zijn 
dapper gedrag gedurende den Java-oorlog met de Militaire 
Willemsorde 4® klasse beloond. 

Het geslacht de Bru(|n 

H. F. W. DE Bruijn. Verwierf voor zijn moedig gedrag gedurende 
de expeditie ter Zuid- en Oosterafdeeling van Bomeo 
(Bandjermasin), waar hij gevaarlijk gewond werd, de 
Militaire Willemsorde. 

H. P. DE Bruijn. Werd reeds als 2* Luitenant bij de Marèchausées 
te Atjeh «Eervol vermeld» en vervolgens gedecoreerd met 
de Militaire Willemsorde wegens zijn hoogst moedig en 
beleidvol optreden. 

J. D. DE BRUijir. Nam als 2® Luitenant deel aan de expeditie 
naar Djambi en was bij de bestorming van den hard- 
nekkig verdedigden Kraton, de eerste die de vijandelijke 
wallen beklom ^1 in de sterkte sprong, waarbij hij ge- 
wond werd, en daarvoor het kruis der Militaire Willems- 
orde verwierf. 

J. H. DE Bruijn. Gkif op Atjeh herhaaldelijk blijken van grooten 
moed en groote kalmte in den strijd , vooral bij het bloe- 
dige gevecht bij Longbatta Missigit in 1874, waarbij zijn 
Chef de Majoor Mekem sneuvelde. Z. M. de Koning 
schonk hem het zoo welverdi^ide kruis der Militaire Wil- 
lemsorde. 

R. DE BRxnjN. Alphabetisch het laatst genoemd, doch de eerste 



280 KEN eULDXN BLAD ÜIT Dl OrDISOHS KBIJ&SeSSCHUEDXNIS 

van zijn geslacht, daar de andere zijne brave zonen zijn 
en H. P. de Bruijn zijn dapperen kleinzoon is. Nog twee 
zijner zonen H. W. O. en R. G. J. M. dienden eervol 
als Luitenant Kolonel en Majoor bij het Indische Leger, 
doch waren ongelukkig niet in de gelegenheid zich buiten- 
gewoon te onderscheiden, zooals zij zeker gedaan zouden 
hebben. 

Deze R. de Bruijn was als Luitenant in den Java-oorlog 
bijna altijd te velde en met zijne kleine patrouilles , waar- 
mede hij wonderen verrichtte, voortdurend de schrik des 
vijands. Herhaaldelijk werd hij gewond , en nauwelijks was h^ 
eenigzins hersteld, of zijne trouwe soldaten zagen hun 
aanvoerder weder in de gelederen. De Che& onder wien 
hij stond en die niet spoedig iemand prezen, getuigden 
van dezen dappere, dat zijne dapperheid , voortvarendhdd 
en beleid boven allen lof verheven waren. Hij, de eigen- 
lijke stamvader van dat geslacht, was de eerste van hen 
die de Militaire Willemsorde op zijn heldenborst zag 
schitteren. 

Het geslacht Collard 

P. A. A. Collard. Verwierf als Kapitein de Militaire Wil- 
lemsorde 4® klase, ^i verliet den dienst als Luitenant 
Kolonel. 

P. L. A. Collard. Werd als Luitenant met de Militaire Wil- 
lemsorde gedecoreerd voor den Atjeh-oorlog en verliet 
het Leger in den rang van Kolonel. 

P. L. A. Collard. Als Luitenant voor zijn moedig gedrag te 
Atjeh benoemd tot Ridder der Militaire Willemsorde , trad 
als Majoor in het burgerlijke leven terug. 

P. M. Collard. Luitenant ter zee i® klasse, werd voor zijn held- 
haftigen strijd tegen en zijne vervolging der zeeschuimeis 
in den Indischen Archipel beloond met het kruis der 
Militaire Wfllemsorde 3* klasse. 



EBK QÜLDKN BLAD UIT DK INDISCHE KRUaSQBSOHIBDlBNIS 281 

Het geslacht van Daalen 

E. C. VAN Daalen. Verwierf ter Westkust van Bomeo voor zijn 
moedig gedrag het kruis der Militaire Willemsorde 4® klasse. 
Was later als kolonelj tweede bevelhebber der Eerste 
Atjehsche expeditie, waarvanj hij na het sneuvelen van 
Generaal J. H. R. Kohier het opperbevel op zich nam, 
doch, door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil en 
beleid, den kwaden afloop niet keeren kon. 

G. C. E. VAN Daalen. Was bij de 2® expeditie tegen Atjeh, 
de algemeen bekende, beleidvolle en onversaagde Chef 
van den staf der 2® Brigade. Hij verwierf zich talrijke 
lauweren, die door een ieder die tot het Indische Leger 
behoorde van eiken rang en eiken graad werden erkend 
en zeker zouden de hoogste onderscheidingen dien dap- 
peren en kundigen Officier te beurt gevallen zijn, als niet 
eene noodlottige omstandigheid, alleen toe te schrijven aan 
zijn hooggeplaatst gevoel van eer en zijn onverschrokken 
ridderlijk karakter, tot aller leedwezen een einde aan zijne 
militaire loopbaan maakte. Zijn welverdiende roem is 
onbetwistbaar, al mocht hij ook het geluk niet smakende 
Militaire Willemsorde te dragen, naast het «Virtus Nobi- 
litat» dat reeds zijne borst versierde. Hij mag in de heldenrij 
van Nêerland's dapperen niet alleen niet ontbreken, maar 
bekleedt daarin eene voorname plaats. 

G. C. E. VAN Daai.£N. De waardige zoon van den vader, hier- 
boven genoemd ; dezelfde voornamen dragende , doch ook 
dezelfde groote militaire eigenschappen toonende. 

Hetzij voldoende te zeggen dat hij , de beleidvolle ^1 
dappere aanvoerder der zoo beroemde Marechaussees, 
reeds «Eervol vermeld> was en benoemd werd tot Ridder der 
Militaire Willemsorde 4® en 3® klasse, dat hij de «EeresabeU 
ontving voor zijn moedig gedrag en voor zijne kunde 
en beleidvol optreden bij keuze tot Majoor der Artillerie 
werd bevorderd. Tel père tel fils \ 



I 



282 KEN eULDXN BLAD UIT DK IMDISOHX KBUeseSSOHIBDBNIS 






Het geatacht Donteben. 

C. F. DoNLEBEN. Als Luitenant benoemd tot Ridder der Militaiit 
Willemsorde 4® klasse voor de expeditie in de Residentie 
BantauL 

G. J. DoNLEBEN. Werd als Luitenant voor den oorlog ter Sumatra's 
Westkust benoemd tot Ridder der Militaire Willemsorde 
4® klasse. 

Bij de 2® Balische expeditie onderscheidde hij zich door 
den zwaar verwonden Luitenant Wichers tegen 'svijands 
verwoede aanvallen te verdedigen en hem te redden, 
hoewel deze Officier een oogenblik later den geest gal 
D^i volgenden dag bij de bestorming der vijandel^ 
sterkte valt hij ^1 sterft in de armen van zijn broeder de 
Luitenant L. F. Donleben. 

J. H. Donleben. Verwierf als Luitenant het kruis der Militaire 
Willemsorde ter Westkust Bomeo. 

L. F. Donleben. Voor de 2® en 3® Balische expeditie als Lui- 
tenant versierd met het kruis der 4® klasse, mocht ak 
Kapitein ter Bomeo's Westkust het kruis der Militaire 
Wfllemsorde 3* klasse deelachtig worden. 

Het geslacht Franssen 

A. Franssen. Als 2® Luitenant voor de Lombok-expeditie be- 
noemd tot Ridder der Militaire Willemsorde en later te 
Atjeh voor zijn dapper gedrag begiftigd met de Eeresabd. 

F. Franssen. Voor de Lombok-expeditie versierd met het Rid- 
derkruis der Militaire Willemsorde. 

H. H. G. Franssen. De vader der beide voorgaande Officieren 
ontving als Kapitein ter erkenning zijner dappere daden 
het kruis der Militaire Willemsorde. 

Het geslacht Happé. 

C. F. W. K. K. Happé. Reeds als adelborst te Atjeh eervol 
vermeld. 



KIN eULDXN BLAD ÜIT DK INDISCHE KBUeSGBSCHIBDENIS 283' 

I. W. F. Hafpé. ontving als Luitenant voor Atjeh het kruis der 
Militaire WiUemsorde 4* klasse. 

L C. F. Haffé. Werd als Luitenant Adjudant bij de i« Balische 
expeditie benoemd tot Ridder der 4® klasse der Militaire 
Willemsorde. 

Als Kapitein deel uitmakende van de, de stelling van 
Djagaraga omtrekkende kolonne, stormde hij moedig aan het 
hoofd zijner kompagnie op e^ie hardnekkig verdedigde 
sterkte in en drong na een verwoed gevecht daarbinnen^ 
waarbij hij gevaarlijk gewond werd ; hij werd daarna beloond 
met de 3* klasse dier orde. 

Later was hij Adjudant des Konings in Buitengewonea 
Dienst, Generaal-Majoor en tevens Lid van den Raad 
van Ned. Indi6. 

Het geslacht van der He(|den 

.. C. VAN DER Heijden. Stierf den heldendood op het slagveld 
tijdens de expeditie van Lombok. 

'„ C. VAN DER Heijden. Als i« Luitenant ontving hij voor zijn 
moedig gedag tijdens de Lombok-expeditie van H. M. de 
Koningin het Ridderkruis der Militaire Willemsorde. 

1. VAN DER Heijden. De vader der beide voorgaande Offi- 
cieren, de beroemde Generaal <t^énoogi> te Atjeh , de onder 
den bijnaam ^Kareh algemeen bij de troepen bekende en 
geliefde dappere aanvoerder. 

Verwierf als sergeant-majoor bij de 3® Balische expeditie 
het Kruis der Militaire Willemsorde 4® klasse; onderscheidde 
zich bij de expeditie ter Zuid- en Ooster Afdeeling van 
Bomeo (Bandjermasin) waarvoor hij als Kapitein Eervol 
werd vermeld; werd voor zijn dapper en beleidvol gedrag, 
als Luitenant Kolonel aanvoerder van het 2® (Afrikaansche) 
Bataljon Infanterie bevorderd tot Ridder 3® klasse der 
Militaire Willemsorde. 



284 KEN eULDIN BLAD UIT DK IHDI8GHB KRUGSeSSOHIXDSMIS 

Als Kolonel en Generaal-majoor was hij Gouvemearm 
Atjeh en Onderhoorigheden en wist met vaste hand in dat g^ | 
west eene te dier tijd weinig gekende rust te doen heersdieDtj 

Bij een der blo^ge gevechten verloor hij in denstr^ 
één zijner oogen, wat hem onder den vijand den bijnaam 
van i^Generaal» of honing Éénoog-^ bezorgde. 

Voor zijn beleid schonk Z. M. de Koning hem het 
Kommandeurskruis der Militaire Willemsorde, benoemde 
hem tot Luitenant-Generaal en Adjudant in Buitengewonen 
Dienst. 

Hij was geruimen tijd Gouverneur van Bronbeek, ea 
een der schoonste voorbeelden van den moed, hetbeldd 
en de trouw van het Indische Leger. 

Het geslacht Kroesen 

C. M. H. Kroesen. Verwierf als Kapitein de Militaire Wfllems- 
orde voor den veldtocht tegen Boni, doch sneuvelde later 
als Majoor op diezelfde terreinen, toen hij zijn Bataljon 
voorging bij de bestorming van 'svijands moedig verde- 
digde hoofdversterking. 

F. J. Kroesen. Als Luitenant der Marechaussees te Atjeh voor 
zijn moedig gedrag «Eervol vermeld.» 

W. £. Kroesen. Als Majoor deel uitmakende van de expeditie 
tegen Boni werd hij voor zijn gedrag met de 3® klasse 
der Militaire Willemsorde beloond, nadat hij reeds vroeger 
als Kapitein voor de expeditie naar Nias het Ejiiis der 
4® klasse had verworven. 

Deze Officier was later de zoo bekende, kundige voort- 
varende Luitenant-Generaal, Kommandant van het Indische 
Leger. 

W. F. Kroesen. Zoon van den Luitenant-Generaal W. E. Kroesen, 
ontving als belooning voor zijn moedig gedrag te Atjeh 
de Militaire Willemsorde 4® klasse en werd Ha^rna nog 
tweemaal «Eervol vermeld» 



BKK QÜLDBN BLAD UIT DE INDISCHB KRUQSGBSOHnBDEMIS 285 

Het geslacht Schenck 

C. R. ScHEKCK* Een der dapperen op Sumatra^s Oostkust 
Eervol verpield voor de Lombok-expeditie. 

. J. A. W. Schenck. Als Luitenant een der helden bij de 
verovering van Palembang. Later ingedeeld bij de Jagers 
van Vermeulen Krieger sneuvelde hij roemrijk op Sumatra's 
Westkust en werd op den top van den Marapalm begraven. 

\ F. Schenck. Als Elapitein der Artillerie voor zijn moedig ge- 
drag te Atjeh gedecoreerd met de Militaire Willemsorde. 

Tot dit geslacht behoort nog 

. J. DE Jong. Die op Lombok het Kruis der Militaire Willems- 
orde verwierf, voor de moedige en beleidvolle wijze waarop 
hij zich door den vijand heensloeg, om ondersteuning te 
halen voor den ingesloten troep onder den Kapitein J. Ct 
Lindgreen. 

Het geslacht Sorg 

. J. Sorg. Als Kapitein benoemd tot Ridder 4* klasse der 
Militaire Willemsorde voor den oorlog ter Sumatra's West- 
kust, verwierf hij het Kruis der 3* klasse als Majoor voor 
de dappere bestorming van Djagaraga, waar hij gevaarlijk 
gewond werd, bij welke bestorming, die onder zijne leiding 
plaats had, nog twee Luitenants sneuvelden, drie Kapiteins 
en vier Luitenants gewond, zoomede 115 Onderofficieren 
en minderen buiten gevecht gesteld werden. 

Later sneuvelde hij als Majoor Kommandant der expe- 
ditie ter Bomeo's Westkust, bij de verovering van 
Pamangkat, terwijl hij zijne soldaten ter overwinning leidde. 

Ter herinnering aan dien dapperen aanvoerder werd het 
daar door ons opgerichte fort, het fort ««Sorg»» genoemd. 

. J. Sorg. Benoemd tot Ridder Militaire Willemsorde 4® klasse 
voor den oorlog tegen de Padrie's (Westkust Sunuitra). 
n. 49 



286 KEN eULDKN BLAD ÜIT DK INDISOHX KBUeSttl8CXB>XIRS 

J. F. Sorg. Verwierf als Kapitein by de y Balische expeditie 
het kruis der Militaire Willemsorde 4* klasse. 

J. M. Sorg. Werd voor den oorlog ter Sumatra's Westkust, be- 
noemd tot Ridder 4® klasse der Militaire Willemsorde. 

Het geslacht Stelnmetz. 

C. P. C. SxEiNBfETZ. Als Luitenant in den Java-oorlog Eervol 
vermeld; voor den oorlog tegen de Padrie's (Sumatra's 
Westkust) gedecoreerd met de Militaire Willemsorde 4® 
klasse en in dienzelfden oorlog, werd hij als Kapitein 
nogmaals eervol vermeld. 

Daarna, aangesteld tot Resident der Padangsche Boven- 
landen, verwierf hij voor zijn energiek optreden bij den 
plotseling weder uitgebroken opstand het Ridderkruis der 
Militaire Willemsorde 3* klasse. 

E. C. C. Steinmetz. Bij de 2® en 3® Balische expeditién, als 
Majoor der Genie, benoemd tot Ridder der MDitaire 
Willemsorde 4® klasse; was later Generaal-Majoor en 
Adjudant des Ronings in Buitengewonen Dienst. 

K. W. Steinmetz. Voor zijn moedig en beleidvol gedrag te Atjeh 
als Luitenant gedecoreerd met het Kruis der Militaire 
Willemsorde. 

Het geslacht de Sturler 

B. L. R. DE Sturler. Voor de eerste expeditie te Atfeh, wegens 

zijne dapperheid bij den aanval op de Missigit, waarbij 
hij zwaar gewond werd, als Luitenant beloond met het 
Ridderkruis der Militaire Willemsorde 4® klasse. 

C. B. F. DE Sturler. Werd als Kapitein voor zijne buitengewone 

dapperheid gedurende den oorlog tegen de Padrie's be- 
noemd tot Ridder Militaire Willemsorde 4® klasse en daarna 
bevorderd tot de 3® klasse dier orde. Was een der helden 
die bij het beleg van Bondjol de Padrie's ten onder brachten. 



BSN GULDBN BLAD UIT DE INDISCHB KBUGSGESCHIBDBNIS 287 

). F. W. DE Sturler. Verdiende als Majoor der Kavallerie op 
Sumatra's Westkust het Ridderkruis der Militaire Willems- 
orde 4* klasse. 

V, F. DE Sturler. Als Luitenant der Genie, voor de expeditiën 
naar Palembang in i8i9eni82i, benoemd tot Ridder 
Militaire Willemsorde 4® klasse. 

Het geslacht van Swieten 

\ C. J. VAN Swieten. Als Luitenant gedecoreerd met de Militaire 
Willemsorde voor zijn moedig gedrag in den Java-oorlog. 
Later als Majoor voor den oorlog op Sumatra bevorderd 
tot Ridder 3® klasse. 

. VAN Swieten. Reeds als Luitenant werd hij voor zijn moedig 
gedrag in den Java-oorlog benoemd tot Ridder Militaire 
Willemsorde 4* klasse. 

Als Luitenant Kolonel ter Sumatra's Westkust werd hij 
bevorderd tot Ridder y klasse dier orde en in dienzelfden 
rang werd hem voor de Balische expeditiën het £ere- 
teeken van den Nederlandschen Leeuw toegekend. 

Vervolgens viel hem als Generaal-Majoor de onder- 
scheiding te beurt bevorderd te worden tot Kommandeur 
der Militaire Willemsorde voor de onderwerping van Boni 
in 1859. 

Later afgetreden als Luitenant-Generaal Kommandant 
van het Indische Leger, was hij Adjudant des Koningsin 
Buitengewonen Dienst en werd benoemd tot Regeerings Com- 
missaris en Militair Opperbevelhebber der 2® expeditie 
te Atjeh, ten gevolge waarvan Z. M. de Koning hem 
voor zijne beleidvolle leiding, waardoor onze wapens een 
volkomen succes behaalden en den indruk, door onzen 
terugtocht bij de i® expeditie veroorzaakt, volkomen uit- 
wischten, waardig keurde om tot den hoogsten rang der 
Militaire Willemsorde op te klimmen en hem bevorderde 
tot Grootkruis dier Orde. 



288 WEK OÜLDIM BLAD ÜIT DK INDI8GHX KBUQSOSSOHISDBMia 

J. VAN SwiSTEN. Als Kapitein voor Atjeh Eervol vermeld. 

J. M. E. VAN SwiETEN. Stierf als Kapitein den heldendood op 
het slagveld te Atjeh, na zich langen tijd tegen eene kolos- 
sale overmacht verdedigd te hebben en met hem 47 
Onderofficieren en manschappen. 

K. F. VAN SwiETEN. De algemeen bekende, dappere en beleid- 
volle Controleur gedurende den Atjeh-oorlog , die zich zoo 
verdienstelijk maakte door zijne koelbloedigheid en onver- 
saagdheid. 

L. J. VAN SwiETEN. Sneuvelde als Luitenant bij de 3^ Balische 
expeditie, terwijl hij bij Djagaraga Neêrland's vlag op de 
wallen plantte. 

P. VAN SwiETEN. Bij de 2® Balische expeditie gesneuveld bij de 
bestorming der vijandelijke sterkte, waar hij het eerste 
binnen drong. 

W. G. J. VAN SwiETEN. Verwierf voor zijne dapperheid bij de 
Bonische expeditie het Ridderkruis der Militaire WO- 
lemsorde. 

Het geslacht Uhlenbeck 

C. A. Uhlenbeck. Herhaaldelijk roemvol in Indié gediend. Had 
reeds de Militaire Willemsorde voor zijn dapper gedrag 
op de Schelde (1831). 

C. £. Uhlenbeck. Als Luitenant ter Zee i* klasse eervol ver- 
meld voor de expeditie naar Samalangan. 

C. S. Uhlenbeck en D. W. Uhlenbeck. Twee broeders die bg 

de 2® Balische expeditie , in den hevigen strijd op de wallen 
van Djagaraga, den heldendood stierven. 

D. J. Uhlenbeck. Werd voor de i* Balische expeditie als Lui- 

tenant der Genie gedecoreerd met de Willemsorde. 

P. H. Uhlenbeck. Verwierf als Luitenant der Genie de Militaire 
Willemsorde voor de 2* expeditie naar Palembang. 



KEN eULDEN BLAD UIT DK INDISCHE KBUGSdESCHIBDKNIS 289 

F. F. Uhlekbeck. Als Luitenant ter Zee 2® klasse benoemd tot 

Ridder der Militaire Willemsorde voor zijn dapper gedrag 
tegenover de zeeroovers in den Indischen Archipel. 

Het geslacht VerspUck 

A. Versfijck. Als Luitenant benoemd tot Ridder der Militaire 
Willemsorde voor de expeditie naar de Pasumah (Palem- 
bang). 

G. M. VERSPijqK Jh'. Verwierf als Kapitein het Eereteeken der 

Militaire Willemsorde voor zijn heldhaftig gedrag ter Wester 
Afdeeling van Bomeo. 

Was als Majoor en Luitenant Kolonel de zoo bekende 
leider der krijgsverrichtingen ter Zuid- en Ooster Afdeeling 
van Bomeo (Banjermasin) , waar hij door zijn beleid den 
zoo uitgebreiden en hardnekkigen opstand bedwong, 
waarvoor Z. M. de Koning hem het Elruis der3® klasse 
schonk. 

Later was hij de 2^® Bevelhebber der 2® Atjeh expeditie , 
waar zijn voorbeeld onze dappere soldaten bezielde. Z. M. 
benoemde hem daarvoor tot Kommandeur der Militaire 
Willemsorde, Luitenant-Generaal, Groot Officier en Adju- 
dant Generaal en verhief hem in den Adelstand. 

Sedert 1896 is hij bovendien Kanselier der Neder- 
landsche Orden. 

Algemeen bemind en geëerd als hij was, was hij in 
staat de troepen door zijn voorbeeld en een enkel aan- 
moedigend woord tot de meest gevaarlijke en heldhaftigste 
daden aan te sporen. Hij was een der aanvoerders waarop 
het Indische Leger met recht zoo trotsch is. 

F. M. Versfijck. Werd voor de expeditie in de Zuid- en Ooster- 
Afdeeling van Bomeo als Luitenant benoemd tot Ridder der 
Militaire Willemsorde, eerst nadat hij herhaaldelijk wegens 
zijn grooten moed en beleidvol optreden door verschillende 
Che£3 voor eene belooning was voorgedragen. 



290 KEN GULDBN BLAD UIT DE IMDISCHB KRUeSGSSGHIBDENIS 

Het geslacht Vis 

H. M. Vis. Als Luitenant der Marechaussees te Atjeh gedeco- 
reerd met de Militaire Willemsorde en daarna belast met de 
waarneming der betrekking van Controleur. Ueze kundige, 
dappere en hooggewaardeerde Luitenant sneuvelde op jeug- 
digen leeftijd bij de gevangenneming van een Inlandsch 
Hoofd dat heftigen weerstand bood en terwijl hij zijne 
ondergeschikten voor gevaar wilde behoeden. De rouw was 
algemeen en het verlies werd voor het Leger zeer groot 
geacht, zelfs door de hoogste autoriteiten. 

M. H. Vis. De vader van H. M. Vis, werd als Kapitein voor 
zijn dapper en beleidvol gedrag te Atjeh begiftigd met het 
Kruis der Militaire Willemsorde. 

P. M. Vis. Ontving als Luitenant der Artillerie voor zijn moedig 
standhouden met zijn geschut op Lombok, tijdens den 
overval, het Ridderkruis der Militaire Willemsorde. 

De geslachten waarvan twee personen zich roemrijk onder- 
scheidden zijn te talrijk om hier vermeld te worden en nog 
talrijker is het groote aantal van hen, die dapperheid aan 
beleid en moed parende, dikwqls met hun bloed hunne namen 
griften in het Gulden Boek van Neêrland's krijgsgeschiedenis in 
Indie. 

Bon sang ne peut mentir! 

Het Edele Nederlandsche bloed verloochent zich nooit I 

Daarom kan Koningin en Vaderland in de ure des gevaars 
altijd rekenen op Neêrland's brave, moedige zonen; even als 
de afstammelingen dier door Militaire deugden geadelde ge- 
slachten en even als het geheele Legioen van dapperen , die met de 
wapens Neêrland's recht handhaafden , of in de tropen vielen in 
den strijd voor Vorst en Vaderland, zullen zij aUes opofiferen 
voor de instandhouding der rust, de onschendbaarheid der ons 
zoo dierbare vrijheid en de hechtheid van Oranje's troon ; nieuwe 
geslachten zullen verrijzen , die zich onverwelkbre lauweren om de 



BBN eüLDlEN BLAD ÜIT DB INDISCHE KBIJ6S6BSCHIEDENIS 291 

slapen zullen vlechten en de adelbrieven van moed, beleid en 
trouw zullen veroveren, naar het voorbeeld der vaderen, in de 
schaduw van Neêrland's gewijde vlag en onder de tonen van 
het hartverheffend Wilhelmus, eene heldenschaar vormende, die 
sterft op de bres en van geen wijken weet, want de eer en de 
vrijheid is aan ons dapper volk dierbaarder dan het leven. 

Zoo'n volk is de vrijheid waard!... Het kan wel door de 
overmacht overwonnen worden, doch nooit onderdrukt!... Het 
sterft liever strijdende voor huis en haard, dan de vrijheid te 
verliezen ! . . . 



Wet, houdende instelling van de Milit&ire 
Willems-Orde , gearresteerd den SO» April 
1815, n^ 5 

Wij WILLEM, ^' de gratie Gods, Koning de 
Nederlanden, Prins van Oranje Nassau, Groot" 
Hertog van LMxemhurg, enz. enz. enz. 

Alzoo Wij in overw^;ing hebben genomen, dat het toel^;geD 
van vereerende belooningen aan, en het dragen der daartoe 
behoorende teekenen of decoratien door diegenen, welke zich van 
de pligten, aan de krijgsdienst te water en te lande verbonden, 
door uitstekende daden van moed, beleid en trouw hebben ge- 
kweten, bijzonder geschikt is tot opwakkering en aankweeking dier 
krijgshaftige deugden; en dat ook uit dien hoofde bij meest alle 
Europeesche Mogendheden militaire orden van verdiensten zijn 
ingesteld; dat het bovenal voor den militairen stand vereerend 
is en tot een prikkel tot het verrigten van groote daden kan 
verstrekken wanneer elk en een ieder van dien stand, van den 
hoogsten tot den laagsten in rang, in het geval zijn, om door 
schitterende bedrijven in het verwerven van zoodanige eervolle 
onderscheidingsteekenen te kunnen deelen, en dat Onze verheffing 
tot den Nederlandschen Troon eene geschikte gelegenheid is , om 
voor Ons krijgsvolk te water en te lande eene zoodanige eervolle 
mflitaire Orde in te stellen; 

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met 
gemeen overleg van de Staten-Generaal, goedgevonden hebben 
te bepalen en te statusren, gelijk wij bepalen en statusren bij deze : 

Artikel i. 

Er wordt ingesteld eene Orde, strekkende tot belooning van 
uitstekende daden van moed, beleid en trouw, bedreven door 



WST HOUDXNDB INSTELLING DBB ICILITAIBB WILLSMS-OBDB 29B 

diegenen, welke, zoo ter zee als te lande, in welke betrekking 
ook, en zonder onderscheid van stand of rang. Ons en het 
Vaderland dienen. Deze Orde zal echter in bijzondere gevallen 
ook kunnen worden gegeven aan vreemde militairen, niet in 
Nederlandschen dienst zijnde. 

Artikel 2. 
De Orde zal den naam dragen van de Militaire WilUms^Orde. 

Artikel 3. 

Wij verklaren Ons te zijn Grootmeester dezer Orde. Het 
Grootmeesterschap van dezelve zal onafscheidelijk aan de Kroon 
der Nederlanden verbonden zijn. 

Artikel 4. 

De Müitare Willems-Orde zal bestaan uit vier klassen. 

De Ridders van de i® klasse dragen de benaming |van Groot- 
Kruisen; die van de 2® klasse dragen den naam van Komman- 
deurs; die van de 3® en 4* klasse worden onderscheiden door 
de vermelding van eene dier beide klassen, waartoe zij be- 
noemd zijn. 

Artikel 5. 

De benoeming tot alle plaatsen van Groot-Kruisen, Komman- 
deurs en Ridders [zal door Ons geschieden. 

Artikel 6. 

Het versiersel der Orde zal bestaan in een wit geëmailleerd 
kruis, met acht gouden geparelde pimten. 

Op de armen van het kruis de woorden: Voor Moed, Beleid, 
Trouw, 

Over hetzelve ligt het Bourgondisch kruis, bestaande uit groene 
laurierstokken, zaamverbonden door den gouden vuurslag; op 
de tegenzijde vervangen door een blaauw geëmailleerd medaillon, 
waarop in het midden van een lauwerkrans W., alles gedekt 
door eene gouden Koninklijke Kroon. 

Het lint, oranje, met smalle donker blaauwe strepen. 



2d4 WET HOUDKMDB IN8TELLIM6 OIB lOLITAIBB WUJUKMB 

voor de Groot^Kruisen: 

Eene zilveren ster, geborduurd op den rok aan de linkerzijde 
en het juwed van de Orde aan een lint, vier vingeren breed, 
en echatpe van de regter naar de linkerzijde; 

7X>or de Commandeurs: 

Het Ordes- teeken geborduurd op den rok aan de linkerzijde, 
zonder ster, doch met de kroon, en het juweel aan een lint, 
drie vingeren breed, en sautoir om den hals; 

voor de Ridders van de 3* klasse: 

Het Ordes-teeken aan een lint, twee vingeren breed aan het 
knoopsgat, en 

voor de Ridders der 4* klasse: 

Een kleiner Ordes-teeken, hebbende de punten, vuurslag en 
kroon in zilver aan een lint, een vinger breed aan het knoopsgat 

Artikel 8. 

De militairen te water en te lande, die geen officiers-rang 
hebben, krijgen, wanneer zij tot Ridders van de 4^ klasse 
benoemd worden, eene verhooging van inkomen, gelijkstaande 
met de helft der soldij , welke door hen op het oogenblik hunner 
benoeming wordt genoten. De soldij zal worden verdubbeld voor 
diegenen der voormelde militairen welke tot Ridders van de 
3de klasse mogten worden benoemd. 

Artikel 9. 

Tot betaling der gemelde verhooging van soldij en goedmaking 
der verdere onkosten der Orde, zal jaarlijks eene somma op de 
begrooting der staatsbehoeften worden gebragt 

Artikel 10. 

Het lidmaatschap en versiersel der Orde kan niet worden 
verloren, dan ten gevolge van een onteerend vonnis. 

Artikel ii. 
Het kapittel der Orde zal bestaan uit zoo vele leden, als door 



WET HOÜDEMDB INSTBLLINa DXB KILITAIBK WILUBfSHniDE 295 

Ons noodig zal worden geoordeeld, en Wij daartoe uit de 
Groot-Kruisen, Kommandeurs of Ridders zullen benoemen. 

Bij hetzelve Kapittel zullen fungeren een Kanselier en een The- 
saurier, daartoe door Ons, uit de leden der Orde te benoemen. 

Artikel 12. 

Door Ons zullen in het vervolg worden vastgesteld zoodanige 
bepalingen, als Wij, opzigtelijk de voordrachten, om tot lid 
van deze Orde te worden b^ioemd , alsmede opzigtelijk de soort 
en den aard der bewijzen, welke daartoe zullen moeten wor- 
den ingediend en het onderzoek van dezelve, dienstig mogten 
oordeelen, gelijk mede de vereischte reglementen omtrent al 
hetgeen tot de administratie en discipline der Orde, de beheering 
der aan dezelve geaffecteerde fondsen en de werkzaamheden 
van het kapittel betrekkdijk is. 

En opdat zulks kome ter kennisse van een iegelijk wien het 
mag aangaan, zal de tegenwoordige wet in het SfaeUsólad worden. 
geplaatst. 

Gegeven te Brussd, den 30^» April des jaars 181 5, het 
tweede van Onze regering. 

(Geteekend) WILLEM. 

Van wege den Koning 

(Geteekend) A. R. Falck. 



REGLEMENT 



YOOB DK 

MILITAIRE WILLEMS-ORDE. 

Artikel i. 

Daar het getrouw en wel nakomen zijner pligten van ieder 
krijgsman met rede kan gevorderd worden, en hem aanspraak 
geeft op de algemeene achting, niet op bijzondere belooningen, 
zoo worden alleen voor uitstekende krijgsdaden, op de Militaire 
WillemS'Orde aanspraak gevende, gehouden, de zoodanigen welke 
hadden kimnen nagelaten worden, zonder zich even daardoor 
aan pligtverzuim schuldig te maken, en welke dus eenen meer 
dan gewonen graad van moed, beleid en trouw openbaren. 

Artikel 2. 

Aan dezen algemeenen regel zullen getoetst worden alle bijzon- 
dere krijgsdaden door welke men meenen zoude op é& Militaire 
Willems'Orde aanspraak te kunnen maken, doch welke die be- 
looning slechts verdienen, wanneer zij het uitwerksel zijn geweest 
van uitstekenden moed, beleid of trouw; als, bijv.: het winnen 
van veld- en zeeslagen, het nemen van vestingen, schepen, 
sterke positien, redouten, batterijen, stukken geschut, vaandds, 
standaarden en andere eereteekens, het voordragen en helpen 
uitvoeren van plans van operatien, het verdedigen van plaatsen, 
posten, schepen, het met chaloupes aanvallen, enteren en ver- 
overen van vijandelijke schepen in eene haven of baai, het door 
eigen handen gevangen nemen of des noods afmaken van verre 
in rang boven den uitvoerder verhevene personen, het bescher- 



BB6LBMSNT VOOB DB MILTTAIBB WILLBMS-OBDB 297 

men, beveiligen en hernemen van verre in rang boven zich 
zijnde chefs, het ter hulpe snellen van bedreigde punten, het 
nemen en verwoesten van vijandelijke magazijnen, transporten, 
krijgskassen , het eerst beklimmen van bressen, het eerst over- 
springen op geênterde schepen, het eerst invallen in eene bestormd 
wordende redoute of batterij, het zich eenen weg banen door 
groote magt omsingeld zijnde, en andere daden met eenige der 
bovengemelden van gelijken aard. 

Artikel 3. 

Eene uitstekende daad bedreven zijnde, zal zulks moeten blijken 
door de duidelijkste beschrijving derzeive: gestaafd door de getui- 
genissen van vijf Officieren, ooggetuigen van het verrigte en 
zooveel het zijn kan in rang naderende aan dengenen die ver- 
meend wordt zich te hebben onderscheiden, wanneer deze 
namdijk een Officier is. Indien er zoo vele Officieren, oogge- 
tuigen der daad, niet worden gevonden, zal een dubbel getal 
onder-officieren en soldaten de plaats van de ontbrekende Offi- 
cieren kunnen vervullen. 

Artikel 4. 

Indien de omstandigheden, waarin de daad is verrigt, van 
dien aard zijn, dat het vereischte getal ooggetuigen niet wel kan 
gevonden worden, zoo zal een minder getal van verklaringen 
van de belooning niet uitsluiten, wanneer overigens de daad 
genoegzaam zeker kan bewezen worden. 

Artikel 5. 
Alle chefs zijn, op himne verantwoordelijkheid, veipligt ter 
kennis van himne superieuren te brengen, de uitstekende daden 
onder himne bevelen bedreven en ter hunner kennis gekomen, 
al geschiedde ook door de uitvoerders derzeive geene bijzondere 
aanvraag daarvan. Deze rapporten komen tot hem die de armee 
of vloot of eene bijzondere afdeeling kommandeert, zonder over- 
schrijding der militaire hierachie. 

Artikel 6. 
Evenmin kan de militaire hiërarchie worden overschreden, 



298 BBOLBlfENT TOOB DE MILITAISB WILLEMS-OBOB 

door dengenen welken meent eene aanvraag te kunnen doen 
tot het verkrijgen van het Ordes-teeken; alleen wanneer de 
reclamant vermeent dat uit ongunst de naaste superieur de aan- 
vraag niet hooger brengt, zal hij zich kunnen wenden tot 
den naastvolgenden bij opklimming in rang, en, dezelve rede 
ook bij dezen bestaande, tot den volgende, en zoo voorts tot 
aan Ons. 

Artilel 7. 

Zij, welke opgeroepen worden of zich aangeven tot het doen 
van verklaringen, ten behoeve van dezulke welke ondersteld 
worden, uitgemimt te hebben, zullen deze verklaring moeten 
afleggen in handen van den auditeur van het leger of van den 
fiscaal der vloot, den kommanderenden Officier van het korps 
of schip, den chef van den staf eener brigade, divisie of eskader, 
of den generaal adjudant van het Leger, en zulks naar gelang 
van den rang van den persoon of der omstandigheid, waaronder 
de daad is verrigt, en na vooraf op hun eerewoord de belofte 
te hebben gedaan, van in de verklaring zich niet te zullen laten 
leiden door bijzondere genegenheid voor of afkeer van den per- 
soon die er het voorwerp van is, maar alleen uit liefde voor de 
waarheid. 

ARTIKEL 8. 

Deze verklaring, behoorlijk geverbaliseerd zijnde, zal duidelijk 
worden voorgelezen en door den declarant, bij dezelve persisterende 
door zijne handteekening worden bekrachtigd. 

ARTIKEL 9. 

Verklaringen van soldaten of matrozen die niet kunnen schrij- 
ven, zullen door dezelve met een merk worden geteekend, in 
tegenwoordigheid van twee officieren, andere dan die in wier 
handen de verklaring wordt afgelegd, welke met hunne hand- 
teekening zullen moeten certificeren dat zulks het werk is van 
den declarant, en dat hij ten duidelijkste getoond heeft te be- 
grijpen wat hij verklaard en geattesteerd heeft. 



SB6LBMBMT TOOR DB MILITAIBB WILLBMS-OSDB 299 

ARTIKEL lO. 

De chefs der corpsen of schepen zenden zoodanige verklaringen 
op, aan den kommandant der brigade of van het eskader, of 
wel aan zoodanige bevelhebber onder wiens onmiddelijk bevel zij 
staan, tot dat dezelve in handen van den kommanderenden 
Generaal of Admiraal komen, welke de verzoeken en attesten 
aan den Secretaris van Staat voor de Marine, of den Commissaris- 
Generaal voor het departement van Oorlog, doet toekomen, om 
door hen aan Ons ingeleverd te worden. 

ARTIKEL II. 

Alle stukken betrekkelijk aanvragen om met de Millitaire Wiliems^ 
orde versierd te worden, zullen in handen van het Kapittel dier- 
zelfde Orde gesteld worden, om ons daarop te dienen van 
consideratien en advijs, wordende aan het Kapittel der Orde 
wel uitdrukkelijk aanbevolen, om geene gunstige voordragt te 
doen, indien de bewijsstukken niet goed in orde zijn, alsmede 
wanneer hetzelve kennis draagt dat voor uitstekender daden , dan 
die waarvoor de belooning wordt gevraagd, het Ordesteeken aan 
anderen niet mogt zijn vergund. 

Artikel 12. 

Bij deze beoordeeling der daden, zal het Kapittel m aanmer- 
king moeten nemen den rang van hem welke heeft uitgemimt, 
de omstandigheden waarin hij zich bevond, de middelen waar» 
over hij beschikken konde, den graad van moed, beleid en 
trouw welken hij heeft aan den dag gelegd, en naar mate van 
de uitstekendheid der daad , advijseren tot het beloonen derzelve 
met het Ordes-teeken der i«*«, 2<^«, 3^ of 4^ klasse; in het 
bijzonder in acht nemende, dat de toekenning der 3^ of 4^ 
klasse aan onderofficieren, matrozen en soldaten, zoodanig ge- 
schiede, dat diegene welke eene daad van uitstekende dapperheid 
heeft bedreven de 4^ klasse bekome, doch de 3^ klasse alleen 
verleend aan hem die bij uitstekende dapperheid, bijzonder beleid 
zal gevoegd hebben. 



300 BieLBMEMT TOOB DB MILITAIBX WILLEMS-OBDS 

Artikel 13, 

Wanneer het Kapittel vermeent dat iemand, schoon niet tot 
het eere- teeken der Orde geregtigd, evenwel Onze bijzondere 
attentie verdient, zal hetzelve kunnen voordragen, dat bij het 
gehede leger of de vloot bij dag-order honorabele mentie van 
de verrigtingen van den zoodanigen worde gemaakt, terwijl zijn 
naam op eene lijst, bij het Kapittel te houden, zal aangeteekend 
blijven, om, ingeval dezelfde persoon andermaal uitmunt, daarop 
regard te slaan. 

Artikel 14. 

De verheffing tot Ridder, of bevordering in de Orde, wordt 
altijd aan het Kapittel medegedeeld; zij zal ook op de order 
der armee of vloot en door de Staats^ Courant worden bekend 
gemaakt, met aanwijzing van de daad waarvoor deze eervdle 
belooning is toegestaan. Tevens zullen daarbij de n^tn^n en 
kwaliteiten worden opgegeven van diegenen wdke de verklariog 
ter staving van het verrigte hebben a%elegd. 

Artikel 15. 

Iemand verdiend hebbende om tot Ridder eener hoogere klasse 
verheven te worden, zal eerst tot Ridder der lagere klasse be- 
noemd wórden, indien hij dezelve niet reeds te voren heeft 
verkregen, en alsdan terstond tot de hoogere klasse worden 
bevorderd. 

Artikel 16. 

De bepalingen in de vorige artikelen van 3 tot 15 voorko- 
mende, zullen niet van toepassing zijn op de eerste door Ons 
te doene benoeming van Ridders. 

Artikel 17. 

Wij behouden aan Ons de magt om, bij het leger tegen- 
woordig zijnde, diegenen welke onder Ons oog door uitstekende 
daden uitmunten, zonder iemands tusschenkomst, dadelijk door 
het schenken der Ordes-teekens te beloonen. 



BieUBMEMT VOOB DB MILITAISB WILLBMS-OSDB 301 

Artikel i8. 

Indien een korps bijzonder heeft uitgemunt, zal hetzelve, bij 
een bijzonder besluit de eer kunnen genieten, dat dezelfe vaan- 
dels of standaarden met het teeken der Willems-Orde vereerd 
worden. 

Artikel 19. 

Bij het uitreiken der decoratien zal altijd de meest mogelijke 
militaire luister plaats hebben, en op het oogenblik der cere- 
monie militaire muzijk en trompetten-geschal gehoord worden. 

Artikel 20. 

£r zullen bij die gelegenheid zoo vele Ridders vereenigd 
worden, als geschieden kan zonder eenige stremming aan de 
dienst toe te brengen. 

Artikel 21. 

Bij het ontvangen der decoratie, zullen de Ridders in handen 
van hem die dezelve aan hen uitreikt, den navolgenden eed 
afleggen. 

^ beloof en zweer mij als een getrouw en wakker Ridder 
€te zullen gedragen, mijn leven altoos te zullen veil hebben voor 
^Koning en Vaderland, en door al mijn vermogen mij steeds 
€trachten waardig te maken de onderscheiding mij door den 
^Koning toegestaan, 

cZoO WAARLIJK HELFE MIJ GOD AlMAGTIG!» 

Artikel 22, 

De onder*officieren, soldaten en matrozen bekomen de deco- 
ratie uit handen van den bevelheber van hun korps of schip, 
het geheele korps onder de wapenen, of wel de equipagie op 
het dek vereenigd zijnde, bij welke gelegenheid de komman- 
derende Offider eene gepaste aanspraak aan den gedecoreerde 
doet, en eene andere aan het gezamenlijk korps ter aanmoe* 
diging om meerdere eere-teekens te verdienen. 

U 20 



802 bboubiflnt voob db militaibb willems-obdb 

Artikel 23. 

Op den dag op welken de onder-offider of soldaat wordt ge- 
decoreerd, zal hij aan de Offiders-tafel van zijn koips of van 
zijn dief ter maaltijd worden genoodigd en to^elaten. 

Artikel 24. 

De Offideren ontvangen het Ordes-teeken uit handen van dea 
Generaal of Admiraal, het leger, de vloot of de afdeeling kom- 
manderende , altijd met eene gedeelte troepen onder de wapenen 
en met gepaste aanspraken als voren. 

Artikel 25. 

De Kommandeurs ontvangen hmme decoratie op de wijze 
hiervoren omschreven, uit handen van den Generaal en Chef of 
van den Vloot- Voogt 

Artikel 26. 

De Groot-Elruisen ontvangen dezelve met eene vermeerdering 
van plechtighdd op dezelfde wijze. 

Wij behouden evenwel aan Ons om de decoratie zelve uit 
te reiken. 

Artikel it. 

Bij die gdegenhdd zal de plegtighdd plaats hebben voor 
Onzen troon, in het bijzijn der leden van het Kapittel en andere 
Ridders; zullende de kandidaat, geknidd op den trap des troons, 
de decoratie uit Onze handen ontvangen, waarna de Elanselier 
der Orde aan hem de accolade zal geven. En voorts zoodanige 
ceremoniën zullen plaats hebben als telke reize zullen bepaald 
worden. 

Artikel 28. 

Bij alle uitreikingen van decoratien, hetzij door Generaals, 
Admiraals, Che£s van korpsen of Kommandanten van schepen, 
zal, dadelijk na de overgifte der decoratie, diegene die het 
Ordes-teeken ontvangen heeft, de accolade van de aanwezige 
Ridders ontvangen, 



RB6LBMBMT TOOB DB MILITAIBB WILLEMS-OSDB 303 

De onder-offideren en soldaten altijd van Officieren, tot 
dezelfde of tot hoogere klassen in de Orde behoorende, en de 
Officieren van hunne gelijke of hoogere in de Orde. 

Artikel 29. 
Aan ieder Ridder wordt bij deszelfs benoeming tevens met 
de decoratie door den Kanselier toegezonden een exemplaar 
van de wet van 30 April 18 15, n9 5, benevens een exemplaar 
van het reglement van administratie en discipline der Orde. 
Ook ontvangt hij van de kanselarij, zonder eenige kosten, zijn 

Ridder-diploma. 

Artikel 30. 

Een gedecoreerd onder-officier, soldaat of matroos schild- 
wachten passerende, zullen deze voor hem het geweer aantrekken, 
en in het algemeen dezdfde honneurs aan hem als aan eenen 

Officier bewijzen. 

Artikel 31. 

Alle schildwachten presenteeren het geweer voor de Komman- 

deurs, al is him rang beneden die, welke op deze eerbewijzen 

regt hebben. 

Artikel 32. 

De Groot-Kruisen geenen hoogeren rang dan die van Generaal- 
Majoor of Schout-bij-Nacht hebbende, ontvangen de militaire 
eerbewijzingen in eenen graad hooger dan dien, welke zij in de 
armee of marine bekleeden. 

Artikel 33. 
De etiquette van het paleis bepaalt de plaats die de Groot- 
Kruisen bij den troon ter gelegenheid van groote plechtigheden 
zullen innemen, alsmede welke onderscheiding aan de Ridders 
van de verschillende klassen ten hove zal worden toegestaan. 

Artikel 34. 

Bij korpsen die eerewachten geven bij Ons, bij de Koningin 
of de Prinsen van den bloede, zullen de gedecoreerde onder- 
officieren en soldaten onder dezelve altijd bij voorkeur tot die 
wachten worden bestemd. 



904 BieLDOMT VOOB DB mUTAlBB WILUDCB-OBDB 

Artikel 35. 

Bij het overlijden van Ridders , zal het ceremonieel der be- 
grafenis altijd voor eenen graad hooger dan dien zij in deannée 
of marine bekleeden, plaats hebben; derzdver decoratie zal voor 
het laatst op het kleed dat het lijk bedekt, prijken, en de hoeken 
des kleeds zoo veel doenlijk gedragen worden door gedecoreerden; 
de Ridders die tot het korps behooren, zoo het een onder- 
officier of soldaat is, zullen het lijk volgen; indien het een 
Officier, met de orde van de 3® klasse versierd, is, alle Ridders 
die bij de brigade, het kantonnement of in het garnizoen t^en- 
woordig zijn; en bij de Kommandeurs en Groot-Kruisen aQe 
de Ridders van de armee of vloot, voor zooverre hiertoe geene 
voor de dienst schadelijke verplaatsing vereischt wordt 

Artikel 36. 

Een ieder die de eer heeft tot de Militaire WtHems-Orde te 
behooren, zal altijd in het openbaar met het Ridderteeken 
verschijnen; het groote lint evenwel wordt niet dan in gala 
boven den rok gedragen. 

ARTIKEL 37. 

De Groot-Kndsen , Kommandeurs en Ridders , mogen derzdver 
wapen met het Ordes-teeken versieren. 

ARTIKEL 38. 

Bij derzelver overlijden zijn hmme er%enamen verpligt het 
versiersel der Orde aan den Kanselier terug te zenden. 

ARTIKEL 39. 

Geen krijgsraad of regter spreekt een onteerend vonnis over 
een Ridder uit, dan na aan hem het Ordes-teeken te hebben 
doen afleggen. 

ARTIKEL 40. 

Onder de onteerende vonnissen wordt med^erekend het met 
een brieQe van ontslag wegzenden van een onderofficier of soldaat, 
hetgeen derhalve ten opzigte van eenen gedecoreerde niet zal 



BBeUBMSMT TOOB DE MIUTAIBX WILLEMS-OBDB 305 

kunnen geschieden op een eenvoudig voorstel van den komman- 
dant van het korps aan den Commissaris-Generaal voor het 
departement van Oorlog; maar indien o verhoopt een gedecoreerd 
onderofficier of soldaat zich aan zoodanige fouten mogt schuldig 
maken, om welke hij met een brieQe van ontslag verdient weg- 
gezonden te worden, zal de Chef van het korps een raad van 
zeven leden bijeen roepen, zooveel doenlijk zamengesteld uit 
gedecoreerde Officieren, onderofficieren en soldaten]van het korps , 
welke, na het gedrag van den beschuldigde te hebben onderzocht, 
derzelver opinie zullen uitbrengen, of de van doorgaande incon- 
duite beschuldigde gedecoreerde al ot niet verdient van het 
korps te worden weggezonden, en indien vijf stemmen tegen 
den beschuldigden zijn, zal de voordragt aan den Commissaris- 
Generaal geschieden. 

Onder de leden die in zulk een geval oordeelen, zullen er 
geene beneden den graad van den beschuldigde zijn, maar des 
mogelijk twee met hem in rang gelijkstaande, en zoo er zich 
geen twee gedecoreerden van zijn graad bevinden, zal de be- 
oordeeling alleen toevertrouwd worden aan himne superieure 
Officieren en onder-offideren. 

ARTIKEL 41 

Door Ons zullen uit de Groot-Kruisen, Kommandeurs en 
Ridders benoemd worden, om het Kapittel der Orde uit te 
maken, zeven leden, één van welke te gelijk Kanselier en een 
ander Thesaurier der Orde zijn zal. 

Artikel 42. 

Dit Kapittel wordt door den Kanselier beschreven op Onze 
bijzondere autorisatie. 

ARTIKEL 43. 

Hetzelve zal Ons dienen van advijs op alles deze Orde be- 
treffende, hetgeen Wij ten dien einde noodig zullen oordeelen 
in deszelfs handen te stellen, en meer bepaaldelijk omtrent de 
voordragten en aanvragen om in de Orde te worden aangenomen 
en bevorderd. 



806 BIOLUfEMT TOOB Dl MIUTAIBS WILLUB-OBDK 

ARTIKEL 44. 

Het Kapittel zal vennogen aan Ons voorsteUen te doen, om- 
trent alles wat tot roem en nut der MüUair* Wiilems^Orde kan 
verstrekken. 

ARTIKEL 45. 

Het Kapittel ontvangt op Onze bijzondere autorisatie van de 
departementen van Marine en Oorlog extracten uit de conduite- 
lijsten, voor zooverre de gedecoreerde Offidereu betreft. 

ARTIKEL 46. 

Het Kapittel maakt, onder Onze goedkeuring , de noodige 
schikking met den Secretaris van Staat voor de Financien om- 
trent de gelden die ter beschikking der Orde in de kas van 
den Thesaurier zullen worden gestort 

ARTIKEL 47. 

Het Kapittel beraamt met den Secretaris van Staat voor de 
Marine en den Commissaris-Generaal voor het departement van 
Oorlog, de wijze waarop geroeid aan de militairen en zeelieden , 
de pensioenen, die zij van de Militaire Willems^Orde ontvangen, 
zullen worden uitbetaald, ten einde het vermeerderen van 
noodelooze ambtenaren te voorkomen. 

ARTIKEL 48. 

Het Kapittel maakt jaarlijks tijdig op het budget van deszelfe 
waarschijnlijke behoeften voor het volgende jaar, en biedt zulks 
Ons aan. 

Artikel 49. 

Het Kapittel zal vervaardigen en Ons aanbieden concept- 
instructien voor den Kanselier en Thesaurier, alsmede een voor- 
dracht omtrent het getal en de kwaliteit der ambtenaren die, 
tot rigtige uitvoering van alles wat de wet betreft, zullen ver- 
eischt worden. 

Artikel 50. 

De instructie voor den Kanselier, door het Kapittel te ver* 



RieLSMBNT VOOB DB MIUTAIBS WILLKICS-OBDB d07 

vaardigen, bepaalt de onderwerpen die de Elanselier kan afdoen» 
en welke hij ter kennisse van het Kapittel moet brengen. 

Artikel 51. 

De Kanselier voert de correspondentie voor het Kapittel, ont- 
vangt en opent alle brieven en voordrachten. 

Artikel 52. 

Door den Kanselier wordt, onder mede-toevoorzigt van de 
overige leden van het Kapittel, gehouden een register van al de 
Ridders der Orde, bevattende derzelver familie- en doopnamen, 
de namen himner ouders, de namen en het getal hunner 
kinderen, derzelver geboorteplaats; een uitvoerige dienststaat der 
Ridders en wel bijzonder de beschrijving der daden waarvoor, 
en gelegenheden waarbij zij de decoratie van de Orde hebben 
verkref;en. 

Artikel 53. 

Ds Kanselier houdt mede aanteekening van vreemde Ridder- 
orden of decoratien waarmede eenige der Ridders mogten begif- 
tigd zijn geweest of worden en of het dragen daarvan aan hen 
al a' niet is toegestaan. 

Artikel 54. 

Ie Kanselier ordonnanceert de betalingen op de kas van den 
Thesaurier, doet alle aankoopen en heeft de administratie over 
allei wat onkosten veroorzaakt 

Artikel 55. 

Pe Thesaurier is verantwoordelijk voor de fondsen, en justifi- 
ceert de uitgaven door ordonnantien, welke altijd, ten minste 
doa één lid, benevens den Kanselier, zullen moeten geteekend 
woxlen. 

ARTIKEL 56. 

De Kanselier doet eens 'sjaars administrative verantwoording 
en de Thesaurier de geldelijke aan het Kapittel, hetwelk daarna 
een algemeen verslag aan Ons zal aanbieden. 



906 RieiiElfDIT TOOB Dl MHJTUBB WILLKMS-OBDK 

Artikel 57. 

Het Kapittel zal aan Ons voordragen eenen verdienstelijken, 
talenten bezittenden persoon, als histpriograaph en redenaar van 
de Orde. 

Artikel 58. 

Elk jaar zal er een feest der Orde gevierd worden, waartoe 
de dag van den zestienden Januari bestemd is. 

Artikel 59. 

Bij gel^enheid van het jaarfeest der Militaire WtUetns-Ordt, 
houdt de redenaar eene redevoering en doet verslag vaa hebeen 
belangrijk in het a%eloopen jaar, de Orde betreffende , is voor- 
gevallen, en van de benoeming en bevordering der üdders, 
met de beschrijving der daden die daartoe hebben gele^enhdd 
g^;even. 

Artikel 60. 

Hij doet verslag van het a&terven der Ridders in het 1^ 
loopen jaar, met melding der verdiensten die ieder humer 
onderscheidden. 

Artikel 61. 

De redevoering, door den redenaar te voeren, wordt voiaf 
aan het Kapittel onderworpen en niet dan met deszelfs goed- 
keuring uitgesproken. 

Artikel 62. 

Wij behouden Ons voor, om dit r^lement, naar het bekng 
der Orde zulks zoude mogen vereischen, te ampliëren o te 
veranderen. 

Aldus gearresteerd bij besluit van Zijne Majesteit den :^ 
Juni 1815. 

Mij bekend 

(Geteekend) A. R. FALCK 



ALPHABETISCHE OPGAVE van de Leden der 
Militaire Willemsorde die op het einde der 
Negentiende Eeuw nog in leven waren, met 
vermelding van den rang of graad waarin 
hen de hoogst eervolle onderscheiding werd 
toegekend^ voor daden van Moed, Beleid en 
Trouw in Indische oorlogen en krQgstochten. 



Kommandeurs 



HentsE , J. B. van, Generaal-Majoor. 
Segov, M. Idem. 



Verspijok, Jh' G. M. Gteneraal-Majoor. 
Vetter, J. A. Idem. 



Ridders der 3e klasse 



Bergh, M. L. G. van den, Majoor. 
Bosch, P. ten. Luit. ter zee 1* kl. 
Gavaljé, F. P. Majoor. 
Christan, W. G. A. C. Kapitein. 
Daalen, G. C. £. van, Idem. 
Deijkerhoff, C. Generaal-Majoor. 
Drijber, S. A. Kapitein. 
Graafland, Jh' G. J. W. C. H. Kapitein 
Halewijn, G. H. B. Luitenant-Kolonel. 
Lannoij , Jh' L. D. G. de , Bitmeester. 
Lindgreen , J. C. Kapitein. 
Loenen, C. A. van, Majoor. 
Pol, A. H. van de, Kolonel. 
Quispel, H. Kapitein ter zee. 



Bomswinckel, J. H. Majoor. 
Booijen, H. M. H. den, Sergeant. 
Scheuer, A. H. W. Luitenant-KoloneL 
Stemfoort, J. W. Generaal-Majoor. 
Swart, H. N. A. Kapitein. 
Swart, L. Kolonel. 
Tersteege , H. M. Luitenant-Kolonel. 
Vliet, C. P. J. van. Idem. 
Vogel, E. H. Sergeant. 
Wedden, P. H. van der, Majoor. 
WiUems, H. G. Luitenant-Kolonel. 
Woord, G. J. ter. Sergeant. 
Zeig, F. Idem. 



Ridders der 4e klasse 



A. 



Abeele, H. van den, Fuselier. 
Abeelen, F. B. P. van den. Majoor. 
Abeleven, W. K. Sergeant-Majoor. 
Adama van Scheltema, H. Kapitein. 
Adams , W. J. Luitenant ter zee 2* kl. 
Aerssen Beijeren van Voshol, Baron 

F. van. Kapitein. 
Agten, J. Fuselier. 



Allirol, W. Luitenant ter zee 1* kL 
Alphen, F. H. P. van. Luit. ter zee 2* k]. 
Antonisse, J. Hoomblazer. 
Arink of Nussen, J. Marinier. 
Amold, H. Korporaal. 
Arriëns , W. A. Luitenant ter zee 1* kL 
Asperen, C. H. van, Luit. ter zee 2* kl. 



I 



310 



▲LPEULBSnSCHI OPeAYS 



Bakel, W. van, 1* Luitenant. 
Bakker, P. Korporaal. 
Balmer, L. Fuselier. 
Bangert, A. Kapitein. 
Bank Langenhorst, H. J. L. de,L*'-KoL 
Barent P. Matroos. 
Barkhuijsen, H. F. 2* Luitenant. 
Beok, A. J. Wachtmeester. 
Becking, A. 1* Luitenant. 
Beek, A. W. K. ter, 1* Luitenant. 
Beek, H. C. J. ter, 1* Luitenant. 
Beeckman, A. F. 1* Luitenant. 
Beeckman, F. W. Kapitein. 
Beer, G. F. 1* Luitenant 
Beers, G. F. van, Gavalerist. 
Begelinger, G. W. Ziekenoppasser. 
Beijen, H. B. 1* Luitenant. 
Beijen, P. W. A. Off. v. Gez. 2«kl. 
Bellaard, A. G. Segeant-Majoor. 
Belt, J. G. van den, 1* Luitenant. 
Bendien, H. Luitenant-KoloneL 
Bennekom, W. G. A. L. van, Kapt. 
Benschop, L. J. W. Kapitein. 
Bentum, J. Wachtmeester. 
Berenschot, J. W. 1* Luitenant. 
Berg, H. van den. Matroos. 
Berg, J. van den. Matroos. 
Berg, B. van den. Kanonnier. 
Biehl, £. Genie-Soldaat. 
Bischoff V. Heemskerck, E. W. 2* Luit. 
Bierlinger, J. G. Korporaal. 
Blank, G. KorporaaL 
Blanken, T. Sergeant. 
Blankenstijn, J. Fuselier. 
Blauw, W. Fuselier. 
Bloem, F. A. G. 2* Luitenant. 
Bloemen Waanders, M. W. £. v. Kapt. 
Bloemen Waanders, J. T. F. v. 2* Luit. 
Blokland, H. F. T. Kapitein. 



Blom, N. A. van der, Marinier. 
Bock, G. de, Fuselier. 
Bock , P. J. H. de, Sergeant-MsjooL 
Bode, P. G. Elapitein. 
Bodemeijer, P. H. Kapitein. 
Bodewijn, L. A. Sergeant-Majoor. 
Boer, A. de, Fuselier. 
Boer, J. de, Fourier. 
Boerma, H. U. S. !• Xioitenant 
Boers, A. Marinier. 
Boers, S. J. Kapitein. 
Boersma, D. Fuselier. 
Boetje, W. Luitenant-Kolonel 
Bothlingk F. Luitenant ter zee 2* kL 
Bondaert, J. B. Fuselier. 
Booms, A. S. H. 1* Luitenant. 
Boon, G. J. 1* Luitenant. 
Boon, J. G. 1* Luitenant. 
Borel, G. F. W. !• Luitenant. 
Bos, A. Kapitein. 
Bos, G. KavaUerist. 
Bosschart, F. G. J. !• Luitenant 
Bouman, J. J. Sergeant. 
Braam Morris , D. F. van, Gontiolear. 
Brakkee, T. J. J. Fuselier. 
Brandeler, A. van den, 2* Luitenaiii 
Brandeler , M. W. C. van den. Kapt 
Braun, W. F. 1* Luitenant. 
Brauw, Jhr. T. E. de,Luit. t/z2«kL 
Breekpot, A. M. Fuselier. 
Breijer, J. F. 1* Luitenant. 
Bromm, A. G. Sergeant-Majoor. 
Bron de Yexela, J. L. Ie, Kapitein. 
Brouwer, W. Fuselier. 
Bruggen Hugenholtz,J. T. ter, !• Luit 
Bruinsma, H. Fuselier. 
Bruinsma, J. F. D. 1* Luitenant 
Bruijnis, G. J. H. Kapitein. 
Bruijn, H. G. P. de, 1* Luitenant 



VAN DB LEDEN DBB MIL. WILLEMSORDE 



311 



Bmgn, H. P. de, 2* Luitenant. 
I Bmijn, J. H. de, 1* Luitenant. 

Buohel, W. L. Fuselier. 
^ Burgerhoudt, G-. M. 1* Luitenant 

Burgers, F. C. Majoor, 
s Burgi, L. Korporaal, 
r Bussche , G. K. J. van den, Kapitein. 



Bussche Ippenburg. A. G. G. E. W. 

Yon dem, 1* Luitenant. 
Buijs, F. G. A. Fuselier. 
Buijs, T. W. J. 1* Luitenant. 
Bijlevelt, F. A. van. Sergeant. 
Bijlevelt , H. F. G. van , 1* Luitenant. 



c. 



Cadet, J. L. 1* Luitenant. 
Gaenighem, P. van, Fuselier. 
Galkoen, H. A. 1* Luitencmt. 
Cambier, H. B. 1* Luitenant 
Campioni, M. J. J. B. H. 1* Luitenant. 
Cardinaal, J. Adelborst. 
Garpentier, P. G. Fuselier. 
Caspersz., K. F. 1* Luitenant. 
Gasteren, G. F. van 2* Luitenant. 
Gattenburg, O. F. 1* Luitenant. 
Glifford Gooq van Breugel Jhr. W. T. 

1* Luitenant. 
Coblijn, W. A. Majoor. 
Gochius, A. Officier van Gtez, l*kL 
Gochins, G. J. G. A. 1* Luitenant. 



Gohen, M. Korporaal. 
GoUard, H. L. A. 1* Luitenant. 
Gollard, P. L. A. 1* Luitenant. 
Golijn, H. 2* Luitenant. 
Gomfurius, W. 1* Luitenant. 
Goomans de Buiter, J. B. Officier 

van Gezondheid 3* klasse. 
Goq d'Armanville, J. H. J. Ie, !• Luit. 
Gomelius, J. F. 2* Luitenant. 
Goronel, J. H. Sergeant. 
Gramer , J. G. Luitenant ter zee 1* kL 
Gramer, J. W. N. !• Luitencmt. 
Greutz Lechleitner, K. H. J. l*Luit. 
Greutz Lechleitner , W. J. G. Kapt. 
Groo, M. A. du, 1* Luitenant. 



Daams, J. F. 1* Luitenant. 
Dam, E. B. J. van, Fuselier. 
Daum, G. G. Scheepsklerk. 
Deetman, G. M. W. Sergeant. 
Dekker, W. Kanonnier. 
Demmers, L. A. Off. v. G^ez. 1* kl. 
Demmink, J. H. Kavallerist. 
Dentzsch, H. G. A. von, 1* Luitenant. 
Deventer, W. G. van, 2* Luitenant. 
Dingemans, L. Y. Majoor. 
Diroks, H. G. Fuselier. 
Doerrleben, J. L. 1* Luitenant. 
Dompseler, H. G. vcm, 1* Luitenant. 
Donk, J. van der, ArtiUerist. 



Donker, G. T. W. Fuselier. 
Doorsohodt, G. H. Kavallerist. 
Dormaar, J. F. 2* Luitenant. 
Doijer, T. 1* Luitenant. 
Drino, A. F. Sergeant. 
Drossaers, A. G. 1* Luitenant. 
Dudok van Heel, A. 2* Luitenant. 
Dussen, J. G. H. van der, Luit.-KoL 
Dijk, G. G. A. 1* Luitenant. 
Dijk, J. F. B. van, Luitenant t/z. 2* kL 
Dijken, M van. Wachtmeester. 
Dijkstra, A. A. 1« Luitenant 
Dijkstra, G. K. !• Luitenant. 



312 



▲LPHABKTISCHB OPOAVS 



E. 



Eb, J. P. van der 2* Luitenant. 
Ebell, C. A. F. 2* Luitenant. 
Ebell, G. D. Kapitein. 
Elenbaas, M. Korporaal. 
Elout, A. Timmerman. 
Engelbrecht, W. A. 2* Luitenant. 
Engelhard, J. B. 1* Luitenant. 
Engelman, H. Sergeant. 
Ende, C. F. van den, Kapitein. 



Ende, H. L. van den, 1* Luitenant 
Ermeling, J. P. 1* Xinitenant. 
Ernst, F. J. B. von, 1* Ltiitenant 
Esohauzier, G. J. 2* Liuitenant. 
Essers, G. J. 1* Luitenant. 
Evenbroeck, H. F. van, Fnselier. 
Evenwel, A. 1* Luitenant. 
Ewijk, L. van, ArtiUerist. 



F. 



Faassen, B. van. Korporaal. 
Fakker, H. Korporaal. 
Feenstra, T. B. Sergeant. 
FeuiUetau de Bruijn, G. 2* Luit. 
Fiebig, P. J. M. Off. v. Gez. !• kl. 



Fickel, A. B. Sergeant. 
Fievez, H. Sergeant-Majoor. 
Franssen, A. 2* Luitenant. 
Franssen, F. 2* Luitenant. 
Franssen, H. H. G. Kapitein. 



G. 



Galen, A. van. Sergeant. 
Geelen, J. H. Ziekenoppasser. 
Geertsema Beckering, A. 1* Luit. 
Geiges, K. Sergeant. 
Gelsema, W. J. Kavallerist. 
Genet, L. H. M. Kapitein. 
Gerioke , W. L. A. Luit. ter zee 2* kl. 
Gerlach, L. W. C. Luit.-Kolonel. 
Geurden, J. Fuselier. 
Gits, T. A. Majoor. 
Gooszen, A. J. 1* Luitenant- Adj. 
Godin, F. 1* Luitenant. 



Godin, W. A. 1* Luitenant. 
Goffin, H. Sergeant. 
Goudswaard, J. J. 2* Luitenant. 
Götz, Y. H. Kapitein. 
Graeff , G. C. B. B. de, 1* Lmitenant 
Grand, F. A. Ie, !• Luitenant. 
Greve, W. B. de, 1* Luitenant. 
Grootenboer, J. M. W. 2* Xiuitenant 
Guffroij, G. E. C. !• Luitenant. 
Gunther Mohr, L. G. Sergeant. 
Gijsberti Hodenpijl, A. "W. !• Luit 
Gijsen, A. A. T. H. 2* Luitenant. 



H. 



Haack v. d. Goes , P. K. W. Mil. opz. 
Haaften, F. van, 1* Luitenant. 
Haaksma, H. Kapitein* 
Haga, A. 1* Luitenant. 
Hal, L. van, Kavallerist. 
Hamakers, H. Kapitein. 



Hftnel von GronenthaU, E. F. Luit 

ter zee 2* klasse. 
Hansen, G. A. Kapitein. 
Happé, G. W. E. !• Luitenant. 
Haremaker, G. A. Off. v. G«z. 2*kL 
Hartmann, J. H. Kapitein. 



VAN DB LEDEN DEB MIL. WILLEMSORDE 



313 



i 



Hartsteen, P. J. E. 1* Luitenant. 

Hasselt, S. F. W. van, Off. v. Gez. 2* kL 
^ Havenga, A. Sergeant. 
^ Haver Droese, F. J. Kapitein. 
,. Heerdt , J. N. C. Baron v. Kapitein, 
s Hegge Spies, A. van der, !• Luit. 

Hegge Spies, C. J. van der, Luit. 
ter zee 2* klasse. 

Heijden , E. C. van der, 1* Luitenant. 

Heijer, L. H. Wachtmeester. 

Heijlen, K. Korporaal. 

Heijligers, A. W. T. 2* Luit.-Adj. 

Heijmans, J. H. Bootman smaat. 

Heidens, P. A. H. 1* Luitenant. 

Hemmes, J. J. 1* Luitenant. 

Hengel , A. van , Luitenant t/z 2* kl. 

Henning, J. M. 2* Luitenant. 

Hertog, F. den. Schieman. 

Herwijnen, F. vfui, Fuselier. 

Heum, N. C. van, Kapitein. 

Hildering, J. 1* Luitenant. 



Hilgersom, H. Fuselier. 
Hilt, P. Sergeant. 
Hirsch, N. Sergeant-Majoor. 
Hoffmann , F. A. C. W. Adj.-Onderoff. 
Hoffmans, C. Fuselier. 
Hogelander, G. Fuselier. 
Hogendorp, W. Baron v. Luit. t/z 2* kL 
Hollander, M. Adjudant-Onderoff. 
Holten, P. A. H. 2* Luitencmt. 
Holthe, Jhr. A. W. van, Kapitein. 
't Hooft C. W. Fuselier. 
Hoogenboom, C. Sergeant. 
Hoogstraten, G. H. J. van, l*Lmt. 
Hooijer, G. B. 1* Luitenant. 
Hom, H. F. Sergeant. 
Horst, A. van der. Schieman. 
Huissen, J. F. Schipper. 
Hulscher, J. Korporaal. 
Hulstijn, P. H. van. Kapitein. 
Huppertz, H. J. KorporaaL 



I. 

Idsinga, J. Officier v. Gtez. 2* kl. |Ishoven, H L. J. M. van, Sergeant. 



J. 



's Jacob , T. Luitenant ter zee 2* kl. 

Jacobs, J. B. Majoor. 

Jaeger, T. A. W. 1* Luitenant. 

Jansen, A. B. B. Kapitein. 

Jansen, J. A. 1* Luitenant. 

Jansen, J. C. Matroos. 

Jansen van Afferden, B. C. A. L. 

Luitenant ter zee 2» klasse. 
Jansma, H Marinier. 
Janssen, J. F. H. Kapitein. 



Jeltes, E. y. Majoor. 

Joekes , J. G. Luitenant ter zee 2* kL 

Jong, C. J. de. Luitenant ter zee 2* kL 

Jong, H J. de, 1* Luitenant. 

Jongh, A. A. J. L. de, Kapitein. 

Jonker, A. Kapitein. 

Jonker, M. W. P. C. de, !• Luitenant, 

Jonker N. Wachtmeester. 

Jorg, J. W. Korporaal. 



K. 



Kappen, E. A. vcm, 1* Luitenant. 
Karthaus, F. A. Off. v. Gtez. 2« kl. 



Kats, J. C. P. Off. V. Gez. 2* klasse. 
Keijzer, J. J. de, Fuselier. 



314 



ALPHABSTI80HB 0P6ATK 



Keil, K E. Sergeant-Majoor. 

Kempenaers, H. Matroos. 

Kepper, E. A. yan, 1* Luitenant. 

Kessler, L. W. A. 2* Luitenant. 

Keur, J. Adjudant-OnderoMcier. 

Kievit, P. Kwartiermeester. 

Kilian, H. L. ELapitein 

Klaij, J. Machinist. 

Klamp , P. Ycm der, Lifanterist 1* kL 

Kleij, H. van der, Marinier. 

Klijn, E. Fuselier. 

Kloër, C. W. A. Burger-Opzichter. 

Kloet, L. F. Sergeant. 

Klören, F. W. C. Sergeant. 

Koch, J. Kapitein. 

Koek, J. de, Fuselier. 

Koenders, J. W. Vuurstoker 2* kl. 

Kohn, H. 2* Luitenant. 

Kohn, A. 1* Luitenant. 

Kok, J. Sergeant. 

Kok, W. A. Luitenant t/z. 2* klasse. 

König , H. P. Luitenant t/z. 2* klasse. 

Koning, H. F. Matroos. 



Koolhof, G. J. Adj. -Onderofficier. 

Kooten, G. J. van. Majoor. 

Korting, C. Fuselier. 

Koster, J. L. Luitenant-KoloneL 

Koster, P. J. Sergeant. 

Koumans , J. J. Off. ▼. Grez. 2* klasse. 

Kragt, L. J. Sergeant. 

Kraibelt de Melker, A. Sergeant 

Krak, L. G. 1* Luitenant. 

Kramer, H. Fuselier. 

Kramer, J. Fuselier. 

Kreffer, G. A. Sergeant. 

Kriesfeld, J. V. 1* liuit.- Adjudant. 

Kroesbeek, J. H. P. Xapitein. 

Kroesen, T. O. J. Kapitein. 

Kronouer, H. G. Kapitein. 

Krull, H. 1* Luitenant. 

Krull, H. P. !• Luitenant. 

Kuhn, H. 2* Luitenant. 

Kuijk, H. Kapitein. 

Kuipers, A. H. Gezagv. Gk>uY. Mar. 

Kunert, J. M. E. OflT. v. Gez. 2*kL 

Kwak, J. A. Fuselier. 



L. 



Laceulle, G. J. 1* Luitenant 
Laging Tobias, P. F. Besident. 
Lamers, G. Kapitein. 
Lamster, J. G. 1* Luitenant. 
Lange, E. G. O., 1* Luitenant. 
Lanzing, A. A. F. Kapitein 
Leijden, J. van, 2* Luitenant. 
Leijssius , Jhr. G. H. F. !• Luitenant. 
Lenaerts, T. Kanonnier. 
Lennep, G. B. van. Majoor. 
Leroij, E. J. Fuselier. 
Leur, A. de, 1* Luitenant. 
Libosan, J. W. 2* Luitenant. 
Ligthart, K. Sergeant. 



Ligtvoet, H. Flankeur. 
Linden, H. van der, KaTallerist 
Lith, H. J. van, 2* Luitenant. 
Loof, F. L. de. Sergeant. 
Loose, J. L. A. Kanonnier. 
Lorenz, H. W. KorporaaL 
Loverink, H. Ziekenoppasser. 
Lubeck, E. A. V. Sergeant-Majoor. 
Luchtmans , G. Off. v. Gez. 2* klasse. 
Lugt, J. Sergeant-Majoor. 
Luijmes, A. 1* Luitenant. 
Luijten, G. L. H. Luit. t/z. 2* klasse. 
Lutje, H. F. F. Sergeant. 



VAN DB LEDEN DEB MIL. WILLEMSORDE 



315 



Maateii) K. van der, Kapitein. 
Kac Gillavrij , H. B. 1* Luitenant. 
Maele, H. J. vcm, Fuselier. 
Maesen de Sombreff, Jhr. K. L. A. 

P. van der, Sergeant-Majoor. 
Mahne, H. M. Sergeant. 
Mallan, P. Sergeant. 
Man, A. D. J. de. Kapitein 
Mandele,H. J. van der. Luit. t/z. l*kL 
Mandemaker, A. Kanonnier. 
Mathon, F. M. A. Luit. t/z. 2* klasse. 
Matthijsen, J. A. Onder-Luitenant. 
Meer, A. M. van der. Majoor. 
Meer , C. van der. Off. v. Gez. 2* kl. 
Meer, J. van der, Fuselier. 
Meer Mohr, M. van der, 1* Luit. 
Meis, A. P. W. !• Luitenant. 
Mensen, W. Kavallerist. 
Mensert , D. A. Luitenant t/z. 1* kl. 
Messemaeckers van de G-raaf, H. A. 

1* Luitenant. 



Metz, M. Fuselier. 
Meulemans, G. A. 1* Luitenant. 
Meulen, S. van der, Fuselier. 
Meijboom, H. Hoomblazer. 
Meijer , Jhr. A. F. Luit. t/z. 1* klasse. 
Meijer, F. W. Majoor. 
Meijer, J. A. Fuselier. 
Meijer, M. L. Yuurstoker. 
Meijners, H. G. J. L. Kapitein. 
Michels, O. C. P. K. Sergeant. 
Michielsen, A. W. A. 1* Luitenant. 
Migchelsen, B. Korporaal. 
Min , W. J. van der. Off. v. G«z. 2* kl. 
Molen, P. van der, 1* Luitenant. 
Moorrees, H. G. Luitenant-Kolonel. 
Mourik, P. J. G. van, 1* Luitenant. 
Mulder, J. Fuselier 
Muller von Gzemicke, O. H. J. l*Luit. 
Munniks de Jongh, H. E. l*Luit.-Adj. 
Munniks de Jongh, J. M. Officier 
van Gezondheid 3* klasse. 



Nauta', G. J. E. Kapitein. 
Nes , W. G. van. Luit. t/z. 2* klasse. 
Nieman, H. H. Korporaal. 
Nieuwenhuis, F. Fuselier. 
Nieuwenhuijzen , W. C. !• Luitenant. 
Nieuwland, J. A. van , 1* Luitenant. 
Nieuwland, P. M. Korporaal. 



Nilant, W. C. Sergeant. 

Nix, L. F. Kapitein. 

Nolles, D. Gezagv. Gouv. Marine. 

Noordaa, G. P. M. van der, l*Luit. 

Nijpels, G. 2* Luitenant. 

Nijs, J. Matroos. 



O. 



Oeben, H. Fuselier. 
Oldendorp, N. J. Sergeant. 
Oosterhoff , W. J. Off. v. Gez. 2* kl. 
Oosthoek, L. Provoost. 



Opscholtens , G. B. A. 1* Luitenant. 
Otken, A. E. N. B. Majoor. 
Otzen, J. Fuselier. 



816 



▲LPHABinSGHl OPeAYS 



P. 



PaAuw, L. de, 1* Luitenant. 
Paetzoldy C. A. A. Infanterist 1* kl. 
Panman, J. Sergeant. 
Pauli, F. 8. Off. V. Gez. 8» klasse. 
Pauvert, H. van den, Kapt.-Luit. 
Peereboom, P. 1* Luitenant. 
Pels Bijoken, F. A. C. 1* Luitenant. 
Peppel, D. van de, Marinier. 
Pekkink, B. Zieken vader. 
Perelaer, M. T. H. 2* Luitenant. 
Pemé, E. 2* Luitenant. 
Phaff, J. C. C. !• Luitenant. 
Phaff, M. A. £. Majoor. 
Philips, W. J. 2* Luitenant. 



Piera, A. E. Xapitein. 
Pierot, J. H. Faselier. 
Plantenga, N. !• liuitenant. 
Plas, F. H. Adjadajit-Ondero£fi(seL{ 
Platt, G. A. Kapitein. 
Pool, A. J. D. 1* Xiuitenant. 
Pol, W. H. van de, Kapitein. 
Polanen Petel , N. J. C. van, !• Luit ] 
Ponstijn, J. B. 2* lioitenant. 
Portengen, J. W. Off. v. G^e. 1'kL 
Posno, A. B. J. ^W. !• liuitenant 
Prager , P. H. Luitenant t/z 1* klaase. 
Prochnik, L. Off. v. Gez, !• Vlwa*. 
Pruijs van der Hoeven, A. ContwL 



Quack, J. A. 1* Luitenant. 



Baes, F. A. Fuselier. 
Bauch, K. W. 1* Luitenant. 
Baijmaekers, A. T. Fuselier. 
Bazoux Kühr, E. Off. v. Gez. 2* kL 
Beedijk, C. Matroos. 
Bees , P. A. van, Kapitein-Luitenant. 
Beis, F. W. Sergeant. 
Beith, C. W. Vuurstoker. 
Beurts, J. H. Kapitein. 
Beuter, V. L. 1* Luitenant. 
Beijers, J. 1* Luitenant. 
Bichard, N. 2* Zeilmaker. 
Bichelle, N. H. J. 1* Luitenant. 
Bobijn, H. Korporaal. 
Bochemont , E. J. de , 1* Luitenant. 
Bochemont, J. J. de, 1* Luitenant. 



Boelandt, W. Sergeant. 
Boemers, J. N. Fourier. 
Bombaoh, J. C. A. Off. v. Gez.3*kL 
Bonken, J. H. Fuselier. 
Boon, J. van, 2* Luitenant. 
Boskes , H. D. Off. v. Oez. 2* kL 
Bossum, J. van, Opperwachtmeester. 
Bost van Tonningen, M. B. Kapi 
Bouts, P. H. H. !• Luitenant. 
Boijen, EL W. J. 1* Luitenant. 
Buiter, J. B. C. Lifanterist !• U. 
Buijter de Wildt , J. C. de. Luitenant 

ter zee 1* klasse. 
Bijen, J. T. J. van, Kapitein. 
Bijnen, C. M. J. W. !• Luitenant 
Bijnen, K. J. C. !• Luitenant. 



8. 



Sande, B. C. van de, Kapitein. 
Santen, H. J. von, 1* Luitenant. 



Saueressig, P. F. E. Th. J. Kapt 
Scheepens, C. C. P. 2* Luitenant 



VAN DB LBDBN DBR HIL. WILLBMSOBDB 



317 



^Scheepens , W. B. X A. 1* Luitenant. 
I Scheffers, P. Puselier. 
i Schenk, F. B. Ziekenoppasser. 
H Solienok , W. F. l** Luitenant. 
mi Sohierhom , A. L. Fuselier. 

Schimmelpenninok , B. J. Graaf, 1* LS 
m Schippers , H. A. Luit. ter zee 1* kl. 
jj Sohirmer, W. B. Fuselier. 
^ Schluter, F. B. C. 2* Luitenant. 
^ Schluter, L. A. Korporaal. 
r^l Schmidhamer , P. G. Kapitein. 
r^ Schmidt, H. E. B. Sergeant. 
^ Schmidt, J. C. Kapitein. 
, Schmitz, S. Sergeant-Majoor. 
Schmülling, D. E. W. Kapitein. 
Schnach, P. G. Sergeant. 

Schneider, A. H. Sergeant. 

Schneiders, J. H. L. Kapitein. 

Schnelle, F. G. A. J. 1* Luitenant. 

Scholten, D. Adjudant-Onderofficier. 

Sohoondermark, W. Off. v. Gtez. 2* kl. 

Schouten, G. Kavallerist. 

Schrader , J. A. G^nie-Soldaat 1* kl. 

Schreiber, A. F. D. Sergeant. 

Schreuder, H. G. Matroos. 

Schreijner, W. C. Kapitein. 

Schulein, J. Off. v. G^z. 2* klasse. 

Schulze, L. F. M. Kapitein. 

Schutt, F. 1* Luitenant. 

Schwing, H. T. Y. M. 2« Luitenant. 

Schijff, P. Off. V. Gez. 2* klasse. 

Scott, K. J. D. Kapitein. 

Seelig, J. 1* Luitenant- Adjudant. 

Seibert, P. J. Kapitein. 

Semmelink , J. Off. v. Gtez, 8* klasse. 

Sievers, F. P. 1* Luitenant. 

Siivertant, P. Fuselier. 

Sirtema van Grovestins, J. E. N. 
Baron 1* Luitenant. 

Slooff, G. Sergeant. 



Sloot, D. Fuselier. 
Sloots, J. B. A. Fuselier. 
Slot, D. 8* Stuurman. 
Sluis, M. W. van der, Sergeant. 
Slusser, J. Sergeant. 
Sluijk, G. G. G. Fourier. 
Smith, J. P. 1* Luitenant. 
Snijders, A. G. Kapitein. 
Snijders, G. J. 2* Luitenant. 
Soeters, G. T. Luitenant-Kolonel. 
Soeters, J. H. G. Sergeant. 
Sommerhalder, E. Korporaal. 
Spanjaard, J. G. J. Luit. t/z 1* kL 
Speil, G. L. J. Sergeant. 
Speiser, E. E. J. Fuselier. 
Splinter, F. B. G. H. von, 2« Luit. 
Spruijt , P. J. 1* Luitenant- Adjudant. 
Staal, A. J. J. Kapitein. 
Staal, J. J. Kapitein. 
Stadens. B. H. 2* Provoost. 
Stam, A. Sergeant. 
Stanneveld, F. Kanonnier. 
Steenhuizen, G. Sergeant. 
Steensma, M. Off. v. Gez. 2* klasse. 
Steiger, J. W. Lult. t/z 2* klasse. 
Steinmetz, K. W. 1* Luitenant. 
Steijn V. Hensbroek , G. J. v. 1* Luit. 
Stelwagen, J. A. Sergeant. 
Stok, N. P. V. d. Off. V. Gez. l*kl. 
Stokhuijzen, F. J. Kapitein ter zee. 
Stoltz, W. A. Onder-Luitenant. 
Stooker, J. J. Luitenant t/z 1* kl. 
Stoop, W. K. J. !• Luitenant. 
Straaten, H. van der, Fuselier. 
Stroom, A. van der, Korporaal. 
Sturler, B. L. B. de, 1* Luitenant. 
Sutphen, P. P. J. van. Matroos. 
Sutter, B. Korporaal 
Sijpkens Brouwers, J. Off. v. Gez. 
2* klasse. 

21 



318 



ALPHABinSOHB OPeAYS 



T. 



Tadema, A. P. Luit. ter zee 2* kL 
Tammes, B. 2* Luitenant. 
Tamson, J. A. Off. v. G^. 2* kl. 
Teeven, J. H. Sergeant. 
Tent, M. van, Fuselier. 
Terpstra, J. Fuselier. 
Teijn, L. H. van, 2* Luitenant. 
Thelen, C. W. H. Kapitein. 
Thiel , J. G-. van, Luitenant-KoloneL 
Thomson, L. W. J. K. 2* Luitenant. 
Thouars , G. W. S. C. de, Onder-Luit. 
Timmermans , L. J. F. 1* Luitenant. 



Timmermans, W. J. H. Off. v.Qei 

2* klasse. 
Tindal, G. A. Baron, Luit. t/z2«E 
Tindal, Jhr. H. P. 2* Luitenant 
Tolstra, P. Fuselier. 
Tongeren, H. van, 2* Luitenant 
Tomelle, J, F. Sergeant. 
Tramburg, H. W. F. !• Luitenant 
Tuinenburg, F. W. H. Kapitein. 
Türpita, C. A. Sergeant. 
Tijdeman, F. W. H. !• Luitenant. 



U. 

TJjlaki, S. Off. v. Gez. 1* klasse. 



V. 



Val, M. W. de, !• Luitenant. 
Vandermeulen , J. H. Korporaal. 
Vauderperren, G. Fuselier. 
Yastenholt, W. J. G. Marinier. 
Veerman, G. KorporaaL 
Yeldhuijzen, W. B. Korporaal. 
Yen, A. van de. Kanonnier. 
Yerbaarschott, P. Sergeant. 
Yerbrugh, J. J. !• Luitenant. 
Yercruijsse, M. N. Fuselier. 
Yerdouw, J. Fuselier. 
Yerhaagen, J. Sergeant. 
Yerheij, J. B. 1* Luitenant. 
Yerheggen, H. F. Luit. t/z 2« kL 
Yerheul, B. Fuselier. 
Yerhoeff, J. F. G. Kapitein. 
Yermeer, G. A. Fuselier. 
Yermeer, H. Mineur. 
Yermeulen, B. Sergeant. 
Yersteeg, W. F. Kapitein. 
Yerstege, G. J. !• Luitenant. 



Yerstraaten, C. Fuselier. 

Yervloet, W. J. Kapitein. 

Yincent, A. KorporaaL 

Yink, G. !• Luitenant. 

Yinkhuizen, G. J. V. !• Luitenant 

Yinkhuyzen, P. !• Luitenant. 

Yis, M. H. Kapitein. 

Yis, P. M. !• Luitenant. 

Yisser, B. Fuselier. 

Ylaminok , B. A. A. de , Kapitein. 

Ylerk, W. van der, !• Luitenant 

Yodegel, K J. F. Kanonnier. 

Yogel, A. O. P. KorporaaL 

Yohl, C. J. H. 2* Luitenant. 

Yolders, J. H. Y. Sergeant. 

Volkerts, N. Kapitein. 

YoUen weider, A. Sergeant. 

Yos, L. Marinier. 

Yries, J. H. de, Korporaal. 

Yries, O. de. Sergeant. 

Yriese, C. J. de, Luit. t/z 2* klasse. 



TAM DB LBDSN DKR MIL. WILLBM80BDB 



319 



w. 



. 'Waagen, X 1* Luitenant. 

"Waokers, F. J. A. Sergeant. 
. Wal, J. van der, Off. v. Gez. 2«kl. 
; "Walpot, G. M. A. 2* Luitenant 

Walther, H. W. Luit. t/z !• klasse. 

'Wanzeok, A. A. Korporaal. 

"Warkentin, W. J. L. Sergeant. 

"Wartena, B. Fuselier. 

'Wassington, J. Fuselier. 

"Weenen, B. van, Adj.-Onderoffioier. 

Weidner, J. Sergeant-Majoor. 

'Weikh, G. ten rechte genaamd 
Bossler, G. W. Sergeant. 

"Weintré , L. A. B. Adj.-Onderoffioier. 

WeUer, J. Matroos. 

Welsink, L. C. Controleur. 

Wenz, J. F. 2* luitenant. 

yTerbata, J. V. D. Militair-Opzichter. 

Weringloer, A. W. T. F. Wachtm. 

Wemer, K. B. M. Sergeant. 

Wessem , J. C. van Luit. t/z 1* klasse. 

Westbroek, O. Lifanterist 1* klasse. 

Weustmann, J. A. W. Kapitein. 

Weijs, D. J. Luitenant t/z 1* klasse. 

Wichers H. A. L. 2* Luitenant. 



Wiersma, P. Kapitein. 
Wilde, C. J. M. de, 2* Luitenant. 
Wilken, P. D. W. 2* Luitenant. 
WiUems, J. 2* Luitenant. 
Willemse, A. J. Kapitein. 
WiUemsens, H. F. G^nie-soldaat. 
Willemstijn , H. P. Kapitein. 
Willemsz, J. T. E. !• Luitenant. 
Wind, J. de, Kavallerist. 
Wirix, J. M. L. A. P. Luit. t/z 2* kl. 
Wit, F. C. H. de. Matroos. 
Witteveen, J. !• Luitenant. 
Wittich, J. L. L. M. 1* Luitenant. 
Witzenburg, H. van, 1* Luitenant. 
WoUenberg, T. J. van den, Fuselier. 
Woldringh, S. Luitenant t/z 2* klasse. 
Wouw, C. J. van. Matroos. 
Wannink, W. Adj. -Onderofficier. 
Wijckmans, M. Ziekenoppasser. 
Wijk, J. van, 1* Luitenant. 
Wijmans, W. J. L. 1* Luitenant. 
Wijs, G. de, 1* Luitenant. 
Wijs, J. J. de. Sergeant. 
Wijs, P. de, 1* Luitenant. 
Wijs, B. B. M. de, 1* Luitenant. 



Z. 

Zee, T. van der, 2* Luitenant. 1 Zwaan, W. H. B. van der, l*Luit. 
Zuijlen, G. E. V. L. van, Majoor, i Zijll de Jong, T. J. A. van, Majoor. 
Zwaan , L. A. Fuselier. 1 Zijlstra , N. J. Fuselier. 



Geraadpleegde bronnen. 

Naast de voorlichting door ooggetuigen welwillend verstrekt, 
waarvoor hen bij deze door den schrijver warmen dank wordt 
betuigd *) en eigene ondervinding, zijn de volgende bronnen bij 
de samenstelling geraadpleegd. 

A. J. A. Gbrlach. Fastes Militaires des Indes Orientales Néer- 
landaises. 

H. M. DE Lange. Het Nederlandsch Oost-Indisch L^;er ter 
Sumatra's Westkust 

A. W. P, Weitzel. De oorlog op java. 

Idem. De 3* Militaire expeditie naar het eiland Bali. 

EuGÈNE Cruijflants. Histoire de la partidpation des Belges 
aux Campagnes des Indes Orientales Néerlandaises. 

F. V. A. DE Stüers. Mémoires sur la guerre de Plle de Java. 

M. T. H. Perelaer. De Bonische expeditien. 

J. J. DE RocHEMONT. De 2® Bonische veldtocht 

P. J. Veth. Bomeo's Wester-Afdeeling. 

W. A. VAN Rees. De Bandjermassingsche strijd. 



*) De schrijver houdt zich steeds ^ hoe beknopt de gegevens ook 
mogen zijUt voor verdere mededeelingen vriendelijk aanbevolen, 
om het werk te kunnen voortzetten in verband met het Eeuwfeest 
der Militaire Willemsorde, en opdat geen heldendaad en geen 
heldennaam van ons dapper en kranig Indisch Leger aan de 
bdangsteüetide Nederlandsche Natie wordeonthouden,daardeNaiie 
bekendmaking verlangt en er recht op heeft , want zij is trotsch op 
hare edele zonen. 



01EBAADPL8BGDB BRONNEN. 321 

W. A. VAN Rees. Westkust Sumatra. 

Idem F. Vermeulen Elrieger, 

Idem Toontje Poland. 

Idem MoAtrado. 

F. Marcella. Geschiedenis van het korps Genietroepen in 

Oost-Indië. 

£. B. KiELSTRA. Beschrijving van den Atjeh-oorlog. 

W. L, DE Petit. La Conquête de la Vallée d'Achin par les Hol- 
landais. 

I. F. D. Bruinsma. De Groote Missigit in A^'eh. 

Idem G. J. ter Woord. 

W. CooL. De oorlog op Lombok. 

Dr. S. UjLAKi. Gevangenschap van de Kolonne Lindgreen bij 
den Radja van Lombok. 

J. P. Schoemaker. Verhalen van den grooten en kleinen oorlog 

in Nederlandsch-Indië. 

Idem Schetsen uit den A^'eh-oorlog. 

Idem Nederlandsch Indische krijgsverhalen. 

Idem Het verraad van Lombok. 

G. B. HooTER. De krijgsgeschiedenis in Nederlandsch-Indië van 

1811 — 1894. 

De Militaire Spectator. 
Indisch Militair Tijdschrift. 
De Wereld-Kroniek. 
Tijdschrift «Eigen Haard.» 
De Soldaten Courant. 
Het dagblad «De Locomotief.» 



ALraEABETISCHE LIJST van de namen van 

die, in verband met de eene of andere schoone 
daad, in den tekst van dit werk voorkomeo. 



Bladz. 
Aerssen Beyeren van Voshol, 

J. B. Baron I 181 

Albreoht, X H I 268 

Allgaier, Q. I 888 

Amand I 78 

AndrsB, D. H. P I 856 

Ardesch, W. A. C. ... I 184 
Amaud Qerkens, A. F. d' . n 240 

Aufönorth, W Il 147 

Baade Il 48 

Bach, J n 289 

Backeros I 258 

Bakker, B Il 86 

Banzer, J. B I 151 

Barthélémij , 8. S. E. J. V. Il 154 
Battaerd, P. J. F. A. . . . Il 222 

Bauer, J. H. G n 222 

Beek, A. J n 217 

Becker, A. H. W Il 164 

Beetjes, P. J. ... I 24. H 189 

Begelinger, C. W H 252 

Behouden, C I 888 

Bentawick I 78 

Berg, G. van den .... Il 190 
Berg, B. van den . . . . Il 42 

Bemard, A I 79 

Beyen, P. W. A H 251 

Beijens, J. L. H I 258 

Beijerinok, P. G. J. ... I 28 

Bezemer, P. F n 288 

Bihl, A. J. van Il 222 

Bindervoet v. Nahnijs , A. P. Il 240 



Bladx. 

Bissohoff , C. H 1145 

Bisschoff van Heemskerok, 

E. W n 89 

Bissohoff van Heemskerok, 

W. E. K I 181 

Blanken, J. G. I 326 

Bloem I 78 

Blokland, H. F. T. ... n 106 

Bode, P. G n 21 

Boers, L. A J isi 

Boersma, H I 838 

Bonger, K F I 320 

Booms, A. 8. H. . .1 328. Il 180 

Boon, C. J n 105 

Boon van Ostade, H. Q. . I 193 
Bordes, H. J. de . . . . I 823 
Bordes, J. H. de . . . . n 142 

Borel, C. T. W J 252 

Bos I 213 

Both n 222 

Bonman, B I 94 

Brabant, D. L. de . . . . I 20 
Brakkee, F. X J. . . . . n 252 
Brauw, C. A. de . . . . I 189 
Brauw, de (geslacht) . . . n 277 
Bredow, E. C. O. von I 820. n 236 

Brinkerinck, W II 225 

Broekman, W. P n 58 

Broese van Groenou, H. . . n 186 

Brokke, C n 249 

Bron de Vexela, B. J. H. Ie I 189 
Bron de Vexela, X L. Ie .1 327 



ALPHABETISCHB LIJST 



323 



Bladz. 
Bron de Yexela, J. M. Ie .11 144 
Bron de Yexela, Ie (geslacht) Il 278 

Brondgeest, J I 318 

Brouwer, W. I 23 

Bmellemans I 78 

Bruijn, S. de I 78 

Bmijn, de (geslacht) . . . n 279 
Bülzingslöwen , ö. von . . n 267 

Bunnik, K. C I 227 

Burgers, F. C Il 2 

Bussohe, van den .... I 264 
Bussche, G. K. J. van den II 151 

Buijs, F. C. A n 158 

Buijs, H. W I 193 

Buijs, T. W. J. n 210 

Buijskens, A. A I 23 

Oannegieter Il 42 

Oassenhoven I 78 

Cavaljé, F. P. . . I 816. H 184 
Christan, W. A. G. C. . .11 59 
Cleerens, J. B. . . . I 18. Il 222 

Coblgn, W. A n 242 

Coohius, A n 251 

Coohius, F. D Il 222 

Cochius, G. J. C. A. . . . H 283 
Coehoom van Houwerda, M. 

G. C. Baron I 52 

Collard (geslacht) .... Il 280 

Comfurius, W I 327 

Coomans de Buiter, D. A. Il 233 
CJomelissen, J. E. . . . . Il 233 
Coste de Watermolle, J. V. de la II 203 

Cramer, W. J. N I 351 

Crena, J. H. .,.*.. I 188 

Croo, M. A. du I 285 

Daalen, G. C. E. van I 315. H 237 
Daalen, van (geslacht) . . n 281 

Deeleman, L. H I 184 

Deerens I 195 



Bladz. 

Demmers, L. A Il 251 

Dentsoh, H. A. G. von . . I 362 
Deventer, J. van . . . . n 223 

Deijkerhoff, C I 22 

Diokmann I 184 

Dolderen, J. van . . . . n 233 
Dommers, J. H. H. . . . n 163 

Donleben, G. J I 184 

Donleben, L. F I 188 

Donleben (geslacht) . . . n 282 

Doorn, J. van Il 249 

Döring, P. J. K H 251 

Dostal, M. C I 183 

Driel, P. L. van I 23 

Drijber, S. A H 151 

Durleu n 174 

Dijkstra, A. A. ..... H 89 

Eekhout, B. J I 189 

Egter van Wissekerke , A. W. I 189 

Eiohholtz, A. K I 317 

Eilers, H. A I 145 

Einthoven, J. A n 251 

Elout, C. P. J I 23 

Emde, J. T. A. van ... I 233 

Engel, F. T IE 237 

Engelbert van Bevervoorden, 

H. J. Y I 111 

Engh, D. van den .... Il 222 

Enslie, J I 181 

Erdtsieok, F. J H 258 

Fabius, G I 182 

Feber n 40 

Feber, J. Ie II 252 

Feuilleteau de Brugn, W. K. H. I 182 
Fiebig, P. X M. .... H 251 

Frankowack II 152 

Franssen (geslacht) . . . n 282 

Frissart I 23 

Fritzen, H. G I 188 



824 



ALPHABinSCHS LUST 



BladzJ 

Punk, J. 8. P I 881 

Gaade, J. J. A H 165 

Gaerihé, J. C H 251 

Geelen, J. H. n 18 

Geen, J. van . . . . I 18. n 201 

Geen, M. van 11202 

Geerling, M n 288 

Geerts, W I 28 

Gelpke, CO H 258 

Genner, A Il 144 

Geij van Pittius, A. B. W. I 89 

Gilgien, C I 825 

Gilly de Montela, H. G. . . Il 280 
Gt>en8, P. C. van .... Il 251 

Gots I 264 

Graaf, E. de Il 73 

Graafland , Jhr. G. J. W. C. H. Il 86 

Greve, H H 251 

Groosbakker I 102 

Groot, J I 28 

Gunther Mohr, L. G. . . . n 228 

Haaksma, H. Il 149 

Haan, T. S. de I 182 

Hachez, J. G. A. H. . . .. I 198 

Haeften, D. B. F n 154 

Hageman, N Il 159 

Ham, P. P. H. van ... I 297 

Hamaker, W II 251 

Hamel I 217 

Hansohen, J. F. G 1229 

Hanaen, G. A JI 156 

Happé, E. G. F I 181 

Happé (geslacht) Il 282 

Hardenbergh, O. J. T. van. n 251 

Harreveldt I 217 

Hartog, 8 Il 251 

Hasselt, 8. F. W H 251 

Hautbourgh, F. V I 181 

Heemskerck, G. E I 184 



Sladz. 
Heemskerk v. Beest, Jhr. C. H. O. I22B 

Hein E 251 

Hekking Golenbrander, G. van II 
Hemmes, J. BC . . . . .1 

Hendriks, A n 204 

Henning, J. M. E 18d 

Hemgreen, K H. . . . . E 249 
Heatsc, J. B. van . . I 22. E 90 
Heijden, K. van der ... I 21 
Heijden, van der (geslacht) E 283 

Heijl um 

Hojel, J. H. I 255 

Holthe, Jhr. A. W. van . . H 130 

Holg 1152 

Hoogenhuizen , L. F. van . I 181 

't Hooft, ip. X. B I 27 

'tHoofb, H. P. M I '^ 

Horst I 825 

Hulstkamp, H. A I 337 

Hulstgn, P. H. van ... I 290 
Huijer, J. H. . . . I 322. II 139 
Isthoven, H. L. J. M. van . II 252 

Jacobs n 218 

Janssens, J. I 320 

Jansen, J. E n 251 

Jong, de n 55 

Jong, H. jr. de n 45 

Joiigh, A. A. J. L. de . . I 852 

Jonker, L. A n 148 

Jorritsma, % J Il 249 

Joubert, A. T. F I 78 

KaHs, A. H. H 248 

Karthaus, F. A n 251 

Kats, J. C. F n 251 

Keetels, J. F. H. .... I 880 
Kellermann, B. J. . I 201. n 189 
Kempers — Stutterheim , C. A. * 

M. F. W n 265 

Keppel„G I 151 



ALPHABBnSCHB LUST 



825 



Bladz. 

Kem, CE I 183 

Keuchenius, A. W. ... I 226 

Klawen, H. T H 252 

Kleingeld I 217 

Klgn I 78 

Knepper, J. H I 246 

Knipper I 264 

Kooh, CF I 252 

Koch, von I 218 

Kook, H. M. de I 18 

Kohier, J. H. S 1818 

Kool van Heerens, C H. 1 824. n 224 

Koolhof, G U 241 

Koppen, H I 828 

Koster I 189 

Kottinger A. J. I 324 

Koumans, J. J Il 251 

Kraa, W. S Il 249 

Kraal I 289 

Kranevoet, X H Il 226 

Kroef , A. J I 224 

Kroesen, C M. H. . . . . n 209 

Kroesen, W. E I 219 

Kroesen, W. F. . . I 820. Il 225 
Kroesen (geslacht) . . . . n 284 
Kruk, J. A. van der ... I 328 

KruU, H. S n 39 

Kunert, J, M. E Il 251 

Lahure, F. C A. .... IL 199 

Lamie, L. A. H H 191 

Lange Il 161 

Lanzlng, A. A. F n 140 

Later, de I 241 

Latre, F. de . . . . I 78. Il 202 

Lauer, J I 317 

Lawiok van Pabst, P. van . n 72 

Leölercq Il 166 

Ledel, J. H 174 

Leon, de I 292 



Bladz. 

Leasden n 200 

Liefrinok H 228 

Lier, J. P. van I 317 

Linden, H. van der ... Il 208 

Lindener. . I 78 

Lindgreen, J. G n 71 

Loder, H. A n 10 

Logeman, J. H I 129 

Lojinga, A. . Il 147 

Loman, J. F I 181 

Loonsteijn, A. W Il 184 

Loontjes, H. H. H Il 163 

Loverink, H Il 73 

Lubeck, A. H. J n 149 

Luchtmans, G Il 251 

Maaker, L. J I 818 

Macdonald, J. W I 184 

Mans velt, A. J. van I 224. n 235 

Marien, F I 156 

Massow, W. L. E. von . . I 351 

Maubaoh I 217 

Meer, C van der . . . . n 251 

Mekem, W I 213 

Menzi I 325 

Menleman, W. C I 327 

Meijer, A. I 24 

Michiels I 78 

Michiels, A. V I 19 

Michiels, Y. A H 222 

Mieris, J. H 140 

Min, W. J. van der ... Il 251 
Minkelen. E. C van ... Il 251 

Miroir, J I 332 

Montfoort, C Il 203 

Moo^' , C de U 252 

Moulin, J. J. K. de ... I 319 

MuUer, J. H 246 

Muller Kanter, L. . I 324. Il 224 
Muls, A. J. n 252 



326 



ALPHABITI80HB UJ8T 



Bladz. 
Manniks de Jongh, J. M. . Il 251 

Miinter I 29 

Munter, J. C I 18S 

Neelm6\jer, M. n 92 

Neve, de n 243 

Niessen, M. N I 227 

NoUet, L. J n 252 

Notten, G. a. J. .... n 86 
Ondaatje, P. P. C. O. . . Il 222 

OosterhofF, W. J Il 251 

O vermeiren, C. van . . . n 142 
Oijen, H. W. van .... I 246 

Paiai,F. 8 n 251 

Pel, J. L. J. H. I 20 

Penning Nieuwland, J. B. . I 184 

Pepping, B H 252 

Perelaer, A. W. H. ... I 356 

Perk van Lith, Ot I 93 

Pemé, E H 241 

Peters, P I 333 

Phaff, M. A. E I 356 

Plank, A. van der .... n 73 
Pol, W. H. van de ... n 149 

Poland, T I 128. H 202 

Poolman, H. J Il 252 

Popelier, A. G Il 4 

Popje I 129 

Pordon, W I 317 

Portengen, J. W Il 251 

Potsma, X J n 251 

Prager, F. F Il 222 

Prager, J. C. W I 184 

Prochnik, L H 251 

Puffelen, van I 258 

Putten, C. van Il 252 

Baaff, A I 19 

Baaff, A. J Il 222 

Baaff, J. J n 222 

Bamon Il 175 



Bladi 
Bandwijk, C. A. van . . , Hm 
Bazoux Kühr, £. : . . . II^l| 

Beiger, P. F Il 

Benard I 78 

BicheUe, N. H. J n 146 

Bichemont . I 2( 

Biebe H 108 

Bietsohi, X. 252 

Bockhart 1264 

Boeps, X J l & 

Bombach, L. C. A. ... II 251 

Bombeek, A. X II 206 

Bomswinckel, X H. ... I 347 
Booijen, H. M. H. den . . n 128 

Boqué, T. E 1196 

Bosenthal, F 11249 

Boskes, H. D n 251 

Boss, K n 251 

Bost van Tonningen , M. B. n 67 

Bouvrog, L. X W I 188 

Boij van Zuijdewijn, C. L. 

8*. A. M. de I 314 

Boijen, W. X A n 21 

Butten, X L. G. Ie. . . . n 251 
Bijn van Alkemade, N. C^ van I 184 

Bijnen, K X C n 97 

Bijser, J I 351 

8aksen Weimax Eisenaoh, 

K. B. Hertog van . . • I 19 

Santen, G. van I 318 

8ohaeffer, X A. E I 824 

Sohaik, B. H. van .... I 318 

Schelling, X G. I 151 

Sohenok, K X A. W. . . I 40 
Schenck (geslacht) . . . . n 285 

Schenk, F. D n 252 

Schepers, G. H I 246 

Scheuer, A. H. W. . .- . . n 151 
Schimmelman, A. . . . ^ I 184 



ALPHABBTI8CHB LUST 



327 



Bladz. 

Sohimpf, C. P I 184 

Sohinner, W. S n 160 

• 8ohooh, J I 94 

• Schoggers, H. E Il 4 

Soholten van Aschat , W. J. I 227 
Sohordell, F. H. W. . . . n 15d 

. Schouten, W. G I 93 

Schuit, J. J. ö n 149 

.. Schülein, J Il 251 

.. Sohuller, F. W n 189 

Schütt, F n 89 

. Schutter I 825 

Schweijs, C. E. J. . L 318. Il 240 

Schijff, P n 251 

Segov, M n 217 

Seibert, P. J. . . . I 823. II 180 

Semmelink, J Il 251 

Sievers, F. P I 320 

Sinia, Gt Il 251 

Sluijter, F I 182 

Smeets, H. L. J. F. . . . I 285 

Smit I 264 

Smit van den Broecke, A. J. I 182 
SoUewijn, B. . . . I 72. H 202 

Sommerhalder , E I 292 

Sorg,, C. J I 184 

Sorg, F. G. I 248 

Sorg (geslacht) Il 285 

Staaij , E. W. C. van der . Il 60 

Steensma, M. Il 251 

Steinmetz, G. P. G. I 163. Il 222 
Sieinmetz, E. G. G. ... I 184 
Steinmetz (geslacht) . . . n 286 

Stevens, L I 181 

Stok, N. P. van der . . .11 251 

Stoop, W. K J n 97 

Stroet, van der Il 103 

Stuers, H. J. J. L. de ... I 45 
Sturler, B. L. B. de . . .11 142 



Bladz. 
Sturler, B. B. L. de . . .11 240 
Sturler, C. W. F. de . . .11 222 
Sturler, de (geslacht) . . . Il 286 

Stuten, P. G n 222 

Sutherland , J. B. J. I 184. H 222 
Swan, D. van der .... I 333 

Swart, L H 217 

Swerver, G. P IE 40 

Swieten, F. G. van . . . n 21 
Swieten, J. van . . . I 19. Il 186 
Swieten , K. F. van .... Il 213 
Swieten, L. J. van .... I 188 

Swieten, P. van I 184 

Swieten, van (geslacht) . . Il 287 
Sijpkens Bousson, S. . . .11 251 

Tamson, J. A Il 251 

Terpstra, J. IE 66 

Teijn, H. K F. van . . . Il 158 

Thomson Il 254 

Tienhoven, G. van .... I 330 

Tierbaoh I 242 

Timmermans, W. J. H. . .11 251 

Tindal, Jhr. G. A I 227 

Toledo, J. L. van .... Il 178 

Tromp, G n 233 

Tsohudij, J. H. von ... I 145 
Tuokermann, L. F. H. . . I 227 

Uhlenbeok, G. S I 184 

Uhlenbeck, D. J I 181 

Uhlenbeck, D. W I 184 

IJhlenbeck (geslacht) . . . n 288 

Ujlaki, S n 78 

TJtenhove , Baron van . . . n 209 

Yannes, J. de Il 168 

Veerman, F Il 158 

Velden, J. van der . . . . n 227 

Veltman, T H 168 

Veltman, T. B I 48 

Verbraak, H. G n 272 



328 



ALPHABinSOHS LUST 



Bladz. 
yermenlen Krieger, F. L. 1 87. n 196 
Yerspijck, Jhr. G. M. . . . I 20 

Verspijck, T. M. I 234 

Yerspijck (geslaoht). ... II 289 

Vervloei, W. J. H 164 

Vetter, J. A I 22. n 164 

Vink, J. A n 164 

Vis, H. M. n 84 

Vis, P. M n 58 

Vis (geslacht.) H 290 

Visbeek I 102 

Vliet, van I 292 

Vorstenbos, J. I 188 

Vugt, W. P. van .... Il 149 

Vuijok, J. W. C n 88 

Wagener, C. P. A H 97 

Wal, J. van der Il 251 

Wandeler Bonga, M. . . . I 181 
Warkentin, W. J. L. . . . H 42 

Wart, J. van de I 246 

Wasserman, F. H. .... I 832 
Wautier I 94 



Webb. G. J. A. 

Weenen, B. van . • I 861. 
Wiggers van Kerohem, G. B. T 

Wilken, P. P. W 

Willekens, A. J. .... 

Wiliems, J. 

WiUemstgn, H. P 

Willink Ketjen, W. E. . . 

Winden, J. 

Winsheijm, J. A. W. van . 
Winter, A. C. H, . . . . 

Wolff, G. de 

Wollweber, C. A. F. W. 
Woord, G. J. ter .... 
Wyok, Jbr. J. H. C. van der 

Wijokmans, H. 

Wijk, J. van der .... 

W^'nmalen, G. P 

Usel de Schepper, J. H. A. 

Zee, F. van der 

Zoidam, D. van 

Zwager. C. J 






Blaè 

n ^ 
nu 
.nm 
ni4i 

n m 

n 41 
n 61 

n2io 

n24S 
I24S 
1255 
1229 

1181 
1245 

im 

n252 

1363 

ni4] 

1320 

1360 
1331 
1353 




1/ 



INHOUD 

Blz. 
Een stout stuk bg de verovering van Tandjong Semantoh (Atjeh) ; 1876 1 

Heldhaftig gedrag van H. A. Loder, koopman, Chef der Atjeh-Associatie 
te Kota Radja (Atjeh); 1882—1883 , 9 

Moed en zelfopoffering van den Europeeschen Ziekenoppasser J. H. 
Gkblkn bg Tjot Rang (Atjeh); 1882 18 

De vuurdoop van den Luitenant der Infanterie G. J. A. Wsbb bg Kota 
Pohama (Atjeh); 1887 26 

Eene geslaagde overvalling bg Melaboeh (Atjeh); 1894 37 

Door den vgand heengeslagen. De Luitenant der Infanterie H. J. de Jonq 
op Lombok; 1894 45 

De Luitenant P. M. Vis en W. P. Broekhan van de Kolonne van den 
Kapitein der Infanterie W. G. A. C. Christan bg den terugtocht na 
Tjakra Negara's bloedbad (Lombok); 1894 58 

Eene Capitulatie na hardnekkigen strgd op Lombok onder den Kapitein 
der Infanterie J. C. Lindorxen; 1894 70 

De Luitenant der Infanterie H. M. Vis en het korps Marechaussee in 
Atjeh; 1896 84 

Drie dappere en beleidvolle daden te Atjeh van den Luitenant der 
Infanterie C. J. Boon; 1896—1898 105 

■ 

De Sergeant der Marechaussees H. M. H. dbn Rooijbn , Ridder Militaire 
WiUemsorde 3» klasse, bg het gevecht te Glé Tjoet (Aljeh) ; 1900 . 128 



830 INHOUD 

Blz. 
Kaineraadschappel\jke trouw 138 

I. De Europeesche fuselier J. Mibres; 1873 140 

n. Idem C. VAN Overmbierkn ; 1873 142 

m. De Luitenant der Infanterie J. M. Ls Bron db Vexbla ; 1 876 . 144 

IV. Idem J. J. G. Schuit; 1879 149 

V. De Kapitein der Infanterie A. H. W. Sgheuer en de Luitenant 

der Infanterie S. A. I>rubbr; 1883 151 

VI. De Korporaal der Infanterie F. H. W. Sghordbll; 1887 — 1889 . 153 

Vn. De Europeesche fuselier F. C. A. Buys; 1889 158 

Vin. De Sergeant Ziekenvader H. H. H. Loontjes ; 1894 163 

Plichtbesef 166 

I. De Majoor der Infanterie Lbclbrcgl; 1824 166 

n. De Europeesche Tamboer Jagobus db Vannbs ; 1825 . . . . 168 

m. De Luitenant der Infanterie Durlbü; 1828 174 

rV. De Europeesche mineur 2« klasse J. L. van Toledo ; 1873 . .178 

V. Idem 1« klasse A. W. Loonstijn; 1873 . . 184 

VI. De Kapitein der Infanterie W. J. Vbrvloet; 1873 186 

vn. De Europeesche Fuselier F. W. Schüller; 1876 189 

Vni. De matroos 1* klasse G. van den Berg; 1876 190 

Ruiterstukj.es . .. 195 

I. De Kapitein der Infanterie F. Vermeulen Krieger in Cheribon 
(Java); 1818 1% 

n. De "Wachtmeester F. C. A. Lahürb op CefebÖs; 1824 — 1825 . 199 
in. De Luitenant der Kavallerie F. de Latrb in den Ja va-oorlog ; 1 826 202 
IV. De Luitenant der Infanterie A. Hendriks op Sumatra; 1833 . . 2lM 

V. De Europeesche Kavallerist H. van der Linden op Celebes ; 18Ö9 208 

VI. De Luitenant der Infanterie W. E. Willink Kbtjen in Atjeh ; 1876 210 
vn. De Controleur bg het Binnenlandsch Bestuur K. F. van Swietbn 

in Atjeh; 1881 213 

Vin. De Wachtmeester A. J. Beck op Lombok; 1894 217 

Overeenstemmende heldenieiten op verschillende tijdstippen en in ver- 
schillende streken 221 

L Dappere Kanonniers: 

De Europeesche Kanonnier J. van Deventer voor Bondjol ; 1835 222 

Idem C. H. Kool van Heerens | voor de 

De Trompetter der Artillerie L. Muller Kantbr ((A^^^Tsts 



INHOUD 331 

Blz. 
n. Kordate Transport Kommandanten : 

De Sergeant der Infanterie J. H. Kranbvobt in Palembang; 1851 226 

Idem L. G. Günther Mohr in Atjeh ; 1879 228 

.ƒ m. Herman de Ruijter voor Loevest^n 1570 en een stout stuk van den 

Luitenant H. C. Gillij de Montbla in den Jav a-oorlog; 1829 230 

i IV. Het oorlogschip »„Pro Patria"" op de Theems 1667 en het 
oorlogsstoomschip „„Celebes"" op de Slakkouw-rivier (Wester- 
f Afdeeling van Bomeo); 1853 , 232 

V. Dappere Vaandeldragers: 

De Adjudant-Onderofficier E. C. O. von Bredow te Atjeh ; 1873 236 
idem B. van Wbenen „ „ 1874 241 

idem G.- Koolhof , „ 1878 241 

De Hulpwapens 245 

L Militaire Administratie 246 

n. Geneeskundige dienst (Ambulances) 247 

m. De Officier van Gezondheid 1« klasse C. de Moou met de ambu- 
lance op den tocht naar Telok Kadjoe (Atjeh); 1878. . . . 252 

Een Edel Trio 261 

I. Mevrouw C. A. M. F. W. Keupers — Stutterheim 265 

n. De koopman G. von Bülzingslöwen 267 

ni. Pastoor H. C. Verbraak 272 

Een Gulden Blad uit de Indische krjjgsgeschiedenis 276 

Het geslacht de Brauw 277 

— Le Bron de Vexela 278 

— DE Bruun 279 

— Ck>LLARD 280- 

— van Daalen 281 

— DONLEBEN 282 

— Franssen 282 

— Happb 282 

— VAN DER HeUDEN 28^ 

— Kroesen 284 

— SCHBNGK 286 

— SoRG 285^ 

— Steinmetz 286 

— DB Sturler 286 

— VAN SWIETBN 287 



332 niHOüD 

Blz. 
Het geslacht Ublknbick 28^ 

— Vnspucx 2^. 

— Vis 29 

Wet houdende de instelling der Militaire Willemsorde 3^: 

Reglement van Administratie en Discipline van idem 2^ ': 

Alphabetische opgave van de Leden der Militaire Willemsorde die op 
bet einde der Ne%enitend€ Eettw nog in leven waren, met vermelding 
van den rang of de graad waarin hên die hoogst eervolle onder- 
scheiding werd toegehend voor daden van Moed , Beleid en Trouw in 
Indische oorlogen en krifgstochten 30Q| 

Opgave der geraadpleegde bronnen 33J 

Alphabetische Igst van de namen van hen die, in verband met de 
eene of andere schoone daad , in den tekst van dit werk voorkomen. 322 



l 



UMVMSinr OPMKNMAN 
GRADUATI UBRARY 



DATI DUE 



« 

-\